ECLI:NL:CRVB:2021:910
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band ingezetenschap Nederland
Appellante, met de Surinaamse nationaliteit, kwam eind september 2018 naar Nederland en verbleef aanvankelijk bij haar partner. Na het beëindigen van die relatie verbleef zij in een noodopvang en stond zij op een wachtlijst voor begeleid wonen. Zij ontving vanaf januari 2019 een uitkering en stond vanaf april 2019 ingeschreven in de Basisregistratie Personen.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees haar aanvraag voor kinderbijslag af omdat zij geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had gedurende de betrokken kwartalen. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarbij onder meer het korte verblijf, het ontbreken van zelfstandige woonruimte en het ontbreken van arbeid of maatschappelijke activiteit werden meegewogen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij wel degelijk een duurzame band had, onder meer door het beschikken over woonruimte, het afgeleide verblijfsrecht op grond van het VWEU en haar maatschappelijke situatie. De Raad oordeelde echter dat de juridische binding niet doorslaggevend is en dat alle omstandigheden in samenhang moeten worden beoordeeld. Het ontbreken van duurzame woonruimte en andere factoren leidde tot de conclusie dat geen ingezetenschap bestond.
De Raad verwierp ook het betoog dat er sprake zou zijn van discriminatie tussen personen met verblijfsrecht op grond van artikel 20 en Pro 21 VWEU. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen aanleiding gezien voor een prejudiciële vraag aan het HvJ EU.
Tot slot werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en daarom niet als ingezetene kon worden aangemerkt voor kinderbijslag.