AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Geen hoorplicht voor gefailleerde en schuldeisers bij salarisvaststelling curator faillissement
In deze zaak staat centraal of de gefailleerde en schuldeisers in een faillissement gehoord moeten worden over de salarisvaststelling van de curator. Verzoekers, bestaande uit de gefailleerde en een schuldeiser, stelden dat zij ten onrechte niet waren gehoord bij de beschikking van de rechtbank die een voorschot op het salaris van de curator vaststelde.
De Hoge Raad bevestigt de vaste rechtspraak dat de salarisvaststelling van de curator een administratieve beslissing is waarbij geen sprake is van partijen die gehoord moeten worden. De gefailleerde en schuldeisers hoeven niet te worden gehoord en kunnen ook niet in cassatie tegen de salarisvaststelling opkomen. Dit stelsel is gericht op een snelle en efficiënte afwikkeling van faillissementen.
De verzoekers beroepen zich op art. 27 lid 4 vanPro Richtlijn (EU) 2019/1023, die voorschrijft dat er geschikte procedures moeten zijn om geschillen over vergoeding van insolventiefunctionarissen te beslechten. De Hoge Raad oordeelt dat deze bepaling niet verplicht tot het instellen van een procedure waarin gefailleerde en schuldeisers gehoord moeten worden over de salarisvaststelling, zeker niet als die procedure in het nationale recht niet bestaat.
De implementatiewet van de richtlijn bevestigt dat alleen de curator gehoord moet worden bij afwijking van zijn salarisvoorstel en dat gefailleerde en schuldeisers via bestaande procedures (zoals art. 69 FwPro) kunnen aansturen op een efficiënte handelwijze van de curator, maar niet op de salarisvaststelling zelf.
De Hoge Raad laat ook de vraag open of art. 6 EVRMPro van toepassing is op de salarisvaststelling, maar concludeert dat de salarisvaststelling geen burgerlijke rechten en verplichtingen van de gefailleerde vaststelt en daarom art. 6 EVRMPro niet van toepassing is. De gefailleerde en schuldeisers zijn niet gebonden aan de salarisvaststelling en kunnen na faillissement nog via andere procedures hun standpunt kenbaar maken.
De conclusie is dat de klachten van verzoekers ongegrond zijn en het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat gefailleerde en schuldeisers niet gehoord hoeven te worden over de salarisvaststelling van de curator.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01965
Zitting6 februari 2026
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
1. [verzoeker 1] ,
2. Youtoo Holding B.V.,
verzoekers tot cassatie,
advocaten: J. van Weerden en E.J.H. Zandbergen
tegen
E.A.H. ten Berge, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [verzoeker 1] ,
verweerder in cassatie,
advocaten: T.E. Booms en B.I. Kraaipoel.
Partijen worden hierna aangeduid als gefailleerde, Youtoo (gezamenlijk: verzoekers) en de curator.
1.Inleiding
In deze zaak komen verzoekers op tegen een beschikking van de rechtbank waarin een voorschot op het salaris van de curator in het faillissement van gefailleerde is gegeven. Verzoekers klagen dat de rechtbank hen had moeten horen, althans hen daartoe had moeten oproepen. In de toelichting op hun middel doen zij daarvoor een beroep op art. 27 lid 4 RichtlijnPro (EU) 2019/1023.
2.Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: [1]
(i) Bij vonnis van 20 maart 2018 van de rechtbank Den Haag is gefailleerde in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. J.A. Dullaart tot curator (hierna: Dullaart).
(ii) Het vonnis is bekrachtigd door het hof Den Haag bij arrest van 8 mei 2018. [2]
(iii) De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen dit arrest verworpen bij arrest van 23 november 2018. [3]
(iv) Op 1 mei 2019 heeft een verificatievergadering in het faillissement plaatsgevonden.
(v) Na het instellen van het onderhavige cassatieberoep is op 27 mei 2025 een beschikking van de rechtbank gepubliceerd waarbij Dullaart is vervangen door zijn kantoorgenoot E.A.H. ten Berge als opvolgend curator. [4]
2.2
Dullaart heeft de rechtbank Den Haag verzocht om vaststelling van een voorschot op zijn salaris als curator en het bedrag van de faillissementskosten, op grond van een ingediende declaratie over de periode 1 januari 2023 tot en met 24 februari 2025. [5] De rechtbank heeft de rechter-commissaris over het verzoek gehoord.
2.3
De rechtbank heeft bij beschikking van 25 februari 2025 het voorschot op het salaris van de curator vastgesteld op € 155.122,67 en het voorschot op het bedrag van de faillissementskosten vastgesteld op € 6.204,91 (beide inclusief de verschuldigde omzetbelasting). [6]
2.4
Verzoekers hebben bij een op 26 mei 2025 bij de Hoge Raad ingediende procesinleiding cassatieberoep ingesteld van de beschikking. Youtoo stelt in de procesinleiding schuldeiser te zijn in het faillissement van gefailleerde. Zij procedeert tegen de curator over de vordering die zij in het faillissement meent te hebben. Zij heeft een vonnis overgelegd waarin die vordering door de rechtbank is afgewezen en een tussenarrest van het hof (van 20 mei 2025) waaruit blijkt dat een hoger beroep tegen dat vonnis loopt.
2.5
De curator heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3.Ontvankelijkheid cassatieberoep
3.1
De vraag is allereerst of verzoekers ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep. Volgens art. 85 FwPro is de beschikking van de rechtbank in hoogste ressort gewezen en dus niet voor hoger beroep vatbaar. De wet voorziet niet specifiek in cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank. Daarom is daarop, als cassatieberoep voor verzoekers mogelijk is, de algemene termijn voor cassatieberoep tegen beschikkingen van art. 426 lid 1 RvPro van toepassing, die drie maanden bedraagt. [7] Verzoekers hebben binnen drie maanden cassatieberoep ingesteld, nu 25 mei 2025 een zondag was en de termijn dus werd verlengd tot en met 26 mei 2025 op grond van de Algemene Termijnenwet, de dag waarop zij als gezegd cassatieberoep hebben ingesteld.
3.2
Art. 426 lid 1 RvPro stelt uitsluitend cassatieberoep open voor degenen die in een van de vorige instanties verschenen zijn. Aan die eis voldoen verzoekers niet. Op deze eis bestaat echter een uitzondering als in het beroep wordt geklaagd dat het niet verschijnen in vorige instanties een gevolg is van het feit dat de verzoekers tot cassatie ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld om in vorige instantie hun standpunt naar voren te brengen. De verzoekers tot cassatie zijn dan op zichzelf ontvankelijk in hun cassatieberoep, omdat, gelet op een behoorlijke rechtsbescherming, over deze omissie in cassatie geklaagd moet kunnen worden. Is de klacht ongegrond – omdat de verzoekers, anders dan zij aanvoeren, niet behoefden te worden gehoord – dan is het cassatieberoep, hoewel dus ontvankelijk, ongegrond. [8]
Nu verzoekers, zoals hiervoor onder 1 al opgemerkt, in cassatie klagen dat de rechtbank hen ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om hun standpunt naar voren te brengen over de salarisvaststelling, zijn zij op zichzelf ontvankelijk in hun cassatieberoep. Anders dan zij veronderstellen in hun procesinleiding in cassatie, is daarvoor geen doorbrekingsgrond nodig. De vraag is slechts of de rechtbank hen inderdaad had moeten horen, zoals zij aanvoeren.
3.3
De vraag kan echter eerst zijn of art. 399 RvPro niet aan hun ontvankelijkheid in het cassatieberoep in de weg staat. Deze bepaling zegt dat ‘cassatie niet openstaat voor hem die zijn bezwaren kan doen herstellen door dezelfde rechter bij wie de zaak heeft gediend’. Volgens de rechtspraak betekent deze bepaling dat geen cassatieberoep mogelijk is tegen voorlopige beslissingen en oordelen. [9] De beschikking van de rechtbank houdt niet meer in dan dat een voorschot wordt vastgesteld op het salaris en de kosten. De definitieve vaststelling van salaris en kosten moeten dus nog plaatsvinden. Dat de curator voorschotten vraagt en krijgt, berust niet op de wet, maar is er ook niet mee in de strijd. De wet gaat uit van een eenmalige definitieve salarisvaststelling. [10] Wordt het faillissement op de ‘gewone’ manier afgewikkeld – dat wil zeggen niet op een rechtsmiddel vernietigd en niet bij gebrek aan baten opgeheven –, zoals in dit geval, dan berust dat op art. 71 FwPro. Bij een vernietiging van het faillissement op een rechtsmiddel is art. 15 lid 3 FwPro de grond voor die vaststelling. Als het faillissement wordt opgeheven bij gebrek aan baten, dan is art. 16 lid 2 FwPro de basis voor die vaststelling. De Recofa-richtlijnen – die een vrij getrouwe afspiegeling vormen van de tegenwoordig gangbare praktijk – gaan uit van een jaarlijks voorschot (art. 6.2), wat allicht voor de hand ligt als een faillissement wat langer duurt. Deze praktijk is voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen en het salaris van de bewindvoerder inmiddels van een wettelijke basis voorzien in art. 320 lid 2 FwPro.
