Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V., uit Assen, eiseres, NAM
mr. M.P. Sluijter en mr. N. Bergman).
Samenvatting
- Procesverloop (onder 2 t/m 2.7)
- Achtergrond van de zaak (onder 3 t/m 3.30)
- De positie en taakopdracht van het Instituut (onder 4 t/m 4.8)
- De positie van NAM (onder 5 t/m 5.3)
- De heffingsbevoegdheid en de tijdvakbeoordeling (onder 6 t/m 7.2)
- Het bewijsvermoeden(gebied) (vanaf 8)
- Zettingsschade (onder 13 t/m 13.5)
- De maatstaf voor weerlegging van het bewijsvermoeden (onder 14 t/m 14.12)
- Het causaliteitsonderzoek door het Instituut (onder 15 t/m 15.6)
- Toepassing overige regels uit het BW (onder 16 t/m 16.1)
- Het calculatiemodel (onder 17 t/m 17.3)
- De uitvoeringskosten (onder 18 t/m 18.2)
- Het motiveringsbeginsel (onder 19 t/m 19.3)
- Artikel 1 EP Pro EVRM (onder 20 t/m 21)
- Conclusie en gevolgen (onder 22)
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Ondanks dat de NAM in de praktijk blijk geeft van een ruimhartige toepassing van de schaderegeling hebben veel betrokkenen in het gebied weinig vertrouwen in de uitvoering van deze regeling door dezelfde instantie die verantwoordelijk is voor de gaswinning. Daardoor blijft de vraag naar een meer onafhankelijke borging van de schadeafhandeling actueel.” [8]
“te komen tot een werkelijk onafhankelijke schadeafhandeling, ook in de randen van het gebied”. [19]
Naar een nieuwe schadeafhandeling’, met vier pijlers waaraan het schadeprotocol moet voldoen: verantwoordelijke Staat, rechtvaardige schadebepaling, menselijke maat, onafhankelijkheid. [22]
“met deze twee uitzonderingen, in het belang van de semi-rechterlijke aard van de taken van het Instituut, wordt voorkomen dat de Minister met behulp van het vernietigingsrecht kan ingrijpen in individuele gevallen of met behulp van beleidsregels kan ingrijpen in de taakuitoefening door het Instituut.” [40] Verder is, zo volgt ook uit de Memorie van Toelichting bij de TwG, afgeweken van artikel 12 Kaderwet Pro zbo’s, in die zin dat benoeming van het Instituut niet door de door de politiek verantwoordelijk Minister, maar door de regering geschiedt.
“Met dit besluit wordt invulling gegeven aan de vier pijlers die door de regionale overheden maatschappelijke organisaties (in het bijzonder het Gasberaad en de Groninger Bodem Beweging) van groot belang worden geacht voor de toekomstige schade-afhandeling. (…) Met het besluit en het bijbehorend schadeprotocol neemt de Staat ruimhartig zijn verantwoordelijkheid, wordt voorzien in een ruimhartige, rechtvaardige en onafhankelijke schade-afhandeling en is er oog voor de menselijke maat.” [45]
“Het is van belang dat ruimhartigheid in het wetsvoorstel wordt opgenomen. Ruimhartigheid is een belangrijke voorwaarde geweest vanuit de Minister richting de Groningers. Zo wordt door de TCMG sinds begin 2019 bij de meeste schades boven het Groningenveld het wettelijk bewijsvermoeden toegepast als basis voor een zorgvuldige en ruimhartige schadeafhandeling. We willen dat het protocol met dit wetsvoorstel in elk geval niet slechter mag worden. Die garantie is er echter nu niet met dit wetsvoorstel.” [47]
Zoals is toegelicht in paragraaf 3.4 van deze toelichting wordt met deze wet niet beoogd een wijziging aan te brengen in de financiële verantwoordelijkheid van de exploitant voor de schade die op grond van deze wet door het Instituut wordt afgehandeld.” [52]
wenselijk dat de kosten van de afhandeling van schade door het Instituut gedragen worden door de exploitant, als partij die profijt heeft (gehad) van de mijnbouwactiviteiten die de schade veroorzaken.” [58]
“ter bestrijding van alle kosten gemaakt in verband met de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 2, derde lid, onderdelen a en b, zevende en negende lid en 12, vierde lid, met uitzondering van de kosten die verband houden met de bezoldiging van de leden van het Instituut, de huisvestingskosten van het Instituut en de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van het Instituut”.Het betreft hier naar het oordeel van de rechtbank een gebonden bevoegdheid, zoals ook staat in de Memorie van Toelichting bij de TwG. [60] De formulering als gebonden bevoegdheid is in de wet opgenomen naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (de Afdeling advisering) van 10 mei 2019, waarin zij schrijft:
“Zo is de heffing vormgegeven als een discretionaire bevoegdheid, waar een gebonden bevoegdheid meer op zijn plaats lijkt, mede gelet op het vermijden van het risico op verlening van staatssteun aan de exploitant. De heffing wordt immers opgelegd om de overheid schadeloos te stellen voor de afhandeling van alle schade die is ontstaan door onrechtmatig handelen van de exploitant.” [61]
allekosten gemaakt in verband met de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 2 lid 3 sub a en Pro b en artikel 2 lid Pro 7, in de heffing worden betrokken.
“Bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of gasopslag bij Norg zou kunnen zijn, wordt vermoed dat die schade veroorzaakt is door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.”
nietvoor ogen had. Duidelijk was dat de wetgever niet beoogde het effectgebied af te bakenen op de onder 3.4. opgenomen contourenkaart uit 2014. Zo is te lezen dat het hanteren van die contourenkaart in het verleden tot onvrede heeft geleid
“omdat daarmee een harde grens wordt getrokken die als arbitrair wordt ervaren.” [75] Ook zou het effectgebied niet per definitie beperkt moeten zijn tot de provincie Groningen. [76] De bedoeling van de wetgever was
weldat een gebied werd geduid waarbinnen zich effecten kunnen voordoen als gevolg van de gaswinning, op basis van seismische en geologische gegevens. [77] Het doel van de invoering van het bewijsvermoeden was uiteindelijk om
“te bewerkstelligen dat iedereen die schade heeft door bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld, onder het bewijsvermoeden valt.” [78] Daarbij hebben Klever en Vos in het Kamerdebat van 29 juni 2016 benadrukt dat het bewijsvermoeden juist bedoeld was om inwoners aan de randen van het effectgebied van het Groningenveld tegemoet te komen in hun bewijspositie. [79] Bij geschillen over de toepassing van het bewijsvermoeden bij de rechter kan volgens de wetgever jurisprudentie ontstaan over de vraag in welk gebied het wettelijk bewijsvermoeden van toepassing is. [80]
- Prof. mr. A.I.M. van Mierlo (destijds hoogleraar privaatrecht aan de Erasmus School of Law, hoogleraar Burgerlijk Procesrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en tevens advocaat te Rotterdam);
- Prof. mr. P.J.J. van Buuren (Staatsraad bij de Raad van State tot medio 2017 en hoogleraar bestuursrecht aan de Universiteit Utrecht gedurende 25 jaar);
- ir. W.A.B. Meiborg (deskundige gespecialiseerd in grondmechanica en funderingstechnieken);
- ir. P.C. van Staalduinen (thans zelfstandig adviseur, daarvoor directeur/bestuurder van Syntens Innovatiecentrum en vóór 2007 onder meer directeur van TNO Bouw);
- ing. J. Nagtegaal NIVRE-re (sinds 1990 werkzaam als schade-expert, is in 1998 ingeschreven in het register van de Stichting Nederlands Instituut Van Register Experts (NIVRE) en sinds 2009 ingeschreven in het Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen).
“Bij metselwerk met een lage sterkte treedt in alle gesimuleerde omstandigheden doorgroei van de scheur op (…) vanaf een trillingssnelheid van 2 mm/s. (…) Bij metselwerk met geringe sterkte leiden trillingen al vanaf 2 mm/s tot scheuren in het zichtbare bereik.” [86] De op 1 november 2018 opgestelde notitie van Van Ravels [87] , als voorzitter van de TCMG, sluit ook aan bij deze trillingssnelheid middels de volgende vraag:
“3h. Is het rechtens aanvaardbaar om, overeenkomstig het advies van de Technische commissie bodembeweging (…) bij de beoordeling van aanvrager om schadevergoeding een (praktische) begrenzing te hanteren van (…) 2 mm/s?”
