ECLI:NL:RBLIM:2026:283

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL:TZ:0000226874:B001
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 5 onder b Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentorenArt. 3 lid 6 Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentorenArt. 392 lid 3 RvArt. 392 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Prejudiciële vragen over forfaitaire verhuisvergoeding van bewindvoerders

De Rechtbank Limburg behandelt een verzoek van Verder Bewind Zuid B.V. betreffende de uitleg van artikel 3 lid 5 onder Pro b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren over de forfaitaire verhuisvergoeding. De kantonrechter heeft de bewindvoerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het voornemen om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.

De vragen betreffen of een beschermingsbewindvoerder altijd recht heeft op de verhuisvergoeding als de rechthebbende verhuist en er geen mentor is, of dat aanvullende werkzaamheden vereist zijn. Tevens wordt gevraagd of de bewindvoerder volstaat met bewijs van verhuizing en afwezigheid van een mentor, en of de vergoeding met terugwerkende kracht kan worden aangevraagd binnen de verjaringstermijn.

De kantonrechter wijst een aanvullende vraag van de bewindvoerder af omdat deze betrekking heeft op uitzonderlijke omstandigheden en een ander toetsingskader. De beschikking houdt verdere beslissingen aan totdat de Hoge Raad heeft geoordeeld. De zaak is van belang vanwege het grote aantal soortgelijke verzoeken bij deze en andere rechtbanken en gerechtshoven.

Uitkomst: De kantonrechter stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en houdt verdere beslissingen aan.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Toezicht
Locatie Maastricht
toezichtnummer
:
NL:TZ:0000226874:B001
CBM-nummer
:
BM380630
beschikkingsnummer
:
2
datum
:
13 januari 2026
Beschikking van de kantonrechter
op verzoek van:
Verder Bewind Zuid B.V.,
Postbus 164, 6440 AD Brunssum,
Kamer van Koophandel-nummer 14051037,
hierna te noemen: verzoeker of bewindvoerder,
met betrekking tot:
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
wonende te [adres] , [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene.

1.De verdere procedure

1.1.
Het eerdere verloop van de procedure blijkt uit de tussenbeschikking van 14 november 2025. De bewindvoerder heeft gereageerd op 15 december 2025.
1.2.
De datum voor de beschikking is bepaald op vandaag.