3.4
Verzoekers zouden dus nog bij de rechtbank tegen de salarisvaststelling kunnen opkomen als de rechtbank het definitieve totaalbedrag van het salaris vaststelt. De rechtbank kan daarbij immers nog terugkomen van haar eerdere voorschotbeschikkingen. [11] Naar ik meen, kunnen verzoekers echter bezwaarlijk om deze reden niet-ontvankelijk in het onderhavige cassatieberoep worden verklaard. Vaste rechtspraak, waar zij in hun procesinleiding ook op wijzen, is dat de gefailleerde en de schuldeisers in het faillissement niet behoeven te worden gehoord over de vaststelling van het salaris van de curator. [12] Als de rechtbank overgaat tot definitieve vaststelling van het salaris van de curator, zullen zij dus niet op de hoogte daarvan worden gesteld, laat staan in de gelegenheid worden gesteld om daarover hun standpunt kenbaar te maken. Een reële mogelijkheid om ‘hun bezwaren te doen herstellen door dezelfde rechter bij wie de zaak heeft gediend’, hebben zij dus niet. Art. 399 RvPro staat daarom naar ik meen niet aan hun ontvankelijkheid in het onderhavige cassatieberoep in de weg. Overigens zou ik menen dat de rechtbank ook niet zonder meer van voorschotbeschikkingen kan terugkomen, ook al gaat het slechts om een voorschot, maar daarvoor gegronde redenen moet hebben. De vergelijking met de bindende eindbeslissing, waarvan volgens de huidige rechtspraak betrekkelijk makkelijk kan worden teruggekomen, maar die niet geldt als een voorlopig oordeel in de zin van art. 399 RvPro, ligt voor de hand.
3.5
Verzoekers zijn m.i. dus ontvankelijk in hun cassatieberoep.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Cassatieklachten
4.1
De procesinleiding klaagt onder het kopje ‘2. Klacht’ onder Adat de rechtbank de gefailleerde en Youtoo ten onrechte (1) niet in persoon heeft gehoord; althans (2) hen niet behoorlijk heeft opgeroepen; althans (3) hen niet in de gelegenheid heeft gesteld hun standpunt met betrekking tot het door de curator vastgestelde salaris kenbaar te maken. Onder Bbevat de procesinleiding onder genoemd kopje de klacht dat de rechtbank een onvoldoende gemotiveerde beschikking heeft gegeven, door niet blijk te geven van enige wettige reden waardoor het onmogelijk was de gefailleerde en Youtoo voorafgaande aan het nemen van de beschikking, over de vaststelling van het voorschot op het salaris van de curator in persoon te horen, althans daartoe behoorlijk op te roepen, althans hen in de gelegenheid te stellen hun standpunten schriftelijk kenbaar te maken behoorlijk schriftelijk kenbaar te maken.
4.2
Deze klachten zijn onder het kopje ‘3. Toelichting’ van een redengeving voorzien, die als volgt kan worden samengevat:
- Sinds de inwerkingtreding van Richtlijn (EU) 2019/1023 (hierna ook: de Richtlijn) op 10 juli 2019 althans sinds het van kracht worden van het huidige art. 71 FwPro waardoor in Nederland de Richtlijn is omgezet, kan in zaken als de onderhavige kwestie sprake kan zijn van een geschil in de zin van art. 27 lid 4 RichtlijnPro. Omdat sprake kan zijn van een dergelijk geschil, moest de rechtbank onderzoeken of daadwerkelijk sprake is van zo een geschil. Daarom, om het effect utile van de Richtlijn te verzekeren in de zin dat een eventueel geschil over het salaris van de curator in een geschikte procedure wordt beslecht, had de rechtbank de belanghebbenden moeten oproepen, onder wie de gefailleerde en Youtoo. De rechtbank heeft dit ten onrechte nagelaten te doen (procesinleiding nr. 41-43).
- Op grond van de wetsgeschiedenis van het huidige art. 71 lid 3 FwPro moet worden vastgesteld dat de wetgever er bij de implementatie van de Richtlijn bewust voor gekozen heeft de failliet en de schuldeisers in het faillissement (toch) geen recht te geven om te worden gehoord door de rechtbank die ex art. 71 FwPro over de vaststelling van het salaris van de curator beslist en dat de failliet en de schuldeisers in het faillissement de door art. 69 FwPro gegeven weg dienen te volgen als zij ten overstaan van een rechter willen bevorderen dat de curator efficiënt handelt en onnodige kosten vermijdt. De wetgever heeft aldus een onjuiste opvatting gehanteerd over de in art. 27 lid 4 RichtlijnPro bedoelde geschikte procedure om geschillen over de aan de curator toekomende vergoeding te beslechten (nr. 46-47).
- Voor het geval de rechtbank bij haar beslissing om de gefailleerde en Youtoo niet op te roepen zich heeft laten inspireren door HR 19 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1009 NJ 1991/213, m.nt. E.A. Alkema, heeft de rechtbank miskend dat die opvatting van de Hoge Raad op grond van de Richtlijn en de omzetting daarvan is achterhaald. Daar waar de Hoge Raad destijds de toepasselijkheid van art. 6 EVRMPro in het midden heeft gelaten moet nu worden aangenomen dat de failliet en de schuldeisers in het faillissement recht hebben op die bescherming, omdat de EU-wetgever dan wel de wetgever hen een stem heeft gegeven in de bepaling van de hoogte van het salaris van de curator. Met zijn interpretatie van de Richtlijn heeft de wetgever onderkend dat vaststelling van het salaris van de curator niet langer een administratieve beslissing is (nr. 57).
- Aan de rechtsopvatting van de wetgever dat een procedure vooral "geschikt" is in de zin van de Richtlijn, als hiermee daadwerkelijk kan worden bevorderd dat de insolventiefunctionaris efficiënt handelt en onnodige kosten vermijdt, ontlenen verzoekers dat het volgens de wetgever, hoewel deze overweegt dat men zich van de procedure ex art. 69 FwPro moet bedienen, voor de failliet en de schuldeisers in het faillissement mogelijk is commentaar te leveren op een verzoek van een curator om toekenning door de rechtbank van een voorschot op zijn salaris. Een dergelijk voorschot ziet namelijk, hoewel de naam mogelijk anders doet vermoeden, op reeds door de curator bestede tijd (nr. 58-61).
- De rechtbank was als overheidsinstantie ambtshalve verplicht om art. 71 FwPro conform de Richtlijn uit te leggen, omdat het artikel is gewijzigd teneinde de Richtlijn in de wetgeving om te zetten en het artikel het, althans grammaticaal, toelaat, althans niet uitsluit dat aan verzoekers het recht wordt verleend voorafgaande aan de salarisbeslissing te worden gehoord. [13] Daarbij komt aan de uit de parlementaire geschiedenis van art. 71 FwPro blijkende onjuiste opvatting over het al dan niet horen van de failliet en de schuldeisers in het faillissement in het kader van een art. 71 FwPro-procedure, geen belang toe [14] . Evenmin komt in dit opzicht gewicht toe aan de op de beschikking van de Hoge Raad van 19 januari 1990 gebaseerde jurisprudentie (nr. 62-65). [15]
- Voor zover art. 71 FwPro niet conform de Richtlijn kan worden geïnterpreteerd, had de rechtbank behoren te constateren dat de wetgever art. 27 lid 4 RichtlijnPro niet correct in wetgeving heeft omgezet en had zij daarom, als EU-rechter en teneinde het nuttige effect van de Richtlijn te verzekeren, ambtshalve die bepaling rechtstreeks en ten gunste van gefailleerde en Youtoo behoren toe te passen. Art. 27 lid 4 RichtlijnPro houdt immers een onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige verplichting in voor (ook) de wetgever om geschikte procedures voorhanden te laten zijn om eventuele, dan wel dreigende geschillen over vergoeding te beslechten (nr. 66-70). [16]
4.3
Alvorens de klachten van het middel te bespreken, ga ik hierna eerst in op het recht zoals dat luidde vóór de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1023. Daarna ga ik in op de betekenis van die richtlijn en hoe die richtlijn in Nederland is geïmplementeerd.
Art. 71 FwPro; het horen van de gefailleerde en de schuldeisers
4.4
Art. 71 lid 1 FwPro luidt dat de rechtbank het salaris van de curator vaststelt. Art. 71 FwPro vermeldt niet dat de gefailleerde of de schuldeisers daarover worden gehoord. Art. 71 FwPro vermeldde tot 1 januari 2023 evenmin dat de curator daarover wordt gehoord. Alleen het horen van de rechter-commissaris was en wordt nog altijd voorgeschreven in het algemene voorschrift van art. 65 FwPro.
Als al gezegd geeft de rechtbank haar beslissing over het salaris in hoogste ressort (art. 85 FwPro) en staat van die beslissing dus geen hoger beroep open. De vraag kon zijn of van die beslissing wel cassatieberoep openstond. De wet sluit dat niet uit, maar stelt dat beroep ook niet open. Die vraag is in de hiervoor in voetnoot 7 al genoemde uitspraak van 3 juli 1989 bevestigend beantwoord door de Hoge Raad voor de curator.
4.5
De P-G bij de Hoge Raad heeft rond dezelfde tijd de vraag of de gefailleerde moet worden gehoord op de salarisvaststelling, aan de Hoge Raad voorgelegd in een cassatie in het belang der wet. De P-G betoogde om voor de hand van liggende redenen dat dit het geval is. Hij ging ervan uit dat de rechten van de gefailleerde rechtstreeks zijn betrokken bij die vaststelling en het horen van de gefailleerde dus op grond van art. 6 EVRMPro een plicht is.
4.6
Daar dacht de Hoge Raad anders over. In zijn hiervoor al meermalen genoemde beschikking van 19 januari 1990 overwoog hij:
“3.1 Het gaat in deze zaak om een beschikking van de rechtbank waarbij op de voet van art. 71 FwPro het salaris van de curator in het faillissement van […] is vastgesteld.