berekendein plaats van
gemetentrillingen op het niveau van het aardoppervlak worden getoetst aan de criteria van SBR Trillingsrichtlijn A, is sprake van een situatie die overeenkomt met een ‘indicatieve meting’ volgens 9.2.2 van de richtlijn. Dan moet volgens 9.3 van deze richtlijn gebruik gemaakt worden van een veiligheidsfactor 1,6 op de grenswaarde. Dat komt neer op een mogelijke afbakening op een trillingssnelheid van 1.8 mm/s met een overschrijdingskans van 25%. Bij toepassing van deze criteria voor afbakening van het gebied, zou sprake zijn van een resterende schadekans van 1 tot 3%. Deze kans werd door het Panel te groot geacht, aldus Van Staalduinen. Een conclusie die past bij de volgende passage uit het rapport van TU Delft van 14 juli 2016 [90] (met Van Staalduinen als auteur):
“een verwaarloosbare kleine kans op schade kan in een groot onderzoeksgebied met een zeer grote populatie bouwkundige objecten sommeren tot een betekenisvolle kans op schade in het gebied.”
Figuur 4Die intensiteitskaart is, zo is ter zitting ook naar voren gekomen, gebaseerd op internetenquêtes waarbij personen wordt gevraagd naar hun waarneming van trillingen en of er schade aan gebouwen is gezien. [95] Dit gaat om een zogenaamd ‘empirisch kwalitatief model’. Bommer heeft ter zitting toegelicht dat van groot belang is of trillingen gevoeld zijn door mensen, omdat het menselijk lichaam gevoeliger is voor trillingen dan een gebouw. NAM is in het aanvullend beroepschrift van 17 maart 2025 ingegaan op de in opdracht van de Europese Seismologische Commissie ontwikkelde intensiteitsschaal. [96] Op basis van de naar aanleiding van de beving van Huizinge ingevulde enquêtes is door het KNMI een intensiteitskaart gemaakt waarbij het gebied rondom de beving van Huizinge is ingedeeld in intensiteitsklassen I tot en met VI. Alleen bij intensiteitsklassen V en VI kan volgens BCP gebouwschade ontstaan. BCP concluderen dat de beving bij Huizinge kan hebben geleid tot intensiteit VI op maximaal 5,2 kilometerafstand van het epicentrum en intensiteit V op maximaal 10,4 kilometer afstand van het epicentrum. Daaruit volgt volgens BCP dat binnen een straal van 5,2 kilometer van het epicentrum sprake kan zijn van DS2-schade en binnen een straal van 10,4 kilometer van DS1-schade. Deze contouren heeft BCP weergegeven met zwarte cirkels op de intensiteitskaart van het KNMI, zoals weergegeven in figuur 4. [97]
De rechtbank merkt in dat kader vooreerst op dat de KNMI-intensiteitskaart afhankelijk is van mensen die toevallig na de beving van Huizinge op de website van het KNMI een internetenquête hebben ingevuld, terwijl het rekenmodel een objectiveerbare indicatie geeft van hoe hoog de trilling daadwerkelijk kan zijn geweest.
Daarbij valt de rechtbank op dat NAM in augustus 2014, dus ruim 1,5 jaar na het rapport van het KNMI, met een hele andere contourenkaart kwam dan de DS1 en DS2-contourenkaart. Zo noemt BCP in een reactie van 18 december 2023 dat de eerste contour uit 2014 was gebaseerd “
on the Bommer & Crowley (2014) exclusion zone contour.” [98] Ook daarna zijn door NAM andere contouren bepleit die waren gebaseerd op trillingssnelheden. Zo leest de rechtbank nog in het beroepschrift:
“het ligt voor de hand om de SBR-richtlijn te gebruiken om het beoordelingsgebied af te bakenen (p. 78-79).”Een richtlijn die ook terugkomt in brieven van NAM uit 2019 en 2020 aan het ministerie EZK. [99] In ieder geval kan uit de overgelegde stukken niet blijken dat de KNMI-intensiteitskaart die is gebaseerd op enquêtes over gevoelde bevingen, ten faveure van een meer objectieve indicatie op basis van trillingsmodellen, door NAM is voorgestaan bij de afbakening van effectgebieden.
De rechtbank ziet met de thans gegeven uitleg ook niet goed in waarom er, door onder meer Bommer, op verzoek van NAM, vanaf 2013, diverse empirische kwantitatieve modellen zijn ontwikkeld waarmee de trillingssnelheid voor plaatsgevonden bevingen kunnen worden berekend, als voor wat betreft de afbakening van het effectgebied, met de intensiteitskaart uit januari 2013 had kunnen worden volstaan.