2.Beoordeling

2.1.
In de tussenbeschikking heeft de kantonrechter de bewindvoerder in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voornemen om de volgende prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad alsmede over de inhoud van de te stellen vragen:
Vraag A:
Heeft een beschermingsbewindvoerder altijd recht op de verhuisvergoeding genoemd in artikel 3 lid 5 onder Pro b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren als rechthebbende verhuist en er geen mentor is, of moet de bewindvoerder in aanvulling op de standaardwerkzaamheden aanvullende werkzaamheden verrichten die normaliter door rechthebbende of diens mentor (of een andere persoon) zouden worden verricht (en hierbij aanvoeren dat rechthebbende hiertoe zelf niet in staat is)?
Vraag B:
Indien dat eerste (altijd recht op…): kan de bewindvoerder volstaan met de mededeling dat er geen mentor is en bewijs dat rechthebbende is verhuisd, of moet de bewindvoerder meer aanvoeren, en zo ja, wat?
Vraag C:
Indien dat eerste (altijd recht op…): kunnen bewindvoerders de vergoeding met terugwerkende kracht aanvragen, met inachtneming van de verjaringstermijn van vijf jaar, of moet een andere termijn worden gehanteerd (bijvoorbeeld de einddatum van de laatste rekening en verantwoording)?
2.2.
De kantonrechter heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
2.3.
De bewindvoerder heeft als volgt gereageerd:
‘In haar beschikking d.d. 14 november jl. geeft de kantonrechter aan voornemens te zijn prejudiciële vragen te stellen. Wij zijn zeer verheugd te vernemen dat deze vragen aan de Hoge Raad worden voorgelegd, teneinde duidelijkheid te scheppen op dit onderwerp.
Wij kunnen ons vinden in de door de kantonrechter geformuleerde vragen en hebben hier één aanvulling op. Mocht de Hoge Raad tot de beslissing komen dat de werkzaamheden van de bewindvoerder bij een verhuizing in afwezigheid van een mentor niet zonder meer voor vergoeding aankomen, dan willen wij graag van de Hoge Raad vernemen welke werkzaamheden als uitzonderlijk worden aangemerkt en waarbij de bewindvoerder wél in aanmerking komt voor vergoeding van deze kosten.’
2.4.
De kantonrechter zal de door de bewindvoerder voorgestelde vraag niet voorleggen aan de Hoge Raad. De voorgestelde prejudiciële vragen zien alle op het juridische toetsingskader van de forfaitaire verhuiskostenvergoeding als bedoeld in artikel 3 lid 5 onder Pro b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. De voorgestelde vraag lijkt te zien op de uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 3 lid 6 van Pro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren en betreft een feitelijke (rechts)vraag. Hierbij geldt een heel ander – in de tussenbeschikking niet behandeld – toetsingskader dat in onderhavige zaak bovendien niet aan de orde is. Bovendien leent dit zich niet voor een prejudiciële vraag.
2.5.
In aanvulling op wat in de tussenbeschikking staat, merkt de kantonrechter nog het volgende op. In r.o. 2.12. staat dat de kantonrechter op dat moment een veertigtal nieuwe verzoeken had liggen. Inmiddels is dat aantal opgelopen naar drieënnegentig verzoeken.
2.6.
Verder wordt in de tussenbeschikking gesproken over procedures die hebben gelopen over dit onderwerp bij de gerechtshoven Arnhem-Leeuwarden, Den Bosch en Den Haag (zie 2.3., 2.5., 2.9., 2.10. en 2.11. van de tussenbeschikking). Inmiddels is gebleken dat er ook een zaak aanhangig is bij het gerechtshof Amsterdam over onderhavig onderwerp, waarbij de mondelinge behandeling was gepland op 18 december 2015.
2.7.
Op grond van artikel 392 lid 3 Rv Pro moet de beslissing naast de uiteenzetting dat met de beantwoording van de vraag wordt voldaan aan onderdeel a of b van het eerste lid het volgende vermelden: het onderwerp van geschil, de door de rechter vastgestelde feiten en de door partijen ingenomen standpunten. Onder verwijzing naar 2.12 van de tussenbeschikking en 2.5 hiervoor merkt de kantonrechter op dat is voldaan aan het vereiste van artikel 392 lid Pro 1, aanhef en onder b, Rv. Immers is het antwoord op de vragen nodig om in deze zaak op het verzoek te beslissen, en rechtstreeks van belang voor de overige tweeënnegentig verzoeken die bij deze kantonrechter voorliggen, om nog maar te zwijgen over alle andere verzoeken in den lande, zowel bij rechtbanken als hoven. Voor het onderwerp van het geschil en de vastgestelde feiten verwijst de kantonrechter verder naar de tussenbeschikking van 14 november 2025, en voor het ingenomen standpunt van verzoeker naar 2.3. van deze tussenbeschikking.
2.8.
De kantonrechter voegt aan vraag A een passage toe, te weten de tekst tussen haakjes. Dit om het kader van de vragen nog wat scherper te schetsen.

3.Beslissing

De kantonrechter
3.1.
stelt de Hoge Raad de volgende rechtsvragen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing:
Vraag A:
Heeft een beschermingsbewindvoerder altijd recht op de verhuisvergoeding genoemd in artikel 3 lid 5 onder Pro b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren als rechthebbende verhuist en er geen mentor is, of moet de bewindvoerder in aanvulling op de standaardwerkzaamheden (die de bewindvoerder altijd heeft als een cliënt verhuist) aanvullende werkzaamheden verrichten die normaliter door rechthebbende of diens mentor (of een andere persoon) zouden worden verricht (en hierbij aanvoeren dat rechthebbende hiertoe zelf niet in staat is)?
Vraag B:
Indien dat eerste (altijd recht op…): kan de bewindvoerder volstaan met de mededeling dat er geen mentor is en bewijs dat rechthebbende is verhuisd, of moet de bewindvoerder meer aanvoeren, en zo ja, wat?
Vraag C:
Indien dat eerste (altijd recht op…): kunnen bewindvoerders de vergoeding met terugwerkende kracht aanvragen, met inachtneming van de verjaringstermijn van vijf jaar, of moet een andere termijn worden gehanteerd (bijvoorbeeld de einddatum van de laatste rekening en verantwoording)?
3.2.
beveelt de griffier onverwijld een afschrift van deze beschikking aan de Hoge Raad te zenden, met daarbij een afschrift van de tussenbeschikking van 14 november 2025,
3.3.
beveelt de griffier afschriften van de andere op de procedure betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van de Hoge Raad te zenden,
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan totdat een afschrift van de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. Drenth, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.