Uitspraak
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1923, wonende te
[woonplaats](Frankrijk), zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
een hoeveelheid spaarcertificaten ad f 109.000,-- althans enig bedrag, die in depot bij de Bank gestort was;
een hoeveelheid effecten, die in depot gegeven was bij [verdachte] ’s Bank (Schweiz) A.G. te Zürich;
een hoeveelheid kascertificaten ad f 30.000,-- althans enig bedrag, die in depot bij de Ban]k gestort was;
f 175.000,--) en/of 9 april 1980, (telkens) niet vermeld, dat tot zekerheid voor de voldoening door kredietnemer aan al zijn verplichtingen jegens de Bank (onder meer) de navolgende zekerheid is verschaft: een hoeveelheid pandbrieven ad f 86.000,-- of f 87.000,-- althans enig bedrag, die in depot aan de Bank gegeven was;
H.F. van Reijmenam, die in depot gegeven was bij [verdachte] ’s Bank (Schweiz) A.G. te Zürich);
feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en),
[rekeningnummer 1] ,
[rekeningnummer 2] ,
[rekeningnummer 3] ,
[rekeningnummer 4] ,
in de periode januari 1979 tot en met augustus 1982;
[naam 5] , [naam 6] en/of (van) [naam 7] voor [betrokkene 16] op een of meer verzendadviezen en/of koopnota’s effecten en/of uitleveringsbevestigingen, behorende bij effectentransakties van die [betrokkene 16] en/of van de vennootschap [B] B.V., waarbij de afrekening plaats vond op een
(tussen-)rekening “diverse personen”(nr. [rekeningnummer 7] ), in de periode september 1977 tot en met januari 1979;
’s-Gravenhage, de volgende middelen van cassatie voorgesteld:
Aangezien persoonlijke wetenschap als hierbedoeld van
rechtstreekssamenhangendeverboden gedragingen, nog niet impliceert dat rekwirant daardoor op de hoogte was van de ten laste gelegde verboden gedragingen heeft het Hof aan art. 51 tweede Pro lid onder 2 Sr. een uitleg gegeven die niet als juist kan worden aanvaard. Althans hierdoor heeft het Hof het verweer dat in casu van onvoldoende aanwijzing van schuld terzake van het ten laste gelegde “feitelijk leiding geven” sprake is op onvoldoende grond verworpen.
’s-Hofs beschikking is mitsdien niet voldoende met redenen omkleed.
die gedragingop de hoogte was.
Overigens is natuurlijk duidelijk dat “op de hoogte was” hetzelfde betekent als “heeft geweten” terwijl het werkwoord “moeten” gelet op de meervoudige betekenis daarvan, omgezet werd “in behoren” in welke zin het Hof het ook bedoeld heeft.
b: De verdachte, in de Rijtijdenwetzaak, was van mening dat de de betrokken wetgeving onverenigbaar is met de eisen die de praktijk van het wegvervoer en het bedrijfsbelang stellen.
c: De opdrachten vloeiden voort uit een beleid waarin de verdachte er rekening meehield, dat overtreding van de rijtijdenwetgeving “onvermijdelijk” is.
Anders gezegd: de feitelijk leidinggever in deze zaak was actief betrokken bij de bewezenverklaarde strafbare feiten en in zoverre verschilt deze zaak in niets van de zaak die geleid heeft tot H.R. 2 maart 1982 N.J. 1983, 446. Hier is net zoals bij Thomas van Bremerhaven sprake van opzet met
noodzakelijkheidsbewustzijn. Thomas van Bremerhaven begeerde de dood van de bemaning (88 doden) destijds niet, maar hij was wel van het
onvermijdelijkedaarvan overtuigd. (vgl. H.S.R. 9e dr. Pg. 167). Uw Raad besliste in soortgelijke zin bij arrest van 21 mei 1900 W
7461ten aanzien van de schipper van het schip “De jonge Jacoba Lena”:
“dat waar eene opzettelijk gepleegde daad noodzakelijk schade toebrengt, het opzet tot haar insluit het opzet tot de van haar onafscheidelijke beschadiging.” Zowel ten aanzien van Thomas van Bremerhaven, als de schipper van dit schip als de directeur van Harry V. International Transport B.V. geldt dat zij door het onvermijdelijke gevolg van hun handelingen zich bewust waren van de concrete verboden gedraging én ook van het verbodene van de concrete gedraging. In hun activiteit ligt hun wetenschap van de verboden telastegelegde gedraging besloten.
