Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser 1]( [eiser 1] ), te [plaatsnaam],
[eiser 2]( [eiser 2] ),
[eiser 3]( [eiser 3] ),
Rechtbank Rotterdam
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) legde een bestuurlijke boete op aan een vennootschap die als intermediair telefonisch energiecontracten verkocht, wegens misleidende handelspraktijken. Tevens werden boetes opgelegd aan twee feitelijk leidinggevenden. De vennootschap en leidinggevenden stelden zich op het standpunt dat het bewijs onrechtmatig was verkregen en betwistten hun aansprakelijkheid en de hoogte van de boetes.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs niet onrechtmatig was verkregen, onder meer omdat de bedrijfsbezoeken en gegevensvorderingen binnen de wettelijke kaders vielen en het bewijs wilsonafhankelijk was. De rechtbank bevestigde dat de vennootschap als overtreder kon worden aangemerkt en dat de feitelijk leidinggevenden hun verantwoordelijkheid droegen, ook al stuurden zij de callcentermedewerkers niet direct aan.
De rechtbank stelde vast dat de boetes passend waren vastgesteld volgens het boetebeleid, maar constateerde een overschrijding van de redelijke termijn. Daarom verlaagde zij de boetes met 5%, met een maximumkorting van €5.000. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en stelde de boetes dienovereenkomstig vast, waarbij het griffierecht werd terugbetaald maar proceskosten niet werden toegekend.
Uitkomst: De rechtbank vermindert de boetes wegens overschrijding van de redelijke termijn en stelt deze vast op €395.000, €47.500 en €61.750.