Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) om een schadevergoeding van in totaal €115.773,98 toe te kennen voor mijnbouwschade aan zijn boerderij uit 1876. Het geschil betreft onder meer de vraag of het bewijsvermoeden van schade door bodembeweging is weerlegd, de omvang van vergoeding voor bepaalde schades, en de juiste herstelmethoden.
De rechtbank oordeelt dat het bewijsvermoeden voor schade 74 niet is weerlegd, omdat het IMG onvoldoende heeft aangetoond dat een andere oorzaak evident en aantoonbaar is. Voor schades 35 tot en met 38 is de rechtbank het eens met het IMG dat er sprake is van een andere oorzaak (achterstallig onderhoud door regenwater), maar acht een vergoeding van 50% ruimhartig gezien de minimale overschrijding van de trillingsgrens.
Ten aanzien van de herstelmethoden voor diverse schades stelt de rechtbank dat de deskundigen van het IMG voldoende onderbouwd hebben waarom plaatselijk herstel passend is en dat eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangedragen om dit te betwisten. Ook de overige punten, zoals de vergoeding voor stucwerk bij schade 59 en de omvang van herstel bij schade 62, worden door de rechtbank afgewezen.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.