Het middel strekt ten betoge dat de rechtbank gehouden was om alvorens deze beschikking te geven de gefailleerde in persoon te horen, althans hem behoorlijk daartoe op te roepen, althans hem in de gelegenheid te stellen schriftelijk zijn standpunt omtrent het salarisvoorstel van de curator kenbaar te maken; althans dat de rechtbank in haar beschikking had moeten doen blijken op grond van welke wettige reden zulks onmogelijk was.
Tot staving van dit betoog wordt in de toelichting op het middel een beroep gedaan op systeem en geschiedenis van de Faillissementswet, op ‘het fundamentele procesrechtelijke beginsel van hoor en wederhoor’ en op art. 6 EVRMPro.
3.2
In systeem en geschiedenis van de Faillissementswet valt evenwel voor een verplichting de gefailleerde met betrekking tot de vaststelling van het salaris van de curator te horen, geen steun te vinden.
3.2.1
In de eerste plaats biedt de wet geen steun voor de veronderstelling waarvan het middel klaarblijkelijk uitgaat, dat de rechter dat salaris vaststelt op grond van een ‘salarisvoorstel van de curator’ waarover de gefailleerde zou kunnen worden gehoord. De wet spreekt nergens van zulk een salarisvoorstel evenmin als de wetsgeschiedenis.
Dat de rechter in de huidige tijd zich veelal houdt aan de door een commissie van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak in samenspraak met de Nederlandse Orde van Advocaten opgestelde Richtlijn salarissen curatoren en bewindvoerders (gepubliceerd in Trema 1987, p. 90 e.v.) en in dat kader van de curator informatie pleegt te vragen door middel van een in te vullen vragenlijst, waaruit kan blijken welk bedrag volgens die richtlijn verschuldigd is, doet daar niet aan af.
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank in haar beschikking ook geen melding gemaakt van een salarisvoorstel van de curator maar enkel van een verzoek van de curator zijn salaris te bepalen.
3.2.2
Ook overigens past een verplichting de gefailleerde te horen alvorens het salaris van de curator vast te stellen niet in het systeem van de Faillissementswet, dat zoveel mogelijk op een vlotte afwikkeling gericht is.
De salarisbeschikking is een beschikking ‘het beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffende’ als bedoeld in art. 85, welke beschikkingen — juist in het belang van een vlotte afwikkeling — door de rechtbank in hoogste ressort worden gewezen en uitvoerbaar zijn bij voorraad en op de minuut (alles tenzij het tegendeel is bepaald) en waarbij enkel het horen van de R–C is voorgeschreven. Het past niet in dit stelsel om aan te nemen dat — ondanks het feit dat de wet dat niet bepaalt — ook de gefailleerde met betrekking tot zulk een beschikking moet worden gehoord. Dit klemt temeer omdat, zou men voor wat betreft de salarisvaststelling zulk een hoorplicht aanvaarden, er geen reden is die hoorplicht tot de gefailleerde te beperken: de in de toelichting op het middel als grond voor een hoorplicht genoemde omstandigheid dat de gefailleerde bij de salarisbeschikking belang kan hebben, geldt immers eveneens — en veelal in de eerste plaats voor de crediteuren, omdat het voor uitkering aan crediteuren beschikbare bedrag in de regel rechtstreeks door de vaststelling van het salaris van de curator en de overige faillissementskosten wordt beïnvloed.
3.3
Het beroep op het beginsel van hoor en wederhoor kan evenmin slagen. De beschikkingen bedoeld in art. 85, dus ook die tot vaststelling van het salaris van de curator, zijn naar hun inhoud administratieve beslissingen die in het kader van de gerechtelijke vereffening van de boedel (of van de vernietiging of opheffing van het faillissement) door de rechter worden genomen (in die zin reeds de Memorie van Toelichting bij art. 85: VanPro der Feltz II, p. 44), bij welke beslissingen van ‘partijen’ die moeten worden gehoord geen sprake is.
3.4
Ook het beroep op art. 6 EVRMPro kan niet tot een andere uitkomst leiden. In het midden kan blijven in hoeverre de beschikking tot vaststelling van het salaris van de curator er een is waarbij de burgerlijke rechten en verplichtingen van de gefailleerde worden vastgesteld, en derhalve ook in hoeverre het onder 3.2.2 overwogene, mede in verband met het feit dat voor de gefailleerde (anders dan voor de curator: HR 3 juli 1989, RvdW 1989, 192 ( NJ 1989, 770; red.)) in het stelsel van de Faillissementswet geen beroep tegen de salarisvaststelling openstaat, leidt tot een tekortschieten van de in dit stelsel verankerde regels ten opzichte van de eisen van art. 6 EVRMPro. Het gaat immers de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om voor een en ander een oplossing uit te denken, nu hier verschillende mogelijkheden openstaan, elk van deze mogelijkheden nadere regelgeving zou eisen en het aan de wetgever is om voor de onderhavige kwestie een oplossing te kiezen, die in het stelsel van de Faillissementswet kan worden ingepast.
3.5
Uit het voorgaande volgt dat het middel niet kan slagen.”
4.7
Zwaartepunten in deze beslissing zijn m.i. dat de salarisvaststelling een administratieve beslissing betreft waarbij geen sprake is van partijen (rov. 3.3) en dat het horen van de gefailleerde en de schuldeisers niet past in het stelsel en de opzet van de Faillissementswet dat erop is gericht snel en tegen lage kosten het faillissement af te wikkelen (rov. 3.2.2). Die lage kosten noemt de Hoge Raad weliswaar niet, maar voor wie de Faillissementswet en de daarop gegeven toelichting doorneemt, is evident dat die overweging mede in belangrijke mate ten grondslag ligt aan het stelsel van de Faillissementswet waarnaar de Hoge Raad verwijst.
Opvallend is dat de Hoge Raad in het midden laat of art. 6 EVRMPro jegens de gefailleerde in het spel is bij de salarisvaststelling. Uit zijn oordeel dat de salarisvaststelling een administratieve beslissing betreft waarbij geen sprake is van partijen, lijkt immers zonder meer te volgen dat dit niet het geval is. Art. 6 lid 1 EVRMPro heeft immers betrekking op de vaststellingvan burgerlijke rechten en verplichtingen (‘the determinationof his civil rights and obligations’). [17] Als van een dergelijke vaststelling geen sprake is, zoals het oordeel dat sprake is van een administratieve beslissing waarbij geen sprake is van partijen, lijkt in te houden of mee te brengen, dan is art. 6 lid 1 EVRMPro niet van toepassing. Alkema verzucht in zijn noot in de NJ onder de uitspraak dan ook dat ‘de Hoge Raad stelliger had kunnen zijn’ (omdat de vaststelling van het salaris is niet aan te merken als een ‘dispute’ of ‘contestation’ in de zin van art. 6 EVRMPro). [18]
4.8
In de hiervoor in voetnoot 12 al genoemde beschikking van 12 november 1999 heeft de Hoge Raad zijn uitspraak verder uitgewerkt en verduidelijkt:
“3.2 Onderdeel 1 strekt ten betoge dat de Rechtbank gehouden was om alvorens deze beschikking te geven de voormalige curator op te roepen teneinde hem in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, en klaagt dat de Rechtbank dit ten onrechte heeft nagelaten. Deze klacht is gegrond.
De beschikkingen bedoeld in art. 85 F., dus ook die tot vaststelling van het salaris van de curator, zijn naar hun inhoud administratieve beslissingen die in het kader van de gerechtelijke vereffening van de boedel of van vernietiging of opheffing van het faillissement door de rechter worden genomen, bij welke beslissingen van 'partijen' die moeten worden gehoord geen sprake is (HR 19 januari 1990, nr. 7702, NJ 1991, 213).
Ofschoon ook de curator geen partij is bij een zodanige beslissing, moet, nu zijn belangen rechtstreeks zijn betrokken bij de vaststelling van het salaris waarop hij meent recht te hebben, niettemin worden aangenomen dat in een geval waarin de curator een salarisvoorstel heeft gedaan waarmee de rechter-commissaris niet instemt, de rechtbank de curator hoort teneinde hem aldus gelegenheid te geven zijn standpunt naar voren te brengen en zo nodig ook mondeling te reageren op hetgeen de rechter-commissaris naar voren brengt wanneer deze ingevolge art. 65F. wordt gehoord. Hetzelfde geldt ingeval de rechter-commissaris geen bezwaar heeft tegen het salarisvoorstel, maar de rechtbank aanleiding ziet daarvan ten nadele van de curator af te wijken.
In de hiervoor genoemde beschikking van de Hoge Raad was de vraag aan de orde of de gefailleerde moet worden gehoord omtrent de vaststelling van het salaris van de curator. Bij de ontkennende beantwoording van die vraag is blijkens die beschikking onder meer van belang dat een hoorplicht niet kan worden beperkt tot de gefailleerde, omdat de daarvoor aangevoerde argumenten mede gelden voor het horen van de crediteuren. Dit aspect speelt geen rol bij de vraag of de curator zelf dient te worden gehoord omtrent de vaststelling van zijn salaris. Voor vertraging en een onredelijke verzwaring van de procedure behoeft niet te worden gevreesd, nu de curator bij dezelfde gelegenheid als de rechter-commissaris wordt gehoord. Ook het in voornoemde beschikking met betrekking tot het horen van de gefailleerde genoemde probleem dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat hiervoor een oplossing uit te denken, doet zich ten aanzien van het horen van de curator niet voor.
Dat de curator in dit opzicht een andere positie inneemt dan de gefailleerde strookt ook overigens met het stelsel van de Faillissementswet, dat — zoals in voornoemde beschikking van de Hoge Raad is overwogen — meebrengt dat, anders dan voor de curator, voor de gefailleerde geen cassatieberoep tegen de salarisvaststelling openstaat.”