De Minister heeft zich daarom ook op het standpunt kunnen stellen dat het gebied waarbinnen toegekende vergoedingen kunnen worden doorbelast aan NAM, door het Instituut niet beperkt hoefde te worden tot de door Bommer in deze procedure aangereikte DS1 en DS2-contour.
zou kunnen zijn.
naar haar aard redelijkerwijs het gevolg zou kunnen zijnvan die gaswinning. [104]
“In deze periode waren er verschillende publicaties beschikbaar over de grenswaarden voor een relatieve grondwaterstandsverlaging. In deze publicaties kwam een grenswaarde van een 5 centimeter peilverlaging als uitsluitingsgrens naar voren (Commissie Bodemdaling door Aardgaswinning, 2016), (ACSG, 2019), (TU Delft, 2018) en (Bijnagte, 2011). Deze grenswaarde was echter uitsluitend gebaseerd op een kwantitatieve beschouwing van het mechanisme samendrukking. Destijds was bekend dat de mechanismen veenoxidatie en krimp en zwel van klei ook een rol spelen, maar in Q3 en Q4 van 2020 was nog niet onderzocht welke grenswaarden daarbij horen. Ook was er nog geen grenswaarde vastgesteld voor de aantasting van houten paalfunderingen. Dat betekent dat het op dat moment nog maar zeer de vraag was of deze grenswaarde (van 5 centimeter) niet te ruim was gesteld.(…)Tegelijkertijd gaven deze grenswaarden slechts een beperkt inzicht op de kans op schade.” [112]
“Hoewel autonome oorzaken ook zonder diepe bodemdaling tot schade kunnen leiden, was duidelijk dat een door bodemdaling veroorzaakte relatieve grondwaterstandsverlaging autonome schadeoorzaken in de regel kunnen verergeren, of zelfs kunnen leiden tot schade waar dat zonder deze relatieve grondwaterstandsverlaging niet het geval zou zijn geweest.” [113]
“gelet op de beperkte kennis, de onzekerheden over grenswaarden en de mogelijke samenloop met autonome oorzaken, het technisch verdedigbaar was dat het IMG in Q3 en Q4 van 2020 het bewijsvermoeden ook voor indirecte effecten toepaste binnen de 6 kilometer contour, omdat daarbuiten de diepe bodemdaling gering was.”Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Instituut daarin voldoende aanleiding kunnen zien om, gelet op de bestaande onzekerheden en het doel van de invoering van het bewijsvermoeden, een bodemdalingscontour van 6 kilometer rondom het Groningenveld en de gasopslag Norg te hanteren.
“De triggerwerking is een belangrijke omstandigheid dat bij veel panden schade door bevingen kan ontstaan, ondanks geringe invloed van de trillingen op de spanningen in de desbetreffende gebouwen.” [120] Naast het schademechanisme ‘trillingen’ kunnen ook de indirecte effecten van diepe bodemdaling tot zettingsschade leiden, zoals volgt uit onder andere het deskundigenadvies bij het verweerschrift van Van Dalen en Van der Stoel en het onderzoek van Deltares van 30 augustus 2021. Hiervoor heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat niet kan worden uitgesloten dat de indirecte effecten van diepe bodemdaling van invloed kunnen zijn op het ontstaan van mijnbouwschade, zo ook zettingsschade.
“het feit dat de NAM onder verwijzing naar het rapport van Dekra de schades als aardbevingsgerelateerd heeft erkend, draagt bij aan het oordeel dat niet met voldoende grote mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de schade door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten is ontstaan.”
“indien is voldaan aan de vereisten voor toepassing van het vermoeden van 6:177a lid 1 BW, de exploitant dat vermoeden alleen dan met succes weerlegt als hij erin slaagt te bewijzen – waaronder is begrepen voldoende aannemelijk te maken – dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk.” [127]
“de wetgever iets wilde – en er ook van uitging dat hij dat geregeld had – dat omkering van de bewijslast benadert.” [130]
“evident en aantoonbaar een andere oorzaak als uitsluitende oorzaak voor de fysieke schade valt aan te wijzen”. [132] Het is een maatstaf die ook wordt teruggezien in een door de Minister overgelegde uitspraak van de Arbiter. [133] Deze maatstaf wordt in de praktijk ook door het Instituut toegepast. Een vertaling daarvan is neergelegd in de Praktische Uitwerking TwG voor deskundigen. [134] Daarbij acht het Instituut het bewijsvermoeden pas weerlegd indien de deskundige een hoge mate van zekerheid heeft over de oorzaak van de door hem aangewezen schade. Zoals is opgenomen in de Praktische uitwerking TwG voor deskundigen van het Instituut wordt van de deskundige niet gevergd dat hij met 100% zekerheid kan uitsluiten dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten.
