Conclusie
1.Inleiding
2.Juridisch kader
Beschermingsbewind: inleidende opmerkingen
of in geval er geen mentor is, een verhuizing € 478 [20] ;
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak heeft de kantonrechter prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over de aanspraak van een beschermingsbewindvoerder op een forfaitaire verhuiskostenvergoeding bij verhuizing van de rechthebbende zonder mentor. De kernvraag is of de bewindvoerder altijd recht heeft op deze vergoeding en welke bewijsvoering vereist is.
De Hoge Raad benadrukt dat de rechthebbende als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro moet worden aangemerkt bij een verzoek tot aanvullende beloning, omdat de kosten van de beloning door de rechthebbende worden gedragen en diens rechten en verplichtingen rechtstreeks worden geraakt. In de onderhavige procedure is de rechthebbende echter niet als belanghebbende betrokken, wat een procedurele tekortkoming vormt.
De conclusie is dat de zaak moet worden terugverwezen naar de rechtbank Limburg om de rechthebbende als belanghebbende te betrekken en hem in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het voornemen en de inhoud van de prejudiciële vragen. Tevens wordt gewezen op de gang van zaken bij verzoeken tot aanvullende beloning en het ontbreken van procesreglementaire regels voor deze procedure.
Uitkomst: De Hoge Raad adviseert terugwijzing van de zaak om de rechthebbende als belanghebbende te betrekken bij het verzoek tot aanvullende beloning.