4.9
De curator moet dus wel worden gehoord en in deze uitspraak wordt – enigszins verholen – wel gewezen op het kostenaspect van het horen van de gefailleerde en de schuldeisers (in hun geval spelen wel ‘vertraging en een onredelijke verzwaring van de procedure’ volgens de Hoge Raad). Dit stelsel, waarbij met betrekking tot de salarisvaststelling geen sprake is van partijen die moeten worden gehoord, en waarbij de gefailleerde en de schuldeisers niet behoeven te worden gehoord en voor hen, anders dan voor de curator, geen cassatieberoep openstaat, is door de Hoge Raad nog eens bij de eveneens hiervoor in voetnoot 12 al genoemde beschikking van 23 februari 2001 bevestigd.
4.1
Wat geldt bij art. 71 lid 1 FwPro geldt naar valt aan te nemen ook bij de hiervoor al genoemde salarisvaststellingen van de art. 15 lid 3 enPro 16 lid 2 Fw. Ook voor die gevallen schrijft de wet niet voor dat de gefailleerde of de schuldeisers worden gehoord. In die gevallen zal de gefailleerde zich daarover echter desgewenst wel kunnen uitlaten, omdat hij partij is bij het rechtsmiddel waarop het faillissement wordt vernietigd (het geval waarop art. 15 FwPro ziet), en hij op grond van art. 16 lid 1 FwPro verplicht wordt gehoord over de opheffing van het faillissement. In die gevallen sluit de wet evenwel uitdrukkelijk een rechtsmiddel uit tegen de salarisvaststelling. Die uitsluiting geldt óók voor de curator, naar de Hoge Raad heeft beslist. [19]
4.11
Volgens de rechtspraak kunnen de gefailleerde en de schuldeisers ook langs de weg van art. 69 FwPro (het verzoek aan de rechter-commissaris om de curator een bevel of verbod te geven) niet tegen de salarisvaststelling opkomen. [20] De literatuur en lagere rechtspraak nemen voorts aan, in overeenstemming met het voorgaande, dat de schuldeisers evenmin tegen de salarisvaststelling kunnen opkomen ter gelegenheid van een verzet tegen de slotuitdelingslijst in het faillissement, tegen welke lijst zij op grond van art. 184 FwPro verzet kunnen doen (maar dus niet op dit punt). [21]
4.12
Uit het voorgaande volgt dat de gefailleerde en de schuldeisers niet over de salarisvaststelling behoeven te worden gehoord, blijkens de rechtspraak. Het middel betoogt als gezegd dat daarin verandering is gekomen met de inwerkingtreding van Richtlijn (EU) 2019/1023.
Op 16 juli 2019 is Richtlijn (EU) 2019/1023 in werking getreden. [23] De Richtlijn diende door de lidstaten in beginsel uiterlijk 17 juli 2021 te zijn omgezet in wetgeving en zij dienden de bepalingen om aan de Richtlijn te voldoen met ingang van die datum toe te passen. [24] Het doel van de Richtlijn is blijkens de eerste overweging in de considerans daarvan:
“(1) Deze richtlijn heeft als doel bij te dragen tot het goede functioneren van de interne markt en een eind te maken aan de belemmeringen voor het uitoefenen van fundamentele vrijheden zoals het vrije verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging, die voortvloeien uit verschillen tussen nationale regelingen en procedures inzake preventieve herstructurering, insolventie, kwijtschelding van schuld en beroepsverboden. Deze richtlijn beoogt, zonder afbreuk te doen aan de grondrechten en fundamentele vrijheden van werknemers, deze belemmeringen weg te nemen door ervoor te zorgen dat: levensvatbare ondernemingen en ondernemers in financiële moeilijkheden toegang hebben tot doeltreffende nationale preventieve herstructureringsstelsels die hen in staat stellen hun activiteiten voort te zetten; eerlijke ondernemers die insolvent zijn of een overmatige schuldenlast hebben na een redelijke termijn een volledige kwijtschelding van schuld kunnen krijgen waardoor hen een tweede kans wordt gegeven; en dat de procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld efficiënter worden, in het bijzonder om de duur ervan te verkorten”.
4.14
In lijn met dit doel brengt art. 1 lid 1 RichtlijnPro de volgende onderscheiden aan:
“Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld betreffende:
a) preventieve herstructureringsstelsels die beschikbaar zijn voor schuldenaren in financiële moeilijkheden indien er kans op insolventie bestaat, teneinde insolventie van de schuldenaar te voorkomen en de levensvatbaarheid van de schuldenaar te verzekeren;
b) procedures die tot kwijtschelding van schuld voor insolvente ondernemers leiden; en
c) maatregelen met het oog op efficiëntere procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld.”
Titel II van de Richtlijn is gewijd aan de in art. 1 lid 1 onderPro a) genoemde preventieve herstructureringsstelsels (art. 4-19 Richtlijn). Deze titel is inmiddels in de Faillissementswet geïmplementeerd door wijziging van de WHOA (Wet homologatie onderhands akkoord). Titel III van de Richtlijn bevat bepalingen ter zake van kwijtschelding van schuld, zoals genoemd in art. 1 lid 1 onderPro b) Richtlijn (art. 20-24). De voor deze zaak relevante voorschriften genoemd in art. 1 lid 1 onderPro c) Richtlijn zijn opgenomen in Titel IV, die als opschrift draagt: ‘Maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van de procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld’ (art. 25-27).
4.15
Art. 25 RichtlijnPro bevat voorschriften over de deskundigheid en opleiding van leden van de rechterlijke en administratieve instanties die procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schulden behandelen en draagt de lidstaten op ervoor zorg te dragen dat dergelijke procedures op efficiënte wijze worden afgewikkeld met het oog op voortvarende behandeling van de procedures.
Art. 26 RichtlijnPro bevat voorschriften over de opleiding en deskundigheid van deskundigen die in een procedure door een rechterlijke of een administratieve instantie zijn aangesteld in een procedure inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld (door de Richtlijn vervolgens kortweg gedefinieerd als ‘deskundigen’; het is duidelijk dat ook de faillissementscurator hieronder valt), alsmede voorschriften over hun aanstelling, ontslag en vervanging.
“1. De lidstaten voorzien in gepaste toezichts- en regelgevingsmechanismen om het werk van deskundigen daadwerkelijk te controleren, opdat hun diensten op doeltreffende en bekwame wijze en, ten aanzien van de betrokken partijen, op onpartijdige en onafhankelijke wijze worden verstrekt. Deze mechanismen omvatten ook maatregelen met het oog op de verantwoordingsplicht van deskundigen die hun taken niet naar behoren hebben uitgevoerd.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie over de autoriteiten of organen die toezicht uitoefenen op deskundigen publiek beschikbaar is.
3. De lidstaten kunnen het ontwikkelen van en het aansluiten bij gedragscodes door deskundigen aanmoedigen.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat voor de vergoeding van deskundigen regels gelden die beantwoorden aan de doelstelling van een efficiënte afwikkeling van procedures.
De lidstaten zorgen ervoor dat er geschikte procedures voorhanden zijn om eventuele geschillen over vergoeding te beslechten.”
4.16
Ten aanzien van deze maatregelen zijn m.i. slechts de volgende overwegingen van de considerans van de Richtlijn voor deze zaak (enigszins) relevant:
“(85) De transparantie en voorspelbaarheid van de procedures in termen van het leiden tot resultaten die gunstig zijn voor het in stand houden van ondernemingen en voor het gunnen van een tweede kans aan ondernemers, of die de efficiënte vereffening van niet-levensvatbare ondernemingen mogelijk maken, moet worden gehandhaafd en bevorderd. Ook is het noodzakelijk te zorgen voor een verkorting van de buitensporige duur van insolventieprocedures in veel lidstaten, die tot rechtsonzekerheid voor schuldeisers en investeerders en tot lage terugvorderingspercentages leidt. (…)
(89) Op de deskundigen dienen toezichts- en regelgevingsmechanismen van toepassing te zijn, waaronder doeltreffende maatregelen ten aanzien van de aansprakelijkheid van deskundigen die hun taken niet naar behoren hebben uitgevoerd, zoals: vermindering van het honorarium van de deskundige; uitsluiting uit de lijst of pool van deskundigen die voor insolventiezaken kunnen worden aangesteld; en, indien passend, tuchtrechtelijke, administratieve of strafrechtelijke sancties. Die toezichts- en regelgevingsmechanismen dienen de bepalingen van het nationaal recht met betrekking tot civielrechtelijke aansprakelijkheid voor schade wegens niet-nakoming van contractuele of niet-contractuele verplichtingen onverlet te laten. De lidstaten moeten niet verplicht worden speciale autoriteiten of organen op te richten. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de informatie over de autoriteiten of organen die toezicht uitoefenen op deskundigen publiek beschikbaar is. Als informatie dient een gewone vermelding van bijvoorbeeld de rechterlijke of administratieve instantie te volstaan. Het moet in beginsel mogelijk zijn deze normen te bereiken zonder dat in het nationaal recht nieuwe beroepen of kwalificaties in het leven moeten worden geroepen. De lidstaten moeten de bepalingen inzake opleiding van en toezicht op deskundigen kunnen uitbreiden tot andere deskundigen die niet onder deze richtlijn vallen. De lidstaten mogen niet worden verplicht te bepalen dat geschillen over de vergoeding van deskundigen voorrang hebben op andere procedures.”