“het Instituut de uitleg van het bewijsvermoeden in het voordeel van degenen die schade lijden, heeft verscherpt ten opzichte van de uitleg die door de Hoge Raad is gegeven in zijn arrest van 19 juli 2019.” [135] Ook verwijst NAM naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 januari 2026, waarin het Hof appellant niet volgt in het standpunt dat in dat geval
“moet worden uitgegaan van een andere, voor NAM strengere maatstaf – te weten dat NAM het bewijsvermoeden alleen heeft weerlegd als wordt aangetoond dat de schade is te herleiden tot een evidente en autonome oorzaak”. [136]
“(…) Het komt er hierbij in de eerste plaats op aan of de deskundige met een voldoende grote mate van zekerheid, voldoende draagkrachtig gemotiveerd kan aangeven waarom de schade niet is veroorzaakt of verergerd door mijnbouw, maar door een andere, uitsluitende oorzaak. De motivering die de deskundige in zijn adviesrapport geeft moet -om het bewijsvermoeden te weerleggen- dan ook in de eerste plaats voldoende duidelijk een andere oorzaak van de schade aanwijzen, derhalve anders dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Een motivering die niet duidelijk aangeeft waardoor de schade dan wél is ontstaan, kan het bewijsvermoeden in principe niet ontzenuwen. Een motivering waarin diverse, mogelijke oorzaken van de schade zijn genoemd, kan dat evenmin. Het bewijsvermoeden kan ook niet worden weerlegd door er enkel op te wijzen dat de schade niet ontstaan zou kunnen zijn door trillingen met de sterkte die is genoemd in de uitkomst van de trillingtool (dat vergt wetenschappelijk
“Uit de tabel is af te leiden dat bij al de alternatieve methoden op basis van omgevings-, gebouw- en schadekenmerken, vaak met gebruik van een lijst mogelijke oorzaken, middels verificatie en falsificatie de meest waarschijnlijke oorzaak moest worden bepaald. Bij de IMG-methode diende op basis van genoemde kenmerken een eventuele autonome, oorzaak, vanwege de strenge motiveringseisen, te worden geverifieerd, waarbij de invloed van bodembeweging in samenhang met deze oorzaak diende te worden gefalsificeerd om de uitsluitendheid te bepalen. Een proces van verificatie en falsificatie op basis van omgevings-, gebouw- en schadekenmerken sluit aan bij internationale kennis over de aanpak van schadeonderzoek conform de wetenschappelijke methode.” [141]
“Wanneer er geen causaal verband wordt geconstateerd tussen de opgenomen schade en de aardbevingen wordt zoveel mogelijk de alternatieve oorzaak van de schade in het rapport beschreven.”Voor zover NAM heeft aangevoerd dat de wijze waarop door haar in het verleden zelf schade is afgehandeld nu niet ter zake doet, volgt de rechtbank dat standpunt, gelet op hetgeen al eerder onder 13.3 is overwogen, niet.
Bij een bezoek ter plekke kon hij ook kennisnemen van gebouwkenmerken en omgevingskenmerken. Met name de schadekenmerken werden hierbij uitgebreid vastgelegd door middel van diverse overzichts- en detailfoto’s, vergezeld van beschrijvingen, waarbij expliciet aandacht werd besteed aan scheurlengte en soms ook aan scheurwijdte. Gebouwkenmerken werden in kaart gebracht middels foto’s, een beschrijving van het type gebouw en waar mogelijk door plattegronden toe te voegen. Omgevingskenmerken konden worden meegenomen bij de beoordeling van de schade.” [146] De deskundige loopt aan de hand daarvan na of er met een voldoende grote mate van zekerheid een andere oorzaak voor de schade kan worden aangewezen. Die methodiek komt volgens Terwel overeen met het uitgebreide falsificatieproces zoals dat in het TNO-rapport Gebouwschade 2011 is beschreven, alleen is sprake van een vereenvoudigde uitwerking daarvan. [147] De stappen die de deskundige in het falsificatieproces heeft gezet en de gebouw-, omgevings- en schadekenmerken die daarbij in acht zijn genomen, worden namelijk niet in het rapport uitgewerkt als géén andere oorzaak voor de schade kan worden aangewezen. Alleen als wél een andere schadeoorzaak wordt aangewezen, wordt die schadeoorzaak beschreven. De vereenvoudigde toepassing van de TNO-methodiek verhoudt zich naar het oordeel van de rechtbank goed tot de uiterst omvangrijke schadeafhandelingstaak die door het Instituut moet worden afgehandeld en is ook noodzakelijk voor de voortvarendheid van die afhandeling. Het uitgebreid beschrijven van het falsificatieproces per schade zou enorm tijdrovend zijn en daarmee niet voldoen aan de eisen die vanwege de publiekrechtelijke afhandeling (ook op grond van de Awb) aan het besluitvormingsproces gesteld mogen worden. Dit zou bovendien tot hogere uitvoeringskosten leiden. Door in de praktijk wel volgens de uitgangspunten van genoemde TNO-methodiek te werken, wordt gebruik gemaakt van een wetenschappelijk onderbouwde en aanvaardbare methodiek.
