Uitspraak
18.2785 AKW
9 april 2018, 15/8537 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, met de Surinaamse nationaliteit en moeder van twee Nederlandse kinderen, vroeg kinderbijslag aan voor het vierde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015. Zij was in september 2014 vanuit Suriname naar Nederland gekomen en had zich pas in januari 2015 ingeschreven in de basisregistratie personen. Haar aanvraag voor een verblijfsdocument werd afgewezen.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees haar aanvraag af omdat zij nog maar kort in Nederland verbleef, niet werkte en geen verblijfsvergunning had. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, omdat appellante op de peildata geen duurzame band met Nederland had en dus geen ingezetene was.
In hoger beroep betoogde appellante dat de staat profiteert van eigen nalatigheid door het niet tijdig erkennen van haar verblijfsrecht. De Raad oordeelde echter dat de beoordeling van ingezetenschap aan de hand van alle feiten en omstandigheden plaatsvindt en dat appellante op de peildata niet als ingezetene kon worden aangemerkt. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat appellante over de betreffende kwartalen geen recht op kinderbijslag had.
Uitkomst: Appellante had over het vierde kwartaal 2014 en eerste kwartaal 2015 geen recht op kinderbijslag omdat zij toen geen ingezetene van Nederland was.