4.17
Ten aanzien van de totstandkomingsgeschiedenis van de Richtlijn kan nog het volgende worden opgemerkt. In het oorspronkelijke Commissievoorstel voor de Richtlijn, luidde de tekst van art. 27 alsPro volgt:
“1. De lidstaten voorzien in gepaste toezichts- en regelgevingsstructuren om ervoor te zorgen dat adequaat toezicht wordt uitgeoefend op het werk van deskundigen op het gebied van herstructurering, insolventie en een tweede kans. Dit toezicht en deze regelgeving omvatten ook een passende en doeltreffende regeling voor sancties tegen deskundigen die hun verplichtingen niet nakomen.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de vergoedingen die deskundigen op het gebied van herstructurering, insolventie en een tweede kans aanrekenen, aan regels zijn onderworpen die een tijdige en efficiënte oplossing van procedures stimuleren, rekening houdend met de complexiteit van de zaak. De lidstaten zorgen ervoor dat passende procedures met ingebouwde waarborgen voorhanden zijn om ervoor te zorgen dat geschillen over vergoeding tijdig kunnen worden opgelost.” [25]
Deze bepaling werd in de toelichting niet toegelicht. Wel werd in meer algemene zin over het doel van de richtlijn, voor zover hier van belang, opgemerkt:
“Het voorstel is vooral gericht op een vermindering van de belangrijkste belemmeringen voor het vrije verkeer van kapitaal die voortvloeien uit verschillen in de herstructurerings- en insolventiestelsels van de lidstaten. Doel is dat alle lidstaten zich houden aan een aantal kernbeginselen inzake doeltreffende preventieve herstructureringsstelsels en tweedekansstelsels, en over maatregelen beschikken om alle soorten insolventieprocedures doeltreffender te maken door de duur en de kosten ervan te verlagen en de kwaliteit te verbeteren. (…)
Het voorstel beoogt geen harmonisering van belangrijke aspecten van insolventie zoals regels inzake de voorwaarden voor het inleiden van insolventieprocedures, een gemeenschappelijke definitie van insolventie, de rangindeling van vorderingen en vorderingen tot nietigverklaring in de ruime zin van het woord. Hoewel dergelijke regels nuttig zouden zijn om volledige grensoverschrijdende rechtszekerheid tot stand te brengen – zoals bevestigd door een groot aantal belanghebbenden tijdens de openbare raadpleging – blijkt de huidige diversiteit in het rechtsbestel van de lidstaten op het gebied van insolventieprocedures te groot om te overbruggen, gezien de talrijke verbanden tussen de insolventiewetgeving en aanverwante gebieden van het nationaal recht, zoals belasting-, arbeids- en de socialezekerheidswetgeving. Een prescriptieve harmonisatie zou verregaande veranderingen kunnen vergen in het handelsrecht, het burgerlijk recht en het vennootschapsrecht, en flexibele bepalingen zouden onvoldoende kunnen zijn om de gewenste veranderingen te bewerkstelligen. Bovendien zijn de regels voor het indienen en het controleren van de schuldvorderingen als bedoeld in de mededeling van de Commissie van 12 december 2012, weinig relevant gezien de verbeteringen die de insolventieverordening met zich brengt.
In de plaats daarvan ligt de nadruk in dit voorstel op de belangrijkste problemen die op een haalbare manier via harmonisering kunnen worden aangepakt. De insolventieprocedures moeten worden aangepast om debiteuren in financiële moeilijkheden de kans te geven om vroegtijdig te herstructureren. Regels die aan deze behoefte tegemoetkomen, hebben onder meer betrekking op het opheffen van de verplichting om een insolventieprocedure in te leiden terwijl het herstructureringsproces nog gaande is – aangezien de inleiding van de procedure het doel van herstructurering in het gedrang kan brengen – en op het stelsel voor vorderingen tot nietigverklaring in insolventieprocedures om transacties die te goeder trouw zijn gesloten, te beschermen met het oog op de preventieve herstructurering van de debiteur. Het voorstel betreft bovendien maatregelen die gerelateerd zijn aan insolventie en die een directe invloed hebben op de duur van de procedures, zoals de specialisatie van de rechters en het professionalisme van de functionarissen, en maatregelen die nauw verbonden zijn met de regeling voor preventieve herstructurering, zoals het beschermen van nieuwe financiering tegen vorderingen tot nietigverklaring.” [26]
4.18
In het kader van de behandeling van het voorstel door de Raad en het door hem aangenomen compromisvoorstel, zijn wel opmerkingen gemaakt met betrekking tot de maatregelen die in Titel IV van de Richtlijn zijn opgenomen:
“Tijdens de onderhandelingen gaven de lidstaten nagenoeg unaniem te kennen dat de voorschriften voor de aanstelling, selectie en beloning van en het toezicht op deskundigen op het gebied van herstructurering, insolventie en schuldbevrijding in het Commissievoorstel te gedetailleerd omschreven waren. De lidstaten pleitten ervoor om, net als bij de bepalingen in verband met de efficiëntie van de rechterlijke en administratieve instanties, een meer op beginselen gebaseerde benadering te volgen.
Daarom zijn de bepalingen in de compromistekst gestroomlijnd met een aantal algemene beginselen die de lidstaten in acht moeten nemen in hun nationale rechtsstelsels inzake de aanstelling, selectie en beloning van en het toezicht op deskundigen. Deze bepalingen bevatten voorschriften met betrekking tot de opleiding en deskundigheid van deskundigen, alsmede in verband met de criteria om een deskundige in een bepaalde zaak aan te stellen. De tekst verplicht de lidstaten tevens toezicht op hun deskundigen uit te oefenen en doeltreffende maatregelen te treffen met het oog op de verantwoordingsplicht van deskundigen die hun taken veronachtzamen. De lidstaten krijgen evenwel veel ruimte voor interpretatie om te bepalen hoe zij aan deze voorschriften voldoen.” [27]
4.19
In de compromistekst werd de volgende tekst voor art. 27 lid 2 voorgesteldPro:
“De lidstaten zorgen ervoor dat voor de vergoeding van deskundigen (...) regels gelden die beantwoorden aan de doelstelling van (...) efficiënte afwikkeling van procedures. (…)
De lidstaten zorgen ervoor dat passende procedures (...) voor het beslechten van geschillen voorhanden zijn en dat die geschillen op efficiënte wijze worden beslecht.” [28]
4.2
Overeenkomstig art. 294 VWEUPro en de gemeenschappelijke verklaring over de wijze van uitvoering van de medebeslissingsprocedure, is er tussen de Raad, het Europees Parlement en de Commissie een aantal informele contacten geweest teneinde in eerste lezing een akkoord over het dossier te bereiken en zodoende een tweede lezing en de bemiddelingsprocedure te vermijden. In dit verband heeft de rapporteur, mevrouw Angelika Niebler, namens de Commissie juridische zaken een compromisamendement op het richtlijnvoorstel (amendement 109) ingediend. Over dit amendement is tijdens de hierboven genoemde informele contacten overeenstemming bereikt. Bij de stemming op 28 maart 2019 heeft de plenaire vergadering het compromisamendement op het richtlijnvoorstel (amendement 109) aangenomen. Het aldus geamendeerde Commissievoorstel vormt het standpunt van het Parlement in eerste lezing. [29] Dat geamendeerde voorstel bevatte het art. 27 lid 4 RichtlijnPro zoals hiervoor in 4.15 geciteerd. Dat standpunt in eerste lezing is door de vervolgens Raad goedgekeurd. [30]
Verplicht art. 27 lid 4 RichtlijnPro tot het instellen van een procedure over het salaris waarin de gefailleerde en de schuldeisers moeten worden gehoord?
4.21
Uit de tekst van art. 27 lid 4 RichtlijnPro en het voorgaande volgt m.i. onmiskenbaar dat art. 27 lid 4 RichtlijnPro niet de bedoeling of strekking heeft om de lidstaten een procedure in het leven te laten roepen over de vergoeding van de deskundige (waaronder de faillissementscurator) waarin de gefailleerde en de schuldeisers moeten worden gehoord, in het geval dat een dergelijk procedure naar nationaal recht niet bestaat. De tekst van art. 27 lid 4 RichtlijnPro houdt dat op geen enkele wijze in en dit volgt evenmin uit het doel of enige overweging van de Richtlijn of uit de toelichting die in de totstandkomingsfase van die bepaling op de inhoud daarvan is gegeven. Het doel van de Richtlijn is, blijkens het voorgaande, uitdrukkelijk (slechts) het efficiënter maken van insolventieprocedures, in het bijzonder de duur daarvan. Daaruit volgt al dat de lidstaten niet gehouden zijn om nieuwe procedures in te voeren met het oog op wat in art. 27 lid 4 RichtlijnPro ‘eventuele geschillen over vergoeding’ (van deskundigen) noemt, maar uitsluitend dat zij de procedures die er op dat vlak in hun staat zijn, moeten laten voldoen aan het doel van de Richtlijn ‘om alle soorten insolventieprocedures doeltreffender te maken door de duur en de kosten ervan te verlagen en de kwaliteit te verbeteren’ (zie hiervoor in 4.17), wat in art. 27 lid 4 RichtlijnPro zelf wordt omschreven als ‘de doelstelling van een efficiënte afwikkeling van procedures’ en ‘geschikte procedures’. Ik zou menen dat het hiervoor weergegeven stelsel van de Nederlandse Faillissementswet bij uitstek aan deze eisen voldoet doordat de gefailleerde en de schuldeisers geen partij zijn bij de salarisvaststelling van de curator en de procedure van salarisvaststelling daardoor zeer snel en efficiënt kan verlopen, zonder veel kosten.
4.22
Bij het voorgaande valt er nog op te wijzen dat de toelichting op het Commissievoorstel al vermeldt dat het voorstel geen harmonisering van belangrijke aspecten van insolventie beoogt, juist vanwege de grote diversiteit van insolventieprocedures in de lidstaten. In de plaats daarvan lag de nadruk juist op de belangrijkste problemen die op een haalbare manier via harmonisering konden worden aangepakt, waaronder dus ‘maatregelen die gerelateerd zijn aan insolventie en die een directe invloed hebben op de duur van de procedures, zoals de specialisatie van de rechters en het professionalisme van de functionarissen’.
Bevestiging hiervan kan ook worden gevonden in het feit dat de tekst van art. 27 lid 4 RichtlijnPro ten opzichte van art. 27 lid 2 CommissievoorstelPro op meerdere punten flexibeler is geformuleerd. De Richtlijn geeft de lidstaten dus niet minder, maar juist meer vrijheid in dit verband.
De implementatie van de Richtlijn in Nederland; de internetconsultatie
4.23
De implementatie van de Richtlijn is in Nederland voorafgegaan door een voorontwerp waarover in 2021 een internetconsultatie heeft plaatsgevonden. Dat ontwerp zag in hoofdzaak op de aanpassing van wat als de WHOA pleegt te worden aangeduid (dat is afdeling 3.2 Faillissementswet). Het ontwerp bevatte echter ook een aanpassing van art. 71 FwPro, bestaande in de tussenvoeging van een nieuw derde lid, luidende:
“Onverminderd artikel 65, neemt de rechtbank geen beslissing als bedoeld in het eerste en tweede lid dan nadat zij de curator, de schuldenaar en de schuldeisers op een door haar nader te bepalen wijze en binnen een door haar te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een zienswijze te geven.” [31]
4.24
Deze bepaling is in de van de consulatie deel uitmakende ontwerp-toelichting als volgt toegelicht:
“Artikel 27 lid 4 vanPro de richtlijn vereist dat er geschikte procedures voorhanden zijn om eventuele geschillen over vergoeding van insolventiefunctionarissen te beslechten. Met het oog hierop is in artikel I, onderdelen B, C, E, G, O en AA van dit wetsvoorstel geregeld dat, voordat de rechtbank een beslissing neemt over de salarisvaststelling van de curator in faillissement, de bewindvoerder in surseance of de bewindvoerder in de WSNP, zij de belanghebbenden in de gelegenheid stelt een zienswijze te geven. Voor de WHOA blijkt al uit artikel 371, vijfde lid, in verbinding met het tiende lid, Fw dat de rechtbank belanghebbenden in de gelegenheid dient te stellen om hun zienswijze te geven over de salarisvaststelling van de herstructureringsdeskundige. Via de schakelbepaling van artikel 380, vierde lid, Fw geldt hetzelfde voor de salarisvaststelling van de observator. Onder omstandigheden is het echter mogelijk dat niet de schuldenaar, maar de schuldeisers de kosten van de herstructureringsdeskundige dragen (artikel 371, tiende lid, vierde zin, Fw). In dat geval hebben zij belang bij de salarisvaststelling van de herstructureringsdeskundige. Daarom wordt in artikel I, onderdeel DD, verduidelijkt dat in een dergelijk geval de schuldeisers de gelegenheid moeten krijgen hun zienswijze te geven.
(…)
Deze onderdelen regelen daarnaast dat de rechtbank, voordat zij een beslissing neemt over het salaris van een curator in faillissement, een bewindvoerder in surseance van betaling of een bewindvoerder in WSNP, de belanghebbenden op een door haar nader te bepalen wijze en binnen een door haar te bepalen termijn in de gelegenheid stelt een zienswijze te geven. Nu is de rechtbank hiertoe niet steeds verplicht. Deze onderdelen zien enkel op de definitieve beslissing ten aanzien van het salaris. De rechtbank behoeft belanghebbenden dus niet in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de toekenning van een voorschot op het salaris, nu het hierbij om een voorlopige beslissing gaat. De wijziging brengt bijvoorbeeld mee dat als de schuldenaar of schuldeisers bezwaren hebben tegen de door de curator of bewindvoerder ingebrachte salarisspecificatie, zij deze bij de rechtbank naar voren kunnen brengen. Ook de bewindvoerder of de curator zelf heeft steeds de mogelijkheid om zich uit te laten over de vaststelling van zijn salaris. Voor het faillissement en de WSNP geldt bovendien naar huidig recht al dat de rechtbank op grond van artikel 314, tweede lid, in verbinding met artikel 65 FwPro, ook de rechter-commissaris dient te horen. Op grond van het nieuwe derde lid van artikel 215 gaatPro straks hetzelfde gelden voor de surseance van betaling.” [32]
4.25
Op het ontwerp en de toelichting zijn meerdere reacties gekomen waarin kritiek werd geuit op de in art. 71 lid 3 FwPro opgenomen verplichting om de gefailleerde en de schuldeisers te horen over het salaris van de faillissementscurator. Er is op gewezen dat art. 27 lid 4 RichtlijnPro daartoe niet verplicht en dat het horen van gefailleerde en schuldeisers een aanzienlijk last in een faillissement vormt. [33] Ook de Raad voor de Rechtspraak heeft kritiek geuit op het ontwerp, op de grond dat het tot veel extra werk zou leiden. [34]
De implementatie van de Richtlijn in Nederland; de implementatiewet
4.26
In het bij de Tweede Kamer ingediende voorstel voor de implementatiewet, de Implementatiewet richtlijn herstructurering en insolventie, luidde het toe te voegen art. 71 lid 3 FwPro als volgt:
“De rechtbank stelt het salaris van de curator vast aan de hand van uitgangspunten waarin het belang van een efficiënte behandeling van het faillissement tot uitdrukking komt. Overweegt de rechtbank om af te wijken van een voorstel van de curator tot vaststelling van zijn salaris of stemt de rechter-commissaris niet met een dergelijk voorstel in, dan neemt de rechtbank geen beslissing als bedoeld in het eerste en tweede lid dan nadat zij de curator op een door haar nader te bepalen wijze en binnen een door haar te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een zienswijze te geven.” [35]
4.27
De verplichting om de gefailleerde en de schuldeisers te horen is dus ten opzichte van het voorontwerp vervallen. Het nieuwe artikellid is, voor zover van belang, als volgt toegelicht:
“Artikel 27 lid 4 vanPro de richtlijn vereist dat er geschikte procedures voorhanden zijn om eventuele geschillen over vergoeding van insolventiefunctionarissen te beslechten. In de eerste plaats zullen insolventiefunctionarissen zelf gebruik moeten kunnen maken van een dergelijke procedure, nu hun belangen rechtstreeks zijn betrokken bij de salarisvaststelling. Op grond van bestaande jurisprudentie geldt reeds dat de rechtbank de curator dient te horen wanneer de curator een salarisvoorstel heeft gedaan waarmee de rechter-commissaris niet instemt. Hetzelfde geldt wanneer de rechter-commissaris geen bezwaar heeft tegen het salarisvoorstel, maar de rechtbank aanleiding ziet daarvan ten nadele van de curator af te wijken. Om wettelijk te waarborgen dat er voor de curator en de bewindvoerder een «geschikte procedure» voorhanden is, codificeert dit wetsvoorstel deze rechtspraak voor het faillissement, de surseance van betaling en de WSNP in respectievelijk de artikelen 71, 250 en 320 Fw (artikel I, onderdelen E, S en JJ).
