ECLI:NL:GHARL:2025:7819

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
200.347.683/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:177a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over aansprakelijkheid voor aardbevingsschade aan woning en kelder

In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. aansprakelijk is voor schade aan de woning en kelder van appellant, veroorzaakt door aardbevingen door gaswinning. Appellant vordert vergoeding van aanzienlijke schadebedragen, welke door de rechtbank zijn afgewezen. Het hof constateert dat de zaak complex is en dat een deskundigenonderzoek noodzakelijk is om de technische oorzaken van de schade te beoordelen.

De procedure omvat meerdere schademeldingen, diverse rapporten van deskundigen en een uitspraak van de Arbiter Bodembeweging die aansprakelijkheid deels erkent. De kern van het geschil betreft de vraag of de schade aan de kelder en woning het gevolg is van aardbevingen of van bouwkundige gebreken. Het hof oordeelt dat het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW geldt, maar dat NAM het vermoeden kan weerleggen door aannemelijk te maken dat de schade ook zonder bodembeweging zou zijn ontstaan.

Het rapport van Witteveen+Bos concludeert dat de schade vooral wordt veroorzaakt door gebrekkige waterdichtheid en constructie van de kelder, en dat trillingen door aardbevingen vrijwel geen aandeel hebben. Appellant betwist deze conclusies met een eigen deskundigenrapport. Het hof acht een deskundige benoeming noodzakelijk om de technische geschilpunten te doorgronden en de omvang van de schade vast te stellen. De zaak wordt aangehouden tot na het deskundigenbericht.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden voor nader deskundigenonderzoek en verdere beslissing.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.347.683/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 297607
arrest van 9 december 2025
in de zaak van
[appellant],
die woont te [woonplaats] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als eiser,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. R.A. van Elst te [adres2] ,
tegen
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.,
die is gevestigd te [woonplaats2] ,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. P.A.Th. Kostwinder te [adres2] .

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen (onder meer) het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 21 februari 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven (met producties)
• de memorie van antwoord (met producties)
• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 6 november 2025 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of [geïntimeerde] aansprakelijk is voor schade (scheurvorming en lekkage) aan (de kelder van) de woning van [appellant] .
2.2
[appellant] heeft bij de rechtbank (aanvankelijk de rechtbank Noord-Nederland, later de rechtbank Overijssel) gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van primair € 235.634,94 en subsidiair € 141.125,24 voor wat betreft schade 86662 en € 6.427,52 voor wat betreft schade 130868 , te vermeerderen met rente en proceskosten.
2.3 De rechtbank Overijssel heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. Verder heeft [appellant] in hoger beroep zijn eis gewijzigd.
2.4 Het hof kan nog geen eindoordeel geven. Daarvoor is een nader onderzoek door een deskundige noodzakelijk. Dat wordt hierna uitgelegd. Het hof zal daarbij eerst de relevante feiten vaststellen en daarna de standpunten van partijen bespreken. In dat verband zal het hof ook ingaan op de bezwaren (‘grieven’) van [appellant] tegen de beslissingen van de rechtbank.

3.Relevante feiten

3.1
[appellant] is eigenaar van de woning aan de [adres1] in [woonplaats] (verder te noemen: de woning). [appellant] heeft de woning in of omstreeks 2002 zelf gebouwd. Onder de gehele lengte van de woning bevindt zich een kelder van 9,5 bij 13,5 meter met diverse vertrekken.
3.2
Op 26 maart 2015 heeft [appellant] voor de eerste maal schade aan de woning gemeld
bij het Centrum voor Veilig Wonen (verder te noemen: CVW ). CVW was destijds namens [geïntimeerde] met de schadeafhandeling belast en heeft deze schade geregistreerd onder nummer
30756(hierna ook: de eerste schademelding).
3.3
In opdracht van CVW ( [geïntimeerde] ) heeft Arcadis onderzoek gedaan aan de woning.
Uit haar rapport van 26 maart 2015 blijkt dat Arcadis 15 schades aan de woning heeft
geconstateerd en deze volgens het destijds geldende schadeprotocol heeft gekwalificeerd als A-, B- en C-schade. Hierbij staat A-schade voor schade die een direct gevolg is van
aardbevingen, B-schade voor schade die reeds aanwezig was, maar is verergerd als gevolg
van aardbevingen en C-schade voor schade die niet zelfstandig in verband gebracht kan
worden met aardbevingen. De schades met de nummers 14 en 15 betreffen de kelder en
bestaan uit lichte scheuren (nummer 14) en optrekkend of doorslaand vocht waardoor er
water op de keldervloer aanwezig is (de schade met nummer 15). Arcadis kwalificeert de
schade met nummer 14 als B-schade en de schade met nummer 15 als C-schade. In de kolom
"
Oorzaak gebrek" staat bij schadenummer 15 vermeld: “
Optrekkend/doorslaand vocht
i.c.m. eventuele lekkage”. Arcadis heeft de herstelkosten begroot op € 17.672,98 (inclusief
btw). [appellant] heeft zich akkoord verklaard met de schade categorieën en de voorgestelde
wijze van herstel (injecteren). Deze schademelding is, zo staat tussen partijen vast,
afgehandeld.
3.4
Op l oktober 2015 meldde [appellant] opnieuw schade bij CVW . Deze schade is
geregistreerd onder nummer
86662(hierna ook: de tweede schademelding).
BBC Bouwmanagement heeft in opdracht van CVW ( [geïntimeerde] ) onderzoek gedaan en op
23 november 2015 gerapporteerd. BBC Bouwmanagement heeft in haar rapport zeven van
de acht geconstateerde schades aangemerkt als B-schade en de andere schade aan de kelder
- nummer 8 - als C-schade gekwalificeerd. Dit betreft volgens BBC Bouwmanagement lekkage, met als oorzaak vochtindringing. BBC Bouwmanagement heeft de totale herstelkosten begroot op € 2.487,07 (inclusief btw).
3.5
Omdat [appellant] zich niet kon vinden in het rapport van BBC Bouwmanagement
heeft er op kosten van [geïntimeerde] een contra-expertise plaatsgevonden, uitgevoerd door Tandem .
In haar rapport van 4 maart 2016 heeft Tandem ook schadenummer 8 gekwalificeerd als B-schade en de volgende opmerking gemaakt: “
Na de bevingen in 2015 is er forse lekkage en schade ontstaan. De opmerking (…) van BBC is niet juist. De wanden zijn gescheurd, vertonenwelsporen van doorslaand vocht en zijnwelnat". En verder: “
In de kelder zijn in de buitenwanden meer scheuren ontstaan na diverse bevingen in 2015. De kelder loopt momenteel elke 2 weken vol water (2 cm). Tot 2015 was de kelder altijd droog. Dit betekend dat er geen vocht door de keldervloer komt maar vanaf of bovenaf via de buitenwanden. (...)
De kelder is constructief op een juiste manier gebouwd. Zie hiervoor het detail van de kelder wanden in bijlage 1. Bewoner is ter zake kundig en heeft reeds pogingen tot herstel gedaan. Er is echter geen houden aan. Het water blijft toestromen. Ook meerdere pogingen van de bewoner om de kelder droog te houden mogen niet baten. De lekkage als gevolg van de vele schade in de kelder is te groot" .
Tandem concludeert dat de schade bevingsschade is.
3.6
Op 23 januari 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen BBC
Bouwmanagement en Tandem . Dat gesprek heeft geleid tot een eindrapport van BBC
Bouwmanagement van 26 juli 2016. Voor zover van belang heeft BBC Bouwmanagement
hierbij schadenummer 8 van C-schade gewijzigd in B-schade. BBC Bouwmanagement stelt als wijze van herstel voor het verlijmen van de gescheurde stenen door middel van injecteren. Zij begroot de herstelkosten op € 4.052,55 inclusief btw.
3.7
[appellant] heeft, vanwege twijfel aan de door BBC Bouwmanagement voorgestelde
wijze van herstel, Bescon gevraagd een offerte uit te brengen voor "
kelderafdichting wanden
inclusief aanbrengen afwerklaag en zwambestrijding”. De offerte van Bescon van 10 oktober
2016 vermeldt onder het kopje “bevindingen” onder meer het volgende:
"
De kelderwanden zijn op diverse plaatsen gescheurd, de scheurvorming is verticaal en horizontaal. (...)
Ter plaatse van de aansluiting wand/vloer de zogenaamde kim, is de wand op deze aansluiting met de vloer eveneens gescheurd.
De lekkage op de vloer is duidelijk zichtbaar, er stonden plassen water op de vloer als gevolg van zichtbare waterinstroming.
Als gevolg van deze constante waterbelasting zijn schimmels en zwammen ontstaan (...).
De aantasting van zwammen en schimmels hebben de aanwezige materialen onherstelbaar beschadigd.
Schimmels en zwammen zijn ongezond. Aangezien deze in grote getale aanwezig zijn adviseer ik deze ruimten niet meer te gebruiken."
Bescon begroot haar werkzaamheden op € 36.068,30 (inclusief btw). In een latere offerte, van 6 maart 2018, wordt dit € 47.288,30 (inclusief btw).
3.8
CVW ( [geïntimeerde] ) heeft [naam1] (hierna: [naam1] ) gevraagd om na te
gaan welke wijze van herstel voor de kelder, die van BBC Bouwmanagement en Arcadis
(injecteren) of Bescon (afdichting), de juiste was. [naam1] komt in een zogenoemde
ontwerpnotitie van 16 januari 2017 tot het oordeel dat de methode van Bescon de beste
methode is en begroot de kosten hiervan op € 11.800,-.
3.9
[appellant] heeft naast Bescon ook nog twee andere bedrijven - Kreeft en Klein
Drenthe - gevraagd om een offerte uit te brengen voor het afdichten van de kelder. De
offerte van Kreeft sluit op € 41.766,00 (exclusief btw) en die van Klein Drenthe op
€ 27.793,70 (inclusief btw).
3.1
Op 10 januari 2017 heeft [appellant] voor de derde maal schade aan de woning
gemeld bij CVW ( [geïntimeerde] ). Ook met betrekking tot deze schade (geregistreerd onder nummer
130868, hierna ook: de derde schademelding), heeft er onderzoek aan de woning plaatsgevonden. Ditmaal door Expertise Bureau Noord . In haar rapport van 20 juni
2017 constateert Expertise Bureau Noord vier schades, welke volgens Expertise Bureau
Noord (alle) als C-schade kwalificeren. [appellant] kon zich met deze bevindingen niet
verenigen en heeft op kosten van [geïntimeerde] een contra-expertise laten uitvoeren door Vergnes .
In haar rapport van 10 oktober 2017 kwalificeert Vergnes de schade met nummer 1 als A-schade en de schade met de nummers 2 en 3 als B-schades. Schade 4 is niet beoordeeld door Vergnes . Ook constateert Vergnes twee nieuwe schades (nummer 5 en 6). Deze schades kwalificeert Vergnes als A-schade. Expertise Bureau Noord en Vergnes hebben geen akkoord kunnen bereiken over de kwalificatie van de schades met de nummers
1, 2, 3, 5 en 6.
3.11
Op 22 maart 2017 heeft [appellant] de tweede schademelding aangemeld bij de
Arbiter Bodembeweging . In die procedure is vervolgens ook de derde schademelding
betrokken en heeft er op 1 maart 2018 een schouw plaatsgevonden. Tijdens de schouw zijn twee aanvullende schades met betrekking tot de tweede schademelding geconstateerd (de nummers 7 en 8) en in de beoordeling van de Arbiter Bodembeweging betrokken.
3.12
In de uitspraak van 14 juni 2018 heeft de Arbiter Bodembeweging vastgesteld dat [geïntimeerde] met betrekking tot schadenummer 86662 als verweer heeft gevoerd dat de door BBC Bouwmanagement voorgestelde wijze van herstel met de daaraan gekoppelde begroting (zie 3.6) voldoende toereikend is en met betrekking tot schadenummer 130868 dat geen sprake is van door aardbeving(en) veroorzaakte dan wel verergerde schade aan het pand. De arbiter heeft vervolgens geoordeeld dat [geïntimeerde] volledig aansprakelijk is voor vergoeding c.q. herstel van de schades van de tweede schademelding en - ten aanzien van de derde schademelding - voor de schade met de nummers 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 8. De herstelkosten voor de schade onder de tweede schademelding heeft de Arbiter Bodembeweging vastgesteld op € 23.934,15 exclusief btw (het gemiddelde van de berekening van [naam1] en de eerste offerte van Bescon ) en met betrekking tot de schades onder de derde schademelding is overwogen dat deze vastgesteld dienen te worden door Bedrijfsburo JBG . Ook heeft de Arbiter Bodembeweging vastgesteld dat [appellant] in plaats van vergoeding van deze bedragen kan kiezen voor herstel van de schades in opdracht van [geïntimeerde] .
3.13
Bedrijfsburo JBG heeft de schades onder de derde schademelding begroot op
€ 1.811,63.
3.14
[geïntimeerde] heeft de Arbiter Bodembeweging bericht dat er volgens haar sprake is van
een kennelijke fout in de uitspraak van 14 juni 2018, doordat het schadebedrag van de
tweede schademelding inclusief btw zou moeten zijn. [appellant] is het daarmee eens.
3.15
Herstel en/of betaling van de genoemde schadebedragen betreffende de tweede en derde schademelding heeft niet plaatsgevonden.
3.16
In een brief van 9 mei 2018 aan [appellant] heeft [geïntimeerde] aangeboden om de tweede en derde schademelding in het kader van de afhandeling van zogenaamde ‘oude schademeldingen’ af te ronden. In deze brief schrijft [geïntimeerde] onder het kopje “Aanbod” onder meer:

Ter afronding van uw ‘oude’ schademelding(en) doet [geïntimeerde] u graag het volgende aanbod. [geïntimeerde] is bereid de schades die u vóór 31 maart 2017 heeft gemeld aan u te vergoeden, met uitzondering van schades die volgens de uitspraken van de Arbiter Bodembeweging evident niet voor vergoeding in aanmerking komen. Hiermee geeft [geïntimeerde] uitvoering aan de afspraken die met het kabinet en de Groningse bestuurders zijn gemaakt over de afhandeling van de ‘oude’ schademeldingen.
Uw gebouw ligt in het gebied waar zich aardbevingen hebben voorgedaan als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld. Gezien de ligging van uw gebouw erkent [geïntimeerde] dat niet kan worden uitgesloten dat aardbevingen (een deel van) de door u gemelde schade hebben veroorzaakt.”
[geïntimeerde] biedt [appellant] in het vervolg van de brief € 22.000,- inclusief btw voor schadeherstel aan. [appellant] krijgt drie weken de tijd om het aanbod te accepteren, bij gebreke waarvan het komt te vervallen.
[appellant] heeft niet met dit voorstel ingestemd.
3.17
In een brief van 14 november 2018 heeft de raadsman van [appellant] [geïntimeerde] verzocht om met een voorstel te komen. Daarbij is aangegeven dat de vordering van [appellant]
op dat moment € 138.410,24 (inclusief btw) bedraagt. [geïntimeerde] heeft hier op 21 december
2018 afwijzend op gereageerd. In deze brief schrijft [geïntimeerde] onder meer:

zal zich - zoals te doen gebruikelijk - conformeren aan de uitspraak van de Arbiter . [geïntimeerde] is in beginsel bereid uitvoering te geven aan de uitspraak van de Arbiter Bodembeweging en de schade conform de uitspraak van de Arbiter Bodembeweging te vergoeden.”
Zij schrijft verder dat zij ook bereid is de schade in haar opdracht te laten herstellen conform de door de Arbiter voorgeschreven wijze van herstel, maar dat zij niet bereid is een hoger bedrag te vergoeden dan de arbiter heeft toegewezen en dat zij aansprakelijkheid voor gevolgschade van de hand wijst. Wanneer [appellant] het niet eens is met de uitspraak van de arbiter, staat het hem vrij de zaak voor te leggen aan de civiele rechter, aldus [geïntimeerde] .
3.18
[geïntimeerde] heeft ingenieursbureau Witteveen+Bos (hierna: W+B ) in de loop van de procedure bij de rechtbank de opdracht gegeven om de schade aan de kelder te inventariseren en om te onderzoeken wat de technische oorzaak van deze schade is. W+B heeft op 2 december 2022, ruim een jaar na het verlenen van de opdracht, een uitvoerig rapport uitgebracht. In de paragraaf “Samenvatting en conclusie” van het rapport is het volgende vermeld:

Dit rapport beschrijft de Root Cause Analysis (hierna 'RCA') uitgevoerd met als doel de oorzaak, of oorzaken, van de schade aan het eigendom van de [appellant] (hierna: ' [appellant] '), staande en gelegen aan de [adres1] te [woonplaats] , te achterhalen. Het eigendom betreft een vrijstaande woning met kelder onder de volledige woning (hierna afzonderlijk ’de Woning' en 'de Kelder'). Dit onderzoek beperkt zich tot de schade aan de Kelder. In dit onderzoek zoeken wij naar het verband tussen de schade, de Woning en de
omgeving, waarmee wij beogen de oorzaak van de schade aan de Kelder te verklaren.
Methode
De RCA volgt in basis de 'Methodiek voor onderzoek naar de oorzaak van gebouwschade - versie 2' (…) van TNO en 'Onderzoek naar de oorzaken van bouwkundige schade in [adres2] Methodologie en case studies ter duiding van de oorzaken' van TU Delft (…). De RCA bestaat uit de volgende onderdelen:
- verzamelen van informatie over het betreffende gebouw en de omgeving;
- inventarisatie van de schades;
- vaststellen van mogelijke oorzaken.
Voor het beoordelen van de schades is een inspectiebezoek gebracht aan het adres [adres1] te [woonplaats] en een veldonderzoek uitgevoerd. De Woning is op 23 februari en 24 augustus 2022 door een team van Witteveen+Bos bezocht voor een uitgebreide opname van de Woning en de schades. Alle schades zijn vastgelegd, ook schades die niet zijn beschreven in eerdere schaderapporten. Hierdoor kunnen schades worden gecombineerd tot één schadebeeld. Tevens is een geotechnisch onderzoek en een grondwatermonitoring uitgevoerd door Wiertsema & Partners in opdracht van Witteveen+Bos .
Bevindingen
De locatie [adres1] te [woonplaats] is gelegen ten oosten van de stad [adres2] , nabij [adres3] en op circa 450 m afstand van de [adres4] . Parallel aan de [adres4] en ten zuiden van de [adres1] , ligt het [adres5] op een afstand van circa 150 m van de Woning. De afgelopen jaren hebben in het watersysteem in het projectgebied geen grote wijzigingen plaatsgevonden. De Woning is gelegen tussen woningen en bedrijfspanden. Daarbuiten liggen industriële en agrarische gebieden.(…)
Geconstateerde schade tijdens inspectie
De Woning is op 23 februari en 24 augustus 2022 door een team van Witteveen+Bos bezocht voor een uitgebreide opname van de Woning en de schades. Tijdens de inspectie zijn 39 schades aan de Kelder opgenomen. Bijna alle schades betreft scheurvorming. Daarnaast is lekkage van de Kelder geconstateerd.
Vergelijking met eerdere schadeopnames
Op basis van de beschikbare foto's in de rapportages van Arcadis (2015), BBC Bouwmangement (2015), Tandum (2016), [naam1] (2017), Expertisebureau Noord (2017) en Vergnes (2017) is een vergelijking gemaakt met de opname door Witteveen+Bos . Er is geen zichtbare verergering van schades aan de Woning geconstateerd ten opzichte van de eerder uitgevoerde schadeopnames. Wel is bij één schade uitvallen van loszittend voegwerk vastgesteld en is te zien dat pogingen zijn gedaan tot herstel van enkele schades.
Analyse van de intensiteit van trillingen ten gevolge van aardbevingen
Op basis van de berekening met de EGMPE2021 van de in het verleden opgetreden trillingssnelheden op de locatie ten gevolge van alle door het KNMI geregistreerde aardbevingen, waarbij rekening is gehouden met de onzekerheden in de berekening volgens het TU Delft rapport uit 2018, volgt dat de beving van Muntendam (2016) de hoogste trillingssnelheid op de locatie tot gevolg had, met een trillingssnelheid van 2,31 mm/s -met toepassing van een 25 % overschrijdingskans op de mediane waarde (conform aanbevelingen van TU Delft).
De strengste grenswaarden voor verdichting en/of verweking van de ondergrond uit de SBR-A richtlijn (2017 Delft) en TU Delft studie (2018) voor de meest verdichtings-/verwekingsgevoelige grondopbouw liggen ruim boven de maximale berekende trillingssnelheden op de locatie. Verdichting en/of verweking van de ondergrond ten gevolge van trillingen door bevingen kan daarmee, zeker gezien de aanwezige - weinig verdichtings-/verwekingsgevoelige - grondopbouw op de locatie waarbij sprake is van een gelaagd pakket met zandlagen met veelal een behoorlijke pakking en daartussen cohesieve lagen, uitgesloten worden als mogelijke schadeoorzaak.
De strengste grenswaarde uit SBR richtlijn A voor schade door kortdurende trillingen, zoals trillingen ten gevolge van aardbevingen, betreft de grenswaarde voor metselwerk in 'gevoelige' staat en bedraagt 2,94 mm/s. Alle bevingen liggen (ruim) beneden deze strengste grenswaarde.
Uit het TNO onderzoek naar trillingen gemeten in woningen (TNO 2019 R1 1992) volgt dat in een woning gemiddeld tientallen keren per jaar een trillingssnelheid van meer dan 1 mm/s wordt gemeten ten gevolge van trillingsbronnen anders dan aardbevingen. Op basis van de berekende trillingssnelheden van alle bevingen is enkel [adres6] -beving (2016) duidelijk te onderscheiden van mogelijke achtergrondtrillingen.
De maximale berekende historische trillingssnelheid ligt aanzienlijk lager dan trillingssnelheden waarbij op basis van de TU Delft studie (…) schade ten gevolge van de trillingen als zelfstandige oorzaak van de schade gezien kan worden. De verwachting op basis van de beschikbare richtlijnen en literatuur is daarom dat trillingen als gevolg van aardbevingen '(vrijwel) geen' aandeel (kans ordegrootte 0 %-1 %) kunnen hebben gehad in het ontstaan of verergeren van lichte schades waarbij sprake is van spanningsopbouw ten gevolge van vervormingen of verschilzettingen.
Analyse van het grondwatersysteem
Uit een analyse van het grondwatersysteem van de regio waarin de Woning zich bevindt volgt dat het niet waarschijnlijk is dat er een verandering in het watersysteem heeft opgetreden. Tevens is geen relatie gevonden tussen metingen in een peilbuis nabij de locatie en de regionale aardbevingen.
Uit grondwatermonitoring blijkt dat ook in de zomer het grondwater zich op een hoger niveau bevindt dan de keldervloer en de kelderconstructie dus het hele jaar door een waterkerende functie heeft. De laagst gemeten grondwaterstand is circa NAP -1,50 m.Geotechnische mechanismen
Uit het funderingsonderzoek blijkt dat het aanlegniveau van de fundering van de Woning gelijk is aan NAP -2,0 m. Uit grondonderzoek is gebleken dat de Woning is gefundeerd op een vast gepakte zandlaag die zich tot een diepte van circa NAP -3,0 m bevindt. De zandlagen boven het aanlegniveau van de fundering zijn los gepakt met enkele veenlaagjes.
Diepe bodemdaling veroorzaakt door inklinking van het gasreservoir kan, op basis van Onderzoek 'Schade aan gebouwen door diepe bodemdaling en -stijging' van TNO en de TU Delft uit 2021, geen schade aan gebouwen en dus evenmin aan de Woning hebben veroorzaakt.
Conclusie en verklaring van schadeoorzaken
Op basis van de verzamelde gegevens over de Woning, de omgeving en de geconstateerde schade, is een relatie gelegd tussen de mogelijke schadeoorzaken en het schadebeeld. Hiertoe is een overzicht gemaakt van alle mogelijke schadeoorzaken. Door middel van falsificatie is een deel van de oorzaken uitgesloten. De mogelijke schadeoorzaken die niet kunnen worden uitgesloten zijn vervolgens geanalyseerd per schade om middels verificatie de oorzaak van de schade vast te stellen. Methodologisch zou de mogelijke oorzaak
trillingen ten gevolge van aardbevingen in dit onderzoek gefalsificeerd worden, er is echter voor gekozen om deze oorzaak ook in de tweede stap van de beoordeling (verificatie) te beschouwen als mogelijke oorzaak.
Uit de analyse van schadeoorzaken is gebleken dat het merendeel van de schades in de Kelder veroorzaakt wordt door verhinderde of opgelegde vervormingen. De Kelderwanden zijn opgebouwd als spouwmuur waarbij binnen- en buitenblad zijn opgetrokken uit kalkzandsteenblokken. De onderste 1,25 m van de spouw is opgevuld met gewapend beton. Kalkzandsteen is in staat vocht op te nemen en gecontroleerd weer af te staan, hetgeen gepaard gaat met zwel en krimp, en is om die eigenschappen dan ook niet geschikt om te
worden toegepast in (aan vocht blootgestelde) buitenwanden. Werking van de kalkzandsteenwand wordt verhinderd door de betonnen vloer, wat resulteert in spanningen in de wanden met scheurvorming tot gevolg.
De betonnen opvulling is op zichzelf onvoldoende om een waterdichte afsluiting te realiseren. Omdat het grondwaterpeil (ook in de meest droge periode van het jaar) boven de onderkant van de Kelder staat, kan water worden opgenomen door het kalkzandsteen buitenblad. Via de niet-waterdichte aansluiting tussen wand en vloer kan grondwater het kalkzandsteen binnenblad bereiken. Ook is de dikte van de betonnen opvulling volgens ontwerpnormen voor waterdichte betonconstructies onvoldoende. Door de geringe dikte
van de betonnen opvulling is onder andere de verdichting van het beton moeilijk waardoor waterdichtheid niet gegarandeerd kan worden. Als de Kelder aan binnenzijde niet verwarmd en gedroogd wordt, verdampt geen water aan binnenzijde van de wand en treedt water de Kelder binnen. Tevens ontbreken in de gevels loodslabben en open stootvoegen om accumulerend vocht uit de spouwmuur naar buiten af te voeren. Dit vocht kan blijven staan op de betonopvulling en via het kalkzandsteen binnenblad de Kelder intreden.
Samenvattend kan geconcludeerd worden dat de Kelder niet is uitgevoerd als waterdichte constructie waardoor vochtproblemen door grondwater en neerslag in de loop der jaren te verwachten zijn.
De verticale schades in de kalkzandsteen binnenwanden ter plekke van de oplegging van de stalen balken worden veroorzaakt door werking van het staal onder invloed van temperatuurswisselingen. Omdat aan beide zijden van de balk geen glijvilt aanwezig is, moet de kalkzandsteenwand deze vervorming volgen, met als gevolg dat de wand scheurt.
De betonlatei boven de deur aan achterzijde van de Kelder, reageert anders op temperatuurs- en vochtwisselingen dan de kalkzandsteen wand. Dit verschil in werking resulteert in spanningen in het metselwerk, met lichte scheurvorming tot gevolg.
Schade veroorzaakt door mijnbouwwerkzaamheden
Gebouwgebonden oorzaken vormen de oorzaken van de aangetroffen schade. Anders gezegd, in termen van technische toerekenbaarheid overeenkomstig de TU Delft studie (…): 'gebouwgebonden oorzaken hebben een groot tot zeer groot aandeel gehad in het ontstaan van de schade'.Alle bevingen liggen ruim onder de strengste grenswaarde uit de SBR Trillingsrichtlijn A (= 2,94 mm/s voor metselwerk in 'gevoelige' staat) en hebben geen noemenswaardige invloed op het ontstaan of verergeren van schade gehad (TU Delft, 2018); 'technische toerekenbaarheid '(vrijwel) geen' (ordegrootte 0-1 %)'. Deze waarden sluiten goed aan bij de feitelijke observatie dat geen sprake is van noemenswaardige verergering ten opzichte van de eerdere schade-opnames.
Aangezien gebouwgebonden oorzaken de oorzaken van de aangetroffen schade vormen en de invloed van aardbevingstrillingen als '(vrijwel) geen' is gekwalificeerd, kan ons inziens redelijkerwijs worden aangenomen dat de schade ook zonder bevingen zou zijn ontstaan.”

4.De beoordeling van het geschilTegen welke vonnissen is het hoger beroep gericht?4.1In deze zaak is het eindvonnis gewezen door de rechtbank Overijssel. Aan dit eindvonnis zijn tussenvonnissen van 17 maart 2021, 5 oktober 2022 en 31 mei 2023 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen voorafgegaan.In de appeldagvaarding heeft [appellant] (alleen) aangegeven in beroep te komen tegen het eindvonnis van de rechtbank Overijssel. In de memorie van grieven heeft hij, onder meer, gevorderd dat “het vonnis waarvan beroep” wordt vernietigd. Uit de memorie van grieven blijkt echter dat hij ook bezwaren heeft tegen het tussenvonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 17 maart 2021.. De beide eerste grieven zijn gericht tegen beslissingen uit die vonnissen. Omdat volgens vaste rechtspraak Hoge Raad de appeldagvaarding slechts een ‘noodverband’ is waarop in de memorie van grieven kan worden voortgebouwd en de reikwijdte van het hoger beroep door de inhoud van de memorie van grieven wordt bepaald, zal het hof ervan uitgaan dat het hoger beroep ook is gericht tegen het tussenvonnis van 17 maart 2021. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] dat ook kunnen begrijpen, omdat dit tussenvonnis duidelijk wordt aangeduid in grief I en de toelichting erop. Dat het tussenvonnis in de conclusie van de memorie niet worden genoemd, verdient niet de schoonheidsprijs, maar legt onvoldoende gewicht in de schaal.De wijziging van eis4.2 [appellant] heeft in de memorie van grieven zijn eis gewijzigd. Hij vordert nu dat voor recht wordt verklaard dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hem geleden schade aan de woning en de kelder als gevolg van aardbevingen die zijn veroorzaakt door gaswinning.Verder vordert hij (naast een proceskostenveroordeling van [geïntimeerde] ) dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot vergoeding van schade, althans vergoeding van een voorschot van€ 235.634,94 met daarbij verwijzing naar een schadestaatprocedure, althans tot vergoeding van schade op te maken bij staat.4.3 De eiswijziging is tijdig ingesteld. [geïntimeerde] heeft zich er niet tegen verzet en het hof ziet geen reden de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten. Het hof zal dan ook recht doen op de gewijzigde eis. Die eis komt erop neer dat het hof de omvang van de schade, op basis van de actuele herstelkosten, vaststelt en [geïntimeerde] tot betaling van dat bedrag veroordeelt. Als het hof de schade niet zelf vaststelt, dient het gevorderde bedrag van€ 235.634,94 te worden toegewezen als voorschot en dient de zaak ter bepaling van het meerdere te worden verwezen naar de schadestaatprocedure.4.4 Bij de rechtbank had het bedrag van € 235.634,94 alleen betrekking op de tweede schademelding. Ten aanzien van de derde schademelding was een aparte vordering van€ 6.427,52 ingesteld. Die vordering is in de gewijzigde eis niet meer apart vermeld. De memorie van grieven bevat geen enkel aanknopingspunt voor de gedachte dat [appellant] deze vordering heeft willen laten vallen. Tijdens de mondelinge behandeling is ook gebleken dat dit niet het geval is. Er kan dan ook van worden uitgegaan dat de primaire vordering inhoudende dat het hof de schade vaststelt, ook betrekking heeft op de schades in de derde schademelding.Om welke schades gaat het?4.5 De tweede en derde schademelding zijn nog niet afgewikkeld. Uit de processtukken van [appellant] volgt dat deze schademeldingen de inzet vormen van de door hem ingestelde procedure.De tweede schademelding betrof acht schades (zie 3.4). De schades 1 tot en met 7 hadden betrekking op het zwembad, de tuinmuur en delen van de woning (voor- en zijgevel, woonkamer en kamer aan de achterzijde op de begane grond). Alleen schade 8 betrof de kelder. In de procedure bij de arbiter is het voor wat betreft de tweede schademelding alleen over de omvang van de herstelkosten gegaan. De arbiter heeft daarover een knoop doorgehakt door de kosten van twee mogelijke herstelmethodes te middelen (zie 3.12). Uit de uitspraak van de arbiter blijkt dat die herstelmethodes alleen betrekking hadden op de schade aan de kelder, dus op schade 8. Over de kosten van de andere zeven schades heeft de arbiter niets beslist.4.6 Het hof stelt vast dat de vordering van [appellant] wat betreft de tweede schademelding ook alleen betrekking heeft op de schade aan de kelder (met gevolgschade, deels in de woning). [appellant] heeft zijn vordering bij de rechtbank gebaseerd op offertes betreffende het waterdicht maken van de kelder, het opnieuw in gebruik kunnen nemen van de kelder en het herstel van de bedoelde gevolgschade. In de procedure bij het hof is het ook alleen maar over de kelder en de gevolgschade gegaan, niet over de zeven andere posten. Het subsidiair gevorderde voorschot is wat betreft de tweede schademelding ook alleen gebaseerd op de oorspronkelijke begroting van de herstelkosten van de kelder en de gevolgschade. Dat betekent dat het hof niet kan toekomen aan de vraag of [appellant] ook aanspraak heeft op vergoeding van de kosten van herstel van de zeven andere schades.4.7 Dat is anders voor de schades in de derde schademelding (inclusief de nagekomen posten). Volgens [appellant] is met herstel van die schades € 6.427,52 gemoeid. Dat bedrag heeft hij bij de rechtbank uitdrukkelijk gevorderd. Zoals hiervoor is overwogen is in de procedure bij het hof geen concreet bedrag gevorderd betreffende deze schades, maar vordert [appellant] wel dat de [geïntimeerde] wordt veroordeeld deze (door het hof te begroten) schades te vergoeden.4.8 De resterende schade in de tweede schademelding, schade 8, betreft de kelder. De schades in de derde schademelding hebben geen betrekking op de kelder, maar op de woning. Dat betekent dat, anders dan [geïntimeerde] lijkt te veronderstellen, het in deze procedure niet alleen om schade aan de kelder gaat, maar ook om schade aan de woning.Erkenning causaal verband?4.9 Volgens [appellant] had de rechtbank uit de brief van [geïntimeerde] van 21 december 2018 (zie 3.17), waarin [geïntimeerde] aangaf zich te conformeren aan het oordeel van de arbiter, en uit de brief van 9 mei 2018 (zie 3.16), waarin [geïntimeerde] schrijft dat zij erkent dat niet kan worden uitgesloten dat aardbevingen (een deel van) de gemelde schade hebben veroorzaakt, moeten afleiden dat tussen partijen de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] al vaststond. Om die reden kon de rechtbank niet tot het oordeel komen dat [geïntimeerde] niet aansprakelijk is. In de genoemde brieven heeft [geïntimeerde] haar aansprakelijkheid voor de schade aan de kelder erkend en op die erkenning kan zij niet terugkomen, begrijpt het hof het standpunt van [appellant] . [appellant] wijst er in dat kader nog op dat, gelet op de afhandeling van de eerste schadeclaim, tussen partijen vaststaat dat de schade aan de binnenmuren van de kelder het gevolg is van (dan wel verergerd is door) trillingen van bevingen.4.10 De rechtbank Noord-Nederland is in het tussenvonnis van 17 maart 2021 uitvoerig ingegaan op de betekenis van de afhandeling van de schademeldingen en van de uitspraak van de arbiter voor de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] . In 4.2 van dat vonnis overwoog de rechtbank daarover dat gelet op de schadeafhandeling, waarin diverse schades als B-schades zijn erkend, en de uitspraak van de arbiter, geen al te hoge eisen konden worden gesteld aan de stelplicht van [appellant] betreffende het verband tussen scheurvorming en aardbevingen. Maar volgens de rechtbank is zij niet gebonden aan het oordeel van de arbiter over de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] . Tegen deze beslissing heeft [appellant] geen grief gericht. Het hof moet dan ook van de juistheid van deze beslissing uitgaan.4.11 De rechtbank heeft de brief van 9 mei 2018, waarop [appellant] zich nu beroept, niet in haar oordeel betrokken. In deze brief toont [geïntimeerde] zich bereid € 22.000,- schadevergoeding (ongeveer het door de arbiter toegewezen bedrag) aan schadevergoeding te betalen voor de in de tweede en derde schademelding betrokken schades. In de motivering van dat aanbod schrijft [geïntimeerde] dat zij erkent dat niet kan worden uitgesloten dat aardbevingen (een deel van) de door [appellant] gemelde schade hebben veroorzaakt. Die erkenning betreft inderdaad, zoals [appellant] stelt, het causaal verband tussen de schade en de aardbevingen. Maar [geïntimeerde] erkent, anders dan [appellant] lijkt te veronderstellen, niet dat dit causaal verband vaststaat. Allereerst heeft de erkenning niet zonder meer betrekking op alle schades, maar op de schade of een deel ervan. Bovendien is de erkenning nogal ‘zuinig’ geformuleerd: “niet kan worden uitgesloten dat (…)”. [geïntimeerde] erkent daarmee niet dat het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW niet kan worden weerlegd; daarvoor is immers vereist dat voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of exploitatie van het mijnbouwwerk.De enkele erkenning dat niet kan worden uitgeslotendat aardbevingen door gaswinning de schade (of een deel ervan) heeft veroorzaakt, staat er niet aan in de weg dat voldoende aannemelijk kan worden gemaakt dat de schade toch niet door die aardbevingen is veroorzaakt, bijvoorbeeld doordat bij verder onderzoek blijkt dat voldoende aannemelijk is dat de schade toch een andere oorzaak heeft.4.12 Het hof volgt [appellant] dan ook niet in het betoog dat [geïntimeerde] met de brief van 9 mei 2018 haar aansprakelijkheid voor de schade heeft erkend en daaraan gehouden kan worden.Ook de brief van [geïntimeerde] van 21 december 2018 houdt niet een dergelijke erkenning in, ook niet als die brief gelezen wordt in samenhang met de brief van 9 mei 2018. [geïntimeerde] vermeldt in de brief dat hij ‘zoals te doen gebruikelijk’ zich zal conformeren aan de uitspraak van de Arbiter. Dat [appellant] die vermelding heeft begrepen en redelijkerwijs ook heeft mogen begrijpen aldus dat [geïntimeerde] aansprakelijkheid erkende, ook indien [appellant] ervoor zou kiezen om gebruik te maken van de in diezelfde brief genoemde mogelijkheid om het geschil alsnog voor te leggen aan de rechter, is niet voldoende duidelijk en gemotiveerd gesteld en valt zonder nadere toelichting en onderbouwing in elk geval ook niet in te zien.Kan [appellant] zich op het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW beroepen?4.13 [appellant] heeft zich op het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW beroepen. Volgens [geïntimeerde] was niet voldaan aan de vereisten voor een geslaagd beroep op dat vermoeden. Dat verweer van [geïntimeerde] heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 17 maart 2021 verworpen. Het hof is dat met de rechtbank eens. Het gaat, zowel wat betreft de woning als de kelder, om schades die naar hun aard (scheurvorming, lekkage van een kelder) redelijkerwijs kunnen zijn veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van gaswinning.Heeft [geïntimeerde] ten onrechte de gelegenheid gekregen W+B (langdurig) onderzoek te laten doen?4.14 Volgens [appellant] heeft de rechtbank [geïntimeerde] ten onrechte de gelegenheid gegeven in het kader van het in artikel 6:177a lid 2 BW bedoelde onderzoeksrecht onderzoek te laten doen door W+B . [geïntimeerde] heeft in de voorfase voldoende gelegenheid gehad om onderzoek te doen. Bovendien heeft de rechtbank ten onrechte geen paal en perk gesteld aan de duur van het onderzoek door W+B , dat veel langer heeft geduurd dan partijen waren overeengekomen. Ten slotte heeft de rechtbank het zeer omvangrijke rapport (met alle bijlagen meer dan 1.000 bladzijden) ten onrechte toegelaten tot het geding.4.15 Wat er ook zij van de manier waarop het onderzoek van W+B tot stand is gekomen, het onderzoek is verricht en heeft geleid tot een (inderdaad zeer omvangrijk) rapport. [appellant] heeft er ook mee ingestemd dat [geïntimeerde] de gelegenheid zou krijgen om onderzoek te laten doen. Partijen hebben daarover een procesafspraak gemaakt. Vervolgens heeft de rechtbank [geïntimeerde] (inderdaad langdurig) uitstel verleend voor het in het geding brengen van het rapport. Hoewel het hof zich kan voorstellen dat [appellant] daar ongelukkig mee was, kon de rechtbank dat uitstel verlenen toen bleek dat het onderzoek meer tijd vergde dan aanvankelijk was gedacht. In het tussenvonnis van 5 oktober 2022 heeft de rechtbank die beslissing gemotiveerd. Het hof stelt vast dat [appellant] geen grieven heeft gericht tegen dat tussenvonnis, zodat deze beslissing hier niet ter discussie staat. Alleen om die reden al heeft de rechtbank het rapport vervolgens terecht toegelaten. Dat het een omvangrijk rapport betreft doet daaraan niet af. Gesteld noch gebleken is dat de rechtbank op voorhand beperkingen heeft gesteld aan de omvang van het rapport.4.16 Maar ook als de bezwaren van [appellant] tegen het in het geding brengen van het rapport terecht zijn, rijst de vraag wat daarvan de consequenties moeten zijn. Het rapport ligt er nu eenmaal. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de advocaat van [appellant] op die vraag terecht niet geantwoord dat het rapport buiten beschouwing moet blijven. Een deugdelijke grondslag daarvoor ontbreekt ook.4.17 Het hof gaat dan ook voorbij aan de bezwaren van [appellant] tegen het in het geding brengen van het rapport van W+B .Dat doet er overigens niet aan af dat het hof het met [appellant] eens is dat de rechtbank hem ruimschoots de gelegenheid had moeten bieden om op het rapport te reageren. De rechtbank heeft [appellant] die gelegenheid onvoldoende geboden. In de procedure bij het hof heeft [appellant] die gelegenheid wel gehad. Hij heeft in zijn memorie van grieven uitvoerig gereageerd op de inhoud van het rapport van W+D en heeft een rapport van een eigen deskundige overgelegd, waarin kritiek wordt geleverd op het rapport van W+B .Uitgangspunten betreffende het verband tussen de schade en de gaswinning

4.18
Artikel 6:177a BW bepaalt dat bij fysieke schade aan gebouwen en werken die naar haar aard redelijkerwijs schade zou kunnen zijn door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld, wordt vermoed dat die schade veroorzaakt is door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.
4.19
Indien het wettelijk bewijsvermoeden geldt, dient [geïntimeerde] het te weerleggen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een exploitant als [geïntimeerde] dat bewijsvermoeden alleen dan met succes weerlegt, als hij erin slaagt te bewijzen dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk. Voor dat bewijs is niet vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan. Voor bewijs kan volstaan dat de te bewijzen feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk worden, maar dat is meer dan dat de exploitant twijfel zaait over de oorzaak van de schade. [5]
4.2
Bij de beoordeling of [geïntimeerde] het bewijsvermoeden heeft weerlegd, is van belang dat aan het bouwwerk in beginsel niet de eis mag worden gesteld dat het zonder schade de bodembeweging doorstaat. Alleen als het gaat om schade aan een gebouw met een bijzondere kwetsbaarheid en aannemelijk is dat de schade ook zonder de bodembeweging op enig moment in de toekomst zou zijn opgetreden, geldt dat de schade niet in conditio sine qua non-verband staat met de bodembeweging als gevolg van de bodembeweging. Voor het weerleggen van het bewijsvermoeden is dan ook onvoldoende dat aannemelijk wordt gemaakt dat het bouwwerk een bijzondere kwetsbaarheid heeft. [6]
Is het bewijsvermoeden betreffende de schade aan de woning weerlegd?
4.21
Zoals hiervoor is overwogen, gaat het in deze procedure niet alleen om de schade aan de kelder, maar ook om de schade aan de woning (de derde schademelding, inclusief nagekomen schades). In het rapport van W+B wordt aan de oorzaak van deze schades geen aandacht besteed. Het rapport concentreert zich op de oorzaak van de schades aan de kelder en gaat niet in op de oorzaak van de schades aan de woning, hoewel de schades aan de woning wel zijn geïnventariseerd (zie het citaat in 3.18). Dat dit laatste is gebeurd, betekent – anders dan [appellant] betoogt – niet dat [geïntimeerde] met het rapport van W+B buiten de reikwijdte van de geboden onderzoeksmogelijkheid is getreden. Het stond [geïntimeerde] in het kader van het verkrijgen van een zo volledig mogelijk beeld van de situatie ter plaatse, op zichzelf vrij om ook de schades aan de woning te inventariseren. [7]
4.22
In het rapport van Expertise Bureau Noord van 20 juni 2017 (zie 3.10) zijn de schades aan de woning aangemerkt als C-schades. Het rapport van Expertise Bureau Noord is bekritiseerd in een uitgebreid rapport van Vergnes van 10 oktober 2017 (zie 3.10). Vergnes concludeerde dat de schades kwalificeren als A- of B-schades. De Arbiter Bodembeweging heeft de conclusies van Vergnes gevolgd. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] met (alleen) het rapport van Expertise Bureau Noord , gelet op de fundamentele kritiek van Vergnes op dat rapport, het bewijsvermoeden betreffende de schades aan de woning niet weerlegd. Daar is meer voor nodig.
4.23
In het rapport van W+B wordt de stelling betrokken dat gelet op de door W+B berekende trillingssnelheden de invloed van aardbevingstrillingen op het ontstaan van schade als ‘(vrijwel) geen’ gekwalificeerd moet worden. Die stelling kan ook betrekking hebben op de schades aan de woning. Hierna zal het hof overwegen dat aan de bevindingen van W+B over de trillingssnelheid geen zelfstandige betekenis toekomt voor het weerleggen van het bewijsvermoeden. Dat geldt voor de schade aan de kelder, maar ook voor de schade aan de woning. Omdat in het rapport van W+B geen alternatieve verklaring voor de schades aan de woning wordt gegeven, heeft [geïntimeerde] ook met dit rapport het bewijsvermoeden betreffende deze schades aan de woning niet weerlegd.
4.24
[geïntimeerde] dient de kosten van herstel van de schades betreffende de derde schademelding dan ook te vergoeden. [appellant] heeft deze schade aanvankelijk begroot op
€ 6.427,52 op basis van een offerte van BBS van 26 augustus 2019. Die offerte is gedateerd. Bovendien heeft [geïntimeerde] bezwaar gemaakt tegen onderdelen van de offerte. Om die reden kan het hof de schade nog niet begroten. Het verdient aanbeveling dat [appellant] een nieuwe offerte vraagt en in het geding brengt, zo mogelijk een waarin de kritiekpunten van [geïntimeerde] op de eerdere offerte wordt geadresseerd. Wanneer dat niet tot voldoende duidelijkheid over de omvang van de schade leidt, zal een deskundige die moeten vaststellen.
Is het bewijsvermoeden betreffende de schade aan de kelder weerlegd?4.25 [appellant] heeft op een aantal punten kritiek geleverd op het rapport van W+B . Hij beroept zich daarbij op een rapport van zijn partijdeskundige Vergnes . In een door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord overgelegde notitie heeft W+B op de kritiek op haar rapport gereageerd. Het hof zal deze kritiek hierna bespreken.
4.26
Volgens [appellant] heeft W+B een
ongeschikte methode van onderzoektoegepast door, zo begrijpt het hof de stellingen van [appellant] , niet op de juiste manier de relevante trillingssnelheden toe te passen en door daar bovendien een onjuiste conclusie aan te verbinden. W+B stelt in haar rapport vast dat de aardbeving bij Muntendam uit 2016 de maatgevende beving is, de beving met de hoogste trillingssnelheden op de locatie. De trillingssnelheid (piekgrondsnelheid – PGV) bij deze aardbeving bedraagt, rekening houdend met een overschrijdingskans van 25%, volgens W+B 2,31 mm/s, ruim onder de geldende grenswaarde van 2,94 mm/s. Om die reden hebben de aardbevingen “
‘vrijwel (geen)’ aandeel (kans ordergrootte 0-1%)” gehad in het ontstaan of verergeren van de schade.
Vergnes heeft kritiek op de wijze waarop W+B de trillingssnelheid heeft bepaald. Vergnes wijst erop dat volgens de trillingstool van het IMG sprake is van een PGV van 5,98 mm/s (met een overschrijdingskans van 1%). Dat is aanzienlijk boven de grenswaarde. De maatgevende beving is ook niet die van Muntendam uit 2016, maar die van Hellum van
30 september 2015. Bovendien verwart W+B volgens Vergnes voorspellende en verklarende kansen, door op basis van de berekende trillingssnelheid aardbevingen als oorzaak van de schade uit te sluiten.
In haar reactie op het rapport van Vergnes stelt W+B dat de aardbeving bij Hellum inderdaad de maatgevende aardbeving is, maar dat de PGV van die aardbeving (bij een overschrijdingskans van 25%) 1,56 is.
4.27
Het bezwaar van Vergnes (en [appellant] ) dat uit het rapport van W+B niet blijkt dat W+B voldoende oog heeft gehad voor het onderscheid tussen een verklarende kans en een voorspellende kans, acht het hof terecht. In een eerder arrest [8] heeft het hof naar aanleiding van eenzelfde bezwaar het volgende overwogen:

Alleen al om deze reden kent het hof ook geen betekenis toe aan de berekening door [de deskundige] van de kans op schade aan de boerderij door aardbevingen. Die kans is immers gebaseerd op een maximale trillingssnelheid van (…). Los daarvan acht het hof de betekenis van deze kans niet maatgevend voor het antwoord op de vraag of de schade aan de boerderij is veroorzaakt door aardbevingen. De door [geïntimeerde] berekende kans is de kans dat een aardbeving met een bepaalde kracht en op een bepaalde afstand van een gebouw van een bepaald type schade veroorzaakt aan dat huis. Dat is een voorspellende kans. Maar die kans is een heel andere dan de kans dat eenmaal vastgestelde schade door een aardbeving is veroorzaakt (de verklarende kans).(…) Ook als de eerste kans heel klein is, kan de tweede kans nog steeds erg groot bevonden worden. Of dat het geval is, is afhankelijk van de informatie over alle mogelijke oorzaken van de schade. Voor de weerlegging van het bewijsvermoeden dat de schade aan de boerderij is veroorzaakt door de aardbevingen, is een voorspellende kans naar het oordeel van het hof dan ook niet relevant, indien eenmaal is vastgesteld - zoals hier - dát de schade door de aardbeving kan zijn veroorzaakt (hoe klein de voorspellende kans daarop ook is). Voor zover [geïntimeerde] met een beroep op de in het rapport van [de deskundige] vermelde kans op schade wil betogen dat het onwaarschijnlijk is dat de schade is veroorzaakt door aardbevingen, stuit dat betoog af op de algemene ervaringsregel dat een voorspellende kans geen verklarende kans is.
Om deze reden zal het hof vooralsnog in het midden laten wat de maximale trillingssnelheid is. Ook als de door W+B berekende trillingssnelheid de juiste is, betekent dat nog niet dat daarmee het bewijsvermoeden is weerlegd. Daarvoor is noodzakelijk dat [geïntimeerde] met het rapport van W+B voldoende aannemelijk maakt dat sprake is van een andere oorzaak van de schade aan de kelder.
4.28
Volgens Vergnes gaat W+D uit van een
onjuiste onderzoeksvraag. De vraag “
Wat is de technische oorzaak van de bouwkundige schade aan de kelder?” is te breed. Volgens Vergnes had W+D moeten onderzoeken of sprake is van “
een evident uitsluitende aantoonbaar oorzaak anders dan mijn bouwactiviteiten”.
Zoals hiervoor is overwogen, dient [geïntimeerde] in het kader van het leveren van tegenbewijs te bewijzen (in de zin van: voldoende aannemelijk te maken) dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk. In de praktijk betekent dit dat [geïntimeerde] zal moeten bewijzen dat sprake is van een alternatieve oorzaak voor de schades aan de kelder en dat het vanwege die oorzaak aannemelijk is dat de schade ook zonder de bodembeweging op enig moment in de toekomst zou zijn opgetreden. Uit het rapport van W+D volgt dat W+D ook heeft gezocht naar zo’n alternatieve oorzaak en meent die oorzaak (oorzaken) ook gevonden te hebben. De kritiek van Vergnes op de onderzoeksvraag mist om die reden relevantie. Beslissend is of de bevindingen van W+B over de alternatieve oorzaak deugdelijk en afdoende zijn.
4.29
Volgens W+B is sprake van een
alternatieve oorzaak. De oorzaak is - samengevat - dat de kelder niet is uitgevoerd als waterdichte constructie waardoor in de loop der jaren vochtproblemen kunnen ontstaan door grondwater en neerslag. Daarnaast is sprake van scheurvorming in de kalkzandstenen binnenwanden door de oplegging van stalen balken en de betonlatei boven de deur aan de achterzijde van de kelder.
4.3
[appellant] heeft deze bevindingen van W+B weersproken met een beroep op het rapport van Vergnes . De kritiek van Vergnes is vervolgens weer aanleiding geweest voor de reactie van W+B die bij memorie van antwoord is overgelegd. Al met al is een discussie met een hoog technisch gehalte ontstaan tussen de partijdeskundigen. Het hof is wel geroepen maar vooralsnog niet voldoende in staat om in deze technische discussie het laatste woord te spreken. Daarvoor is een meer dan gemiddelde bouwkundige expertise nodig. Het hof wil daarom een deskundige benoemen om zich te laten voorlichten over de schades en over de technische geschilpunten tussen partijen over het rapport van W+B . Het hof wil de deskundige in elk geval de volgende vragen voorleggen:
a. Wilt u beoordelen of de kelder is uitgevoerd volgens de daaraan te stellen eisen uitgaande van een voorgenomen gebruik van een “woonkelder?
Wilt u bij uw antwoord op de vraag de ten tijde van de aanleg van de kelder geldende bouwkundige voorschriften betrekken en ook de bevindingen van W+B , en de kritiek daarop van Vergnes , bespreken?
b. Indien het antwoord op vraag a. ontkennend luidt: op welk onderdeel (welke onderdelen) schiet de uitvoering van de kelder te kort en wat zijn daarvan de gevolgen, onder meer wat betreft de waterdichtheid van e kelder?
c. Indien uw antwoord op vraag a. ontkennend luidt: zou de lekkage en de waterschade die zich nu voordoet, zich (naar uw verwachting ) ook (in deze mate) hebben voorgedaan wanneer geen sprake was geweest van bodembeweging wegens de aardgaswinning?
d. Hoe beoordeelt u de bevindingen van W+B over de oplegging van de stalen balken en de betonlatei en de gevolgen daarvan?
e. Indien u de bij vraag d. bedoelde bevindingen van W+B geheel of gedeeltelijk deelt: zou de scheurvorming zich ook (in deze mate) hebben voorgedaan wanneer geen sprake was geweest van bodembeweging wegens de aardgaswinning?
f. Geeft uw onderzoek u aanleiding tot het maken van opmerkingen die voor de beoordeling van het geschil tussen partijen mogelijk van belang zijn?
4.31
Partijen krijgen de gelegenheid om zich uit te laten over de vraagstelling aan de deskundige en om voorstellen te doen over de persoon van de deskundige. Ten aanzien van het voorschot op de kosten van de deskundige geldt dat het hof het voorschot ten laste van [geïntimeerde] zal brengen, omdat de benoeming van de deskundige noodzakelijk is om te kunnen beoordelen of [geïntimeerde] is geslaagd in het leveren van tegenbewijs. Los daarvan geldt dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor eventuele schade van [appellant] ten gevolge van de gaswinning en dat het onderzoek noodzakelijk is om de omvang van die eventuele schade vast te stellen.
Hoe verder?4.32 Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte uitlating deskundigenbericht. Partijen kunnen zich vervolgens over het onderzoek uitlaten. Het ligt voor de hand dat [appellant] in die fase van de procedure de actuele informatie over de schade aan de woning (zie 4.24) in het geding brengt.

5.De beslissing

Het hof:
5.1
Verwijst de zaak naar de rol van 6 januari 2026 voor akte uitlating deskundigenbericht door beide partijen.
5.2
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, A.A.J. Smelt en H. Mollema-de Jong en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
9 december 2025.

Voetnoten

1.HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, rov. 2.9.7.
2.Grief I faalt in zoverre.
3.De grieven I en II falen.
4.Grief V faalt om die reden bij gebrek aan belang.
5.HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, rov. 2.9.7.
6.HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, rov. 2.10.11.
7.Grief IV faalt.
8.Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3857, rov. 4.36.