Conclusie
1.Inleiding en overzicht
De zaken
onderdeel 2met een weergave van de verschillende opvattingen over de voorliggende centrale vraag. Daarmee begin ik mede omdat uit de weergave volgt dat de centrale vraag verschillende aspecten kent. Er zijn in de kern twee deelvragen te onderscheiden. De
eerste deelvraagis of het deel van het brutoloon dat is ingehouden om Liechtensteinse sociale-zekerheidspremies te betalen, loon is als bedoeld in art. 10 Wet LB dat is genoten. In verband met deze deelvraag zijn verscheidene benaderingen te ontwaren ter zake van 'wat' mogelijk als loon wordt genoten: (i) wordt het mogelijke loonvoordeel gevormd door het premiebedrag als onderdeel van het brutoloon als zodanig?; (ii) bestaat het mogelijke loonvoordeel uit het verkrijgen van een aanspraak ingevolge de Liechtensteinse socialezekerheidswetgeving?; of (iii) is het mogelijke loonvoordeel een vordering op de werkgever ter hoogte van het (onterecht) ingehouden premiebedrag? De gehanteerde benadering beïnvloedt vervolgens weer de wijze van beoordeling van de vraag óf en wanneer het loonvoordeel genoten is. De
tweede deelvraagis of,
alssprake is van genoten loon in de zin van art. 10 Wet LB, het ingehouden premiebedrag onder het uitgezonderde loon valt op grond van art. 11(1)(f) en (j)(2) Wet LB althans op grond van een beleidsbesluit uit 2014 (Besluit 2014) en daarop betrekking hebbende mededelingen.
Onderdeel 3behandelt enige aspecten van het genieten van loon. Eerst komen kort aan de orde: het voordeelcriterium als onderdeel van het loonbegrip (3.3-3.5), aanspraken in de zin van art. 10(2) Wet LB (3.6-3.11), het genieten van het loon in het algemeen (3.12-3.14) en het genietingsmoment ‘vorderbaar en inbaar’ (3.15). De meeste aandacht besteed ik aan de kwestie over hoe eigenlijk het bedrag dat op het brutoloon wordt ingehouden voor loonheffing wordt genoten door de werknemer als loon. Aan de orde komt rechtspraak van de Hoge Raad over het genieten van loon door inhouding (3.16-3.20), gevolgd door literatuur over de conceptuele vraag op welke genietingswijze dan genoten wordt door inhouding (3.21-3.30).
onderdeel 4geef ik mijn beschouwing over de eerste deelvraag. Ik start met de vraag hoe loon in de zin van art. 10 Wet LB wordt genoten voor zover het gaat om het deel van het brutoloon dat is ingehouden om Liechtensteinse sociale-zekerheidspremies te voldoen, in de ‘normale situatie’ waarin terecht Liechtensteinse sociale-zekerheidspremies zijn ingehouden. Ik meen dat, dienovereenkomstig HR BNB 2017/13, dat deel van het brutoloon door de werknemer als loon wordt genoten door de inhouding daarvan door de werkgever (4.2-4.5). Gelet daarop ligt het naar mijn mening in de rede om in het onderhavige geval, waarin is komen vast te staan dat de belanghebbende de Liechtensteinse premies niet verschuldigd is, de vraag of loon wordt genoten wat betreft het ingehouden premiebedrag, primair te benaderen door te beoordelen of dat bedrag kan worden beschouwd als te zijn genoten als onderdeel van het brutoloon als zodanig door de inhouding (4.7-4.12). Ik meen dat dit laatste het geval is. De inhouding op het loon is geschied met het oogmerk om een premieschuld van de belanghebbende te voldoen waarvan zowel de werkgever als de belanghebbende uitging dat de belanghebbende die schuld had. Daarmee is op het moment van inhouding het loon genoten in de vorm dat de werkgever het op zich neemt om de premieschuld van de werknemer te voldoen met het ingehouden bedrag. De omstandigheid dat daarna komt vast te staan dat de belanghebbende de premieschuld niet had, kan dat fiscale genietingsmoment niet terugdraaien (4.13-4.17). Ik kan echter niet ontkennen dat ik met de eerste deelvraag heb geworsteld, en dat ik het lastig vond om er goed conceptueel vat op te krijgen.
conclusiedat de centrale vraag bevestigend moet worden beantwoord: de belanghebbende heeft loon in de zin van art. 10 e.v. Wet LB genoten voor zover het gaat om het deel van het brutoloon dat is ingehouden om Liechtