Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Ontvankelijkheid cassatieberoep
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Cassatieklachten
onder Adat de rechtbank de gefailleerde en Youtoo ten onrechte (1) niet in persoon heeft gehoord; althans (2) hen niet behoorlijk heeft opgeroepen; althans (3) hen niet in de gelegenheid heeft gesteld hun standpunt met betrekking tot het door de curator vastgestelde salaris kenbaar te maken.
Onder Bbevat de procesinleiding onder genoemd kopje de klacht dat de rechtbank een onvoldoende gemotiveerde beschikking heeft gegeven, door niet blijk te geven van enige wettige reden waardoor het onmogelijk was de gefailleerde en Youtoo voorafgaande aan het nemen van de beschikking, over de vaststelling van het voorschot op het salaris van de curator in persoon te horen, althans daartoe behoorlijk op te roepen, althans hen in de gelegenheid te stellen hun standpunten schriftelijk kenbaar te maken behoorlijk schriftelijk kenbaar te maken.
vaststellingvan burgerlijke rechten en verplichtingen (‘the
determinationof his civil rights and obligations’). [17] Als van een dergelijke vaststelling geen sprake is, zoals het oordeel dat sprake is van een administratieve beslissing waarbij geen sprake is van partijen, lijkt in te houden of mee te brengen, dan is art. 6 lid 1 EVRM Pro niet van toepassing. Alkema verzucht in zijn noot in de NJ onder de uitspraak dan ook dat ‘de Hoge Raad stelliger had kunnen zijn’ (omdat de vaststelling van het salaris is niet aan te merken als een ‘dispute’ of ‘contestation’ in de zin van art. 6 EVRM Pro). [18]
administratievebeslissing waarbij
geen sprake is van partijen, dat geen sprake is van een vaststelling die de gefailleerde of de schuldeisers als zodanig bindt en dat art. 6 EVRM Pro daarom niet in het geding is. De vaststelling van het salaris in het faillissement betekent weliswaar dat de curator het salaris in de slotuitdelingslijst kan opnemen zonder dat daartegen nog bezwaar mogelijk is. In het geval van de art. 15 lid 3 en Pro 16 lid 3 Fw levert de vaststelling bovendien volgens die bepalingen, kort gezegd, een executoriale titel op, waardoor de curator onmiddellijk dat salaris kan verhalen, als hij een verhaalsobject weet. Maar een en ander betekent niet dat de gefailleerde of de schuldeisers ook aan die vaststelling gebonden zijn, in de zin dat zij daartegen na het faillissement niet meer zouden kunnen opkomen. Omdat zij geen partij zijn bij de vaststelling, zoals de Hoge Raad uitdrukkelijk zegt in de uitspraak van 19 januari 1990, zijn zij daaraan juist niet gebonden, zou ik menen. Daarbij wijs ik erop dat een grondbeginsel van het burgerlijk procesrecht is dat in beginsel alléén partijen door een rechterlijke uitspraak worden gebonden (vgl. de regeling van het gezag van gewijsde in art. 236 Rv Pro). [42] Hetzelfde geldt volgens de rechtspraak voor de formele rechtskracht van besluiten en rechterlijke uitspraken. [43] De wet kent die bindende werking niet toe aan de salarisvaststelling jegens de gefailleerde en de schuldeisers, waar men die toekenning wel zou verwachten, als deze zou zijn beoogd jegens belanghebbenden die daarbij volgens het stelsel van de wet uitdrukkelijk geen partij zijn. Die bindende werking zou bovendien ook niet stroken met het eenvoudige en op snelheid gerichte karakter van de salarisvaststelling waarnaar in de uitspraak van 19 januari 1990 (terecht) wordt verwezen. Het gaat niet om een met waarborgen omklede procedure.