Verkennend intern onderzoek toegekende schades en schadebedragenuit 2021 van het Instituut [149] , waarin wordt geconcludeerd dat “
het percentage causale schades niet samenhangt met objectief gemeten factoren die in de database van IMG beschikbaar zijn, zoals woningkarakteristieken en bevingshistorie, en tot op zekere hoogte wel met factoren gerelateerd aan de schade-opname en daarmee het expertisebureau dat deze opname uitvoert."
“Het Instituut heeft het eerste calculatiemodel niet laten valideren. Het model is opgesteld door onafhankelijke deskundigen en er was geen reden te twijfelen aan de juistheid en ruimhartigheid ervan. Het Instituut heeft latere versies van het calculatiemodel, zekerheidshalve en gelet op het grote belang ervan, wel steeds onafhankelijk laten valideren op marktconformiteit én ruimhartigheid. Deze laatste toets vindt haar grondslag in de taak van het Instituut om de schade ruimhartig te vergoeden.
De Minister heeft in dupliek er op gewezen dat deze bepaling zo moet worden gelezen dat het gaat om de bezoldiging en de huisvestingskosten van de
ledenvan het Instituut. Een andere uitleg zou volgens de Minister in strijd zijn met het Europeesrechtelijk verbod op staatssteun (artikel 107 VWEU Pro). NAM zou dan immers een niet-marktconform voordeel worden verschaft. NAM moest deze kantoorkosten ook dragen voordat de schadeafhandeling publiekrechtelijk was vormgegeven (door onder meer het CVW vanuit haar kantoor in Appingedam).
De rechtbank acht de uitleg van de Minister navolgbaar en ziet geen grond om de wet anders uit te leggen dan hiervoor is weergegeven. Dit sluit ook aan bij artikel 2 lid 1 sub c van Pro de Tijdelijke overeenkomst schadeafhandeling Groningen [156] , waarin enkel de kosten van huisvesting voor de leden van de Tijdelijke Commissie zijn uitgezonderd. Dit is nog eens herhaald in de tijdelijke overeenkomst inzake betaling voor schadeafhandeling in Groningen. [157] Op blz. 7 van deze overeenkomst is vermeld:
“De volgende kosten maken geen onderdeel uit van de uitvoeringskosten: De kosten die verband houden met de bezoldiging en de huisvestingskosten van de leden van de Tijdelijke Commissie.”Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
voor zover redelijkte verstrekken, met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009. [160]
naar vermogenmoet worden verstrekt. Een deel van de door NAM verzochte informatie is niet beschikbaar. Zo werd in Q3 en Q4 niet geregistreerd wanneer sprake was van zettingsschade. [161] Die informatie kan de Minister dus niet verstrekken. De Minister heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet in strijd met het motiveringsbeginsel gehandeld. Ook het bepaalde in artikel 6:177a lid 2 BW leidt niet tot een verplichting om die informatie te verstrekken nu dit artikellid zich niet richt tot de exploitant maar tot de benadeelde en erop ziet dat de benadeelde degene die de schade onderzoekt van voldoende gegevens voorziet om dit onderzoek uit te kunnen voeren. Dat onderzoek naar de schade wordt uitgevoerd door het Instituut, niet door NAM. De rechtbank ziet gelet op de voorgaande overwegingen ook geen grondslag voor het oordeel dat de verzochte informatie op grond van artikel 6 en Pro 13 EVRM zou moeten worden verstrekt, zoals door NAM is aangevoerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.