ECLI:NL:RVS:2026:334
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking horeca-exploitatievergunning wegens overschrijding softdrugsvoorraad en slecht levensgedrag
De burgemeester van Heerlen trok op 8 januari 2020 de horeca-exploitatievergunning van appellant in nadat tijdens een politiecontrole op 2 april 2019 ongeveer 59 kilogram softdrugs werd aangetroffen in de coffeeshop en aangrenzende panden die in eigendom zijn van appellant. Dit overschreed ruimschoots de maximaal toegestane handelsvoorraad van 500 gram softdrugs. Appellant voerde aan dat de aangetroffen drugs buiten de coffeeshop lagen en dat de burgemeester de eis van goed levensgedrag willekeurig toepaste.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de burgemeester zijn beoordelingsruimte deugdelijk had ingevuld en dat de aangetroffen softdrugs, ook in de omliggende panden, als handelsvoorraad van de coffeeshop konden worden beschouwd. De intrekking was daarmee gerechtvaardigd en niet willekeurig, mede omdat eerdere overtredingen niet vergelijkbaar waren met de geconstateerde situatie.
Verder werd geoordeeld dat de intrekking een rechtmatige inmenging in het eigendomsrecht vormde, omdat deze bij wet was voorzien en het algemeen belang diende, namelijk de veiligheid, openbare orde en het woon- en leefklimaat. De Afdeling vond de intrekking niet onevenredig, ondanks de persoonlijke en financiële gevolgen voor appellant, omdat bijzondere omstandigheden ontbraken die een afwijking van het algemeen verbindend voorschrift rechtvaardigen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Limburg bevestigd. De burgemeester hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De intrekking van de horeca-exploitatievergunning wordt bevestigd wegens overschrijding van de toegestane softdrugsvoorraad en niet voldoen aan de eis van goed levensgedrag.