passievefeitelijk leidinggevers een discriminatoir onderscheid tussen passieve – en actieve leidinggevers voorkomt. Niet alleen dogmatisch maar ook maatschappelijk valt niet te verdedigen dat aan de twee typen feitelijke leidinggevers in het strafrecht – de actieve en de passieve – verschillende eisen worden gesteld in dier voege dat voor de passieve minder wetenschap zou zijn vereist dan voor de actieve, ten aanzien van wie, zoals we hebben gezien, zijn wetenschap bewijsrechtelijk op verschillende wijzen geconstrueerd kan worden.
van verboden gedragingendoor de bank, terwijl in de kennisgeving van verdere vervolging omschreven verboden gedragingen rechtstreeks verband hielden met hetgeen de verdachte reeds bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de bank.
Weliswaar is de formule “rechtstreeks samenhangende” gedragingen minder wijd dan “soortgelijke”, maar nog altijd is hiermee niet gezegd dat de wetenschap de telastegelegde verboden gedragingen betrof. In wezen komt de door dit Hof gehanteerde opvatting op hetzelfde neer als die van het Hof ’s-Gravenhage. “Rechtstreeks samenhangende” verboden gedragingen (Amsterdams-model) zijn immers gedragingen van “de soort als in de kennisgeving van verdere vervolging bedoeld” (Haags-model).
vaagheidin mogelijk aanwezige wetenschap illustreert dat ’s-Hofs criterium persoonlijke wetenschap van het begaan van verboden gedragingen van de bank” te grof c.q. onjuist is, nu daarmee volstrekt buiten beschouwing blijft of rekwirant op de hoogte was van de concrete telastegelegde verboden gedragingen.
Ten aanzien van de gevoerde verweren betreffende de aansprakelijkheid van rekwirant als
opdrachtgeverheeft het Hof overwogen:
In het bijzonder zijn de artt. 50 Sr., 254 Sv. geschonden doordien het Hof het namens rekwirant gevoerde verweer inhoudende dat de standaardverklaringen niet opzettelijk vals kunnen zijn opgemaakt nu de opstellers daarvan niet op de hoogte waren van de eventuele onjuistheid van de onderliggende bescheiden verworpen heeft op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
’s-Hofs beschikking is in zoverre niet voldoende met redenen omkleed.
Het daderschap van een rechtspersoon kan, zoals Torringa het uitdrukt, “ bijeengeharkt” worden doordat bestanddelen, die bij verschillende personen worden aangetroffen tezamen de vervulling van de delictsbestanddelen door de rechtspersoon teweeg te brengen. (vgl. R.A. Torringa, De rechtspersonen als dader; strafbaar leidinggeven aan rechtspersonen, Monografieën Strafrecht deel 2, pg. 36.) Ook uit de M.v.T. bij het ontwerp van het huidige art. 51 Sr Pro. blijkt dat opzet of schuld onder omstandigheden aan de rechtspersoon worden toegerekend.
Wat hier ook van zij, het is duidelijk dat het psychisch klimaat, de bedrijfspolitiek of de feitelijke gang van zaken voortvloeit uit c.q. gevormd wordt door het handelen en/of nalaten van natuurlijke personen. Dié scheppen dat klimaat.
rechtspersoon, in casu de bank, het resultaat van de verboden handelingen onverbloemd heeft aanvaard. Blijkens r.o. 3.2.4. heeft het Hof zich evenwel uitsluitend uitgelaten over de aanvaarding van één en ander door rekwirant, daarbij in het midden latend of gesproken kan worden van aanvaarding door de rechtspersoon. Ook in dit opzicht is ’s-Hofs beschikking derhalve onvoldoende met redenen omkleed.
In het bijzonder zijn de artt. 225 Sr., 254 Sv. geschonden doordien het Hof het namens rekwirant gevoerd verweer inhoudende (vgl. 2.4.1 van ’s Hofs beschikking) dat het niet vermelde van zekerheden in kredietovereenkomsten niet kan leiden tot valsheid van die overeenkomsten, omdat daarin en in de algemene bankvoorwaarden wordt verwezen naar niet uitdrukkelijk vermelde zekerheden heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
misdrijvenis het Hof ten volle getreden in de beoordeling van de vraag of het telastegelegde en eventueel bewezene een strafbaar feit oplevert. Hiermee heeft het Hof de grenzen van een bezwaarschriftprocedure overschreden en niet meer beslist op de grondslag van art. 250 Sv Pro. (vgl. H.R. 29 sept. 1951 N.J. 1952, 58 in het bijzonder de ‘ambtshalve” overweging,
a. dat de verdachte zich aktief heeft bemoeid met de bedrijfsleiding in de sector waarin de verboden gedragingen hebben plaatsgevonden,
b. dat de verdachte persoonlijk op de hoogte was van de in de kennisgeving van verdere vervolging omschreven gedragingen en
c. dat hij welbewust, althans verwijtbaar heeft nagelaten hetgeen overeenkomstig zijn functie (in redelijkheid) van hem gevergd kon worden om herhaling te voorkomen.
a. dat de verdachte zich aktief heeft bemoeid met de bedrijfsleiding in de sector waarin de verboden gedragingen hebben plaatsgevonden,
b. dat de verdachte persoonlijk op de hoogte was dat geschriften van de soort als omschreven in de kennisgeving van verdere vervolging vals werden opgemaakt en
c. dat hij welbewust, althans verwijtbaar heeft nagelaten hetgeen onvereenkomstig zijn functie (in redelijkheid) van hem gevergd kon worden om herhaling te voorkomen.
Aannemelijk is dat de Franse aandeelhoudster sedert maart 1981 steeds meer het beleid binnen de bank bepaalde. Of de machtspositie van de verdachte ten aanzien van de kredietverlening en de kantorenorganisatie daardoor zodanig werd ingeperkt, dat hij niet meer geacht kan worden feitelijke leiding te hebben gegeven aan genoemde gedragingen, laat zich, waar dit niet zonder meer evident is, echter niet in het kader van de beperkte toetsing binnen deze bezwaarschriftprocedure vaststellen.
Het gaat in deze procedure immers voornamelijk over de vraag naar de omvang van de aansprakelijkheid wegens het feitelijke leidinggeven. Nu deswege geen buiten vervolgingstelling kan volgen, kan niet gezegd worden dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend de in de kennisgeving van verdere vervolging vermelde feiten geheel of ten dele bewezen zal achten. De omtrent het opdrachtgeven opgeroepen dubia worden door deze formule reeds voldoende opgevangen.
5.1.2. De bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans als onder 5.1.1 bedoeld kan zich te dezen voordoen, indien hetgeen de verdachte bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de Bank rechtstreeks verband hield met de in de kennisgeving van verdere vervolging omschreven verboden gedragingen.
5.1.3. Het bovenstaande in aanmerking genomen zijn ’s Hofs hiervoren aangehaalde overwegingen 3.2.1 tot en met 3.2.10 niet onbegrijpelijk of onduidelijk en geven die overwegingen geen blijk van een onjuiste opvatting van de term “feitelijke leiding geven aan de verboden gedraging” in het tweede lid onder 2° van art. 51 Sr Pro..
5.2. Het middel faalt mitsdien.
6.2. Hieruit volgt dat het Hof, na tevoren overwogen te hebben dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is te achten dat de strafrechter, later oordelend, het geven van feitelijke leiding aan de telastegelegde verboden gedragingen bewezen zal achten, in overweging 3.3 van de bestreden beschikking de vraag of er onvoldoende aanwijzing van schuld in de zin van art. 250 Sv Pro. bestaat nopens het opdracht geven, buiten bespreking heeft kunnen laten.
6.3. Het middel faalt mitsdien.
7.2. Aldus heeft het Hof het in het middel vermelde verweer op toereikende gronden verworpen.
7.3. Het middel faalt mitsdien.
8.2. Het middel faalt mitsdien.
9.2. Het middel faalt mitsdien.
16 december 1986.