(…)
Gelet op de plaatsing van artikel 27 lid 4 inPro titel IV van de richtlijn («Maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van de procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld»), moet deze bepaling begrepen worden vanuit de doelstelling van de richtlijn om een efficiënte afwikkeling van insolventieprocedures te bevorderen. Aangenomen moet daarom worden dat deze «geschikte procedures» ook beschikbaar moeten zijn voor de schuldenaar en, in het geval van vereffeningsprocedures zoals het faillissement en de WSNP, voor de schuldeisers. Zij hebben er immers met name belang bij dat de procedure efficiënt verloopt en dat de insolventiefunctionaris geen onnodige kosten maakt. Daarbij geldt dat een procedure vooral «geschikt» is in de zin van de richtlijn, als hiermee daadwerkelijk kan worden bevorderd dat de insolventiefunctionaris efficiënt handelt en onnodige kosten vermijdt. Dit is met name het geval als de schuldenaar en, in geval van het faillissement en de WSNP, de schuldeisers, in een vroeg stadium invloed kunnen uitoefenen op de handelwijze van de insolventiefunctionaris. Dan hebben zij immers nog de mogelijkheid om te voorkomen dat de insolventiefunctionaris de kosten onnodig laat oplopen. In het kader van het faillissement en de WSNP kunnen de schuldenaar en de schuldeisers op grond van de artikelen 69 en 317 Fw, door het indienen van een verzoek, tegen elke handeling van de curator of de bewindvoerder bij de rechter-commissaris opkomen of van deze een bevel uitlokken dat de curator of bewindvoerder een bepaalde handeling zal verrichten of een voorgenomen handeling zal nalaten. Daarmee is er voor de schuldeisers en de schuldenaar een geschikte procedure voorhanden waarmee zij kunnen aansturen op een efficiënte wijze van behandeling van het faillissement of de schuldsanering tegen zo laag mogelijke kosten. In de surseance van betaling en de WHOA-regeling mist een met de artikelen 69 en 317 Fw vergelijkbare bepaling. Voor de surseance geldt echter dat dat de bewindvoerder op grond van artikel 215, tweede lid, Fw, samen met de schuldenaar het beheer over diens zaken voert. De bewindvoerder is niet bevoegd om zelfstandig te handelen, maar zal moeten samenwerken met de schuldenaar. De schuldenaar heeft daarmee de mogelijkheid om aan te sturen op een efficiënte handelwijze. Hij kan handelingen van de bewindvoerder tegenhouden door instemming hiermee te weigeren en zo voorkomen dat de bewindvoerder onnodige kosten maakt.” [36]
4.28
Het wetsvoorstel gooit het dus geheel over een andere boeg. Niet langer behoeven de gefailleerde en de schuldeisers te worden gehoord en zij kunnen uitsluitend aansturen op een behoorlijk optreden van de curator in het faillissement door middel van de al bestaande mogelijkheden die art. 69 FwPro hun biedt. Bij die mogelijkheden gaat dus niet om de salarisvaststelling, maar enkel om een efficiënte handelwijze. In de toelichting wordt de op het voorontwerp gegeven kritiek met zoveel woorden onderschreven:
“Anders dan in de consultatieversie het geval was, voorziet dit wetsvoorstel er niet in dat de schuldenaar en de schuldeisers in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze te geven ten aanzien van de salarisvaststelling van de verschillende insolventiefunctionarissen. Reden is enerzijds de vrees die in de consultatie is geuit dat dit zou leiden tot grote vertraging bij de salarisvaststelling, terwijl anderzijds de richtlijn niet blijkt te noodzaken tot een dergelijke regeling.” [37]
4.29
Het laatste is even eerder in de toelichting als volgt toegelicht:
“Artikel 27 lid 4 vanPro de richtlijn vereist dat er geschikte procedures voorhanden zijn om eventuele geschillen over vergoeding van insolventiefunctionarissen te beslechten. Gelet op de plaatsing van dit artikel in titel IV van de richtlijn («Maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van de procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld»), moet deze bepaling begrepen worden vanuit de doelstelling van de richtlijn om een efficiënte afwikkeling van insolventieprocedures te bevorderen. Een procedure is daarmee vooral «geschikt» in de zin van de richtlijn, als hiermee daadwerkelijk kan worden bevorderd dat de insolventiefunctionaris efficiënt handelt en onnodige kosten vermijdt. Dit is met name het geval als de schuldenaar en, in geval van vereffeningsprocedures zoals het faillissement en de WSNP, de schuldeisers, in een vroeg stadium invloed kunnen uit te oefenen op de handelwijze van de insolventiefunctionaris. Dan hebben zij immers nog daadwerkelijk de mogelijkheid om te voorkomen dat de insolventiefunctionaris de kosten onnodig laat oplopen. Zoals uiteengezet in paragraaf 3.3 van deze toelichting, voorziet het huidige recht al in procedures waarmee de schuldenaar en, in geval van het faillissement en de WSNP, de schuldeisers, kunnen aansturen op een efficiënte handelwijze van de curator of de bewindvoerder. Er is daarmee geen noodzaak om er daarnaast in te voorzien dat zij in de gelegenheid worden gesteld om een zienswijze te geven ten aanzien van de salarisvaststelling.” [38]
4.3
Om deze reden is men bij de totstandkoming van de implementatiewet tot de slotsom gekomen dat het horen van de gefailleerde en de schuldeisers juist niet zou bijdragen aan de doelstelling van art. 27 lid 4 RichtlijnPro:
“In de consultatie is door Insolad, Jira en KienhuisHoving bovendien de vrees geuit dat dit zou leiden tot grote vertraging bij de salarisvaststelling. Ook de Raad voor de rechtspraak voorziet omslachtige procedures. Nu het doel van de richtlijn juist is de efficiënte afwikkeling van insolventieprocedures te bevorderen, is alsnog afgezien van de introductie van deze voorziening.” [39]
4.31
Het in het wetsvoorstel voorgestelde art. 71 lid 3 FwPro heeft uiteindelijk ongewijzigd het Staatsblad gehaald. [40] De eerste twee leden van art. 71 FwPro zijn ongewijzigd gebleven. Art. 71 FwPro schrijft dus nog steeds niet voor dat de gefailleerde en de schuldeisers worden gehoord over de salarisvaststelling. Hetgeen hiervoor in 4.4-4.12 is vermeld, heeft dus zijn betekenis behouden, sterker nog: heeft andermaal de zegen van de wetgever gekregen.
Bespreking klachten
4.32
Uit het voorgaande volgt dat de klachten van het middel ongegrond zijn. Op grond van het voorgaande is m.i. evenmin voor redelijke twijfel vatbaar dat de verplichting die het middel in art. 27 lid 4 RichtlijnPro leest, daarin niet staat of besloten ligt en dat de wetgever dan ook terecht bij de totstandkoming van de implementatiewet ervan is uitgegaan dat die verplichting niet bestaat.
Slotopmerkingen
4.33
Ik maak echter nog een enkele opmerking buiten het kader van het cassatiemiddel.
Dat de gefailleerde en de schuldeisers niet worden gehoord over de salarisvaststelling kan onbevredigend worden gevonden. De betaling van het salaris gaat ten laste van het vermogen van de gefailleerde en het verhaal van de schuldeisers. Men zou dan ook menen – zeker op het eerste gezicht – dat zij daarover op enig tijdstip hun standpunt naar voren zouden moeten kunnen brengen, zeker als er sprake is van fouten. [41]
De argumenten voor een ander stelsel die in de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 19 januari 1990 zijn genoemd, zijn echter duidelijk en, mede blijkens de hiervoor weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van de implementatiewet van de Richtlijn, recent onderschreven door de wetgever.
De Hoge Raad is in de uitspraak onzeker over de vraag of de salarisvaststelling onder art. 6 lid 1 EVRMPro valt, wat betreft de gefailleerde. Zoals hiervoor in 4.7 opgemerkt, volgt m.i. echter uit zijn constatering dat sprake is van een administratievebeslissing waarbij geen sprake is van partijen, dat geen sprake is van een vaststelling die de gefailleerde of de schuldeisers als zodanig bindt en dat art. 6 EVRMPro daarom niet in het geding is. De vaststelling van het salaris in het faillissement betekent weliswaar dat de curator het salaris in de slotuitdelingslijst kan opnemen zonder dat daartegen nog bezwaar mogelijk is. In het geval van de art. 15 lid 3 enPro 16 lid 3 Fw levert de vaststelling bovendien volgens die bepalingen, kort gezegd, een executoriale titel op, waardoor de curator onmiddellijk dat salaris kan verhalen, als hij een verhaalsobject weet. Maar een en ander betekent niet dat de gefailleerde of de schuldeisers ook aan die vaststelling gebonden zijn, in de zin dat zij daartegen na het faillissement niet meer zouden kunnen opkomen. Omdat zij geen partij zijn bij de vaststelling, zoals de Hoge Raad uitdrukkelijk zegt in de uitspraak van 19 januari 1990, zijn zij daaraan juist niet gebonden, zou ik menen. Daarbij wijs ik erop dat een grondbeginsel van het burgerlijk procesrecht is dat in beginsel alléén partijen door een rechterlijke uitspraak worden gebonden (vgl. de regeling van het gezag van gewijsde in art. 236 RvPro). [42] Hetzelfde geldt volgens de rechtspraak voor de formele rechtskracht van besluiten en rechterlijke uitspraken. [43] De wet kent die bindende werking niet toe aan de salarisvaststelling jegens de gefailleerde en de schuldeisers, waar men die toekenning wel zou verwachten, als deze zou zijn beoogd jegens belanghebbenden die daarbij volgens het stelsel van de wet uitdrukkelijk geen partij zijn. Die bindende werking zou bovendien ook niet stroken met het eenvoudige en op snelheid gerichte karakter van de salarisvaststelling waarnaar in de uitspraak van 19 januari 1990 (terecht) wordt verwezen. Het gaat niet om een met waarborgen omklede procedure.
Kennelijk aarzelde de Hoge Raad echter toch over dit gevolg van zijn genoemde constatering en heeft hij daarom de gelding van art. 6 EVRMPro in dit verband in het midden gelaten in die uitspraak. Daarom wijs ik er maar op dat wel op meer punten geldt dat in een faillissement al ‘afgedane’ kwesties na het faillissement toch opnieuw weer aan de orde kunnen worden gesteld. Zo kan de gefailleerde bijvoorbeeld, gelet op de art. 196-197 en 126 Fw ná het faillissement terugbetaling van een schuldeiser eisen van hetgeen in faillissement aan die schuldeiser is betaald, mits hij de vordering van de schuldeiser bij de verificatievergadering behoorlijk heeft betwist. [44] In dat geval heeft volgens die bepaling het proces-verbaal van de verificatievergadering namelijk geen kracht van gewijsde zaak.
De weg naar terugbetaling na faillissement is niet eenvoudig en makkelijk voor de gewezen gefailleerde, naar ik opmerk. Het gaat met andere woorden dus niet om een ‘gat’ in het stelsel van de Faillissementswet. De gefailleerde zal na het faillissement immers zélf een procedure moeten aanspannen en daarin moeten zien aan te tonen dat de uitkering aan de schuldeiser ten onrechte heeft plaatsgevonden. Hetzelfde geldt m.i. dus voor de gefailleerde of de schuldeiser die na faillissement een vordering wil instellen over de salarisvaststelling van de curator. Daarbij laat ik in het midden wat dan precies de grondslag voor een dergelijke vordering zou moeten zijn, nu dat in deze zaak niet speelt.
4.34
Gelet op het voorgaande bestaat m.i. geen aanleiding om terug te komen van de uitspraak van 19 januari 1990, ook niet als zou worden aangenomen dat een ‘oplossing’ niet de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. Art. 6 lid 1 EVRMPro is niet in het geding. Op grond van het juist hiervoor in 4.33 opgemerkte is denk ik evenmin sprake van een inbreuk op art. 13 EVRMPro in combinatie met art. 1 EPPro EVRM (waaraan ik voor dit geval eerder zou denken dan aan een inbreuk op art. 6 EVRMPro). Nu op die inbreuk in deze zaak geen beroep is gedaan, werk ik deze opvatting niet verder uit.
Overigens valt nog steeds aan te nemen dat een ‘oplossing’ de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. In landen waar de gefailleerde of de schuldeisers wel worden gehoord, gelden specifieke regels die de last die dit in een faillissement oplevert, beperken of enigszins beheersbaar maken. [45] De keuze en invoering van dergelijke regels is onmiskenbaar aan de wetgever.
5.Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
1.De navolgende feiten heb ik ambtshalve verzameld aan de hand van de bestreden beschikking en de gegevens die te vinden zijn in het Centraal Insolventieregister en op rechtspraak.nl. Geen van partijen heeft deze feiten in cassatie vermeld of de relevante stukken van het faillissement overgelegd. Omdat die stukken voor de beoordeling van het cassatieberoep m.i. (inderdaad) niet van belang zijn (zoals beide partijen hebben opgemerkt ter verklaring van het feit dat zij deze niet hebben overgelegd; zie hun portaalberichten van 29 augustus 2025), heb ik deze niet opgevraagd.
4.Volgens de procesinleiding in cassatie is Dullaart op 4 mei 2025 overleden.
5.Het verzoek is in cassatie niet overgelegd (zie voetnoot 1). De hier vermelde inhoud ervan is ontleend aan de (niet in cassatie bestreden) vaststelling van de rechtbank in haar beschikking.
7.Zie HR 3 juli 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB8474, NJ 1989/770, rov. 3.1, en HR 19 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1009, NJ 1991/213, m.nt. E.A. Alkema, rov. 3.4, beide m.b.t. een cassatieberoep van de curator tegen de vaststelling van zijn salaris door de rechtbank. In deze uitspraken is mede beslist dat dit cassatieberoep voor de curator openstaat, ook al voorziet de wet niet in dat beroep.
8.Een en ander is vaste rechtspraak. Zie bijv. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/255, en B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/177, beide met vermelding van meer gegevens.
10.Met dien verstande dat in het geval dat sprake is van tussentijdse uitdelingen in het faillissement, ook een tussentijdse salarisvaststelling plaatsvindt. Vgl. Van der Feltz II, p. 238.
12.Zie het al genoemde HR 19 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1009, NJ 1991/213, m.nt E.A. Alkema (cassatie in het belang der wet), alsmede HR 12 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3364, NJ 2000/52, m.nt P. van Schilfgaarde, rov. 3.2, en HR 23 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0205, rov. 3.2. Vgl. ook bijv. Wessels Insolventierecht IV 2020/4116 en GS Faillissementswet, art. 71 FwPro, aant. 6-7 (F.M.J. Verstijlen, actueel t/m 01-06-2025).
13.De procesinleiding verwijst op dit punt naar HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1780, rov. 3.4.2-3.4.4. en HvJ EG 13 november 1990, ECLI:EU:C:1990:395, sub 7-8.
14.De procesinleiding verwijst hier naar HvJ EG 29 april 2004, zaak C-371/02 (Björnekulla).
15.Hiervoor verwijst de procesinleiding naar HvJ EU 19 april 2016, zaak C-441/14, (Dansk Industri).
16.Hier verwijst de procesinleiding naar HvJ EG 19 november 1982, zaak C-8/81 (Becker), sub 17-25, en HvJ EG 25 juli 2008, zaak C-237/07, ECLI:EU:C:2008:447 (Janecek), sub 35 -39.
17.In de rechtspraak van het EHRM vertaalt zich dit in de eis dat sprake moet zijn van een geschil over een dergelijk recht, dat in de betrokken procedure wordt beslecht. Vgl. de op de website van het EHRM gepubliceerde Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights Right to a fair trial (civil limb), Updated on 31 August 2025, onder I.A, met vermelding van rechtspraak. Zie ook Meese e.a., Sdu Commentaar EVRM, aant. 2.1 op art. 6 EVRMPro (acuteel t/m 31 maart 2019). Voorlopige rechterlijke maatregelen vallen daarom in beginsel niet onder art. 6 lid 1 EVRMPro. Vgl. genoemde Guide onder I.D.
18.Ook Wessels Insolventierecht IV 2020/4116 gaat ervan uit dat art. 6 EVRMPro niet van toepassing is.
19.HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9953, NJ 2014/506, m.nt. W.D.H. Asser. Asser wijst er terecht in zijn noot op dat de uitsluiting weer niet geldt als verzuimd is om de curator te horen.
20.HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:947, gelezen tegen de achtergrond van de conclusie van de A-G, ECLI:NL:PHR:2014:192, en mogelijk ook HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:462, eveneens gelezen tegen de achtergrond van de conclusie van de A-G, ECLI:NL:PHR:2020:1013. Zie ook GS Faillissementswet, art. 71 FwPro, aant. 6 en 7 (F.M.J. Verstijlen, actueel t/m 01-06-2025).
21.Vgl. Wessels Insolventierecht VII 2021/7211 en Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/982.
22.Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (PbEU 2019, L 172).
24.Art. 34 lid 1 RichtlijnPro. Ten aanzien van art. 28 RichtlijnPro golden op basis van die bepaling langere omzettingstermijnen. Op grond van lid 2 konden lidstaten voorts onder omstandigheden een verlenging van de termijn in lid 1 krijgen. Die uitzonderingen blijven hier verder buiten beschouwing.
25.COM(2016) 723.
26.COM(2016) 723, p. 6-7
27.Zie de Partiële algemene oriëntatie in Document ST_9236_2018_INIT, p. 7
28.Zie de Algemene oriëntatie in Document ST 12536 2018 INIT, p. 81.
29.Aldus het Resultaat van de eerste lezing door het Europees Parlement, opgenomen in Document ST_7753_2019_INIT.
30.Zie Document ST_9757_2019_INIT.
31.Zie het ontwerp onder E. Het ontwerp is te raadplegen via https://www.internetconsultatie.nl/herstructurering.
32.Zie de toelichting op het ontwerp, p. 40 en 44, eveneens te raadplegen via https://www.internetconsultatie.nl/herstructurering.
33.Zie aldus in het bijzonder de reacties van INSOLAD, p. 9-10, Vereniging JIRA, p. 2, en ook zeer uitvoerig KienhuisHoving. De reacties zijn op dezelfde plaats te vinden als het ontwerp en de toelichting daarop. Ze zijn ook gevoegd als bijlagen bij de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel van de implementatiewet, Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3.
34.Advies RvdR, p. 3-4, dat eveneens een bijlage is bij de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel van de implementatiewet, Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3.
35.Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 2, art. I onder E.
36.Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3, p. 49.
37.Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3, p. 66.
38.Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3, p. 64.
39.Kamerstukken II 2021/22, 36 040, nr. 3, p. 64-65.
40.Stb. 2022, 491 en 492.
41.Zie in deze zin al de vordering tot cassatie in het belang der wet in de zaak van de uitspraak van 19 januari 1990. Zie voorts bijvoorbeeld in deze trant J.C. van Apeldoorn, Insolventieprocedures en grondrechten (diss. Tilburg), Den Haag: Boom Juridisch 2009, p. 111, en Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/616.
42.Vgl. daarover ook HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006, NJ 2020/41, m.nt. J. Spier, rov. 8.2.5.
44.Zie voor een in het verlengde hiervan liggende mogelijkheid om de afdoening bij faillissement na het faillissement weer terug te draaien mijn conclusie voor HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1067, NJ 2023/291, m.nt. F.M.J. Verstijlen, onder 4.17-4.18 en 4.21-4.22. De Hoge Raad heeft dienovereenkomstig in zijn arrest beslist (rov. 5.4).
45.In Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/616 wordt kort gewezen op de mogelijkheden in het Duitse, Engelse en Franse recht. Daarom daarover, eveneens kort, meer nader het volgende. Volgens § 63 en 65 InsO jo § 1 InsVV is in Duitsland de waarde van de failliete boedel bij het einde van de faillissementsprocedure de grondslag voor de vaststelling van het salaris van de curator, wat een veel makkelijkere en minder voor discussie vatbare maatstaf is dat het in redelijkheid aan het faillissement bestede aantal uren dat in Nederland de maatstaf vormt volgens de Recofa-richtlijnen. The Insolvency (England and Wales) Rules 2016 kennen voor Engeland meerdere vergaande beperkingen, waarvan de belangrijkste is dat voor een beroep tegen de salarisvaststelling vaak eerst toestemming van het gerecht zal moeten worden gekregen en de kosten van de procedure in beginsel voor rekening van de verzoeker zijn (vgl. Rule 18.34, 18.35, 18.36, 18.37). In Frankrijk is de salarisvaststelling van de curator (veel) meer gereglementeerd dan in Nederland (de art. R.663-18 t/m R.663-31 Code de Commerce) en kan alléén de schuldenaar (en dus niet de schuldeisers) daartegen opkomen (art. R.663-38 Code de Commerce). Ook zijn er mogelijk andere verschillen, zoals het ontbreken van een bepaling als art. 69 FwPro en een rechtstelsel waarbij gemiddeld genomen meer actief in de boedel pleegt te zijn dan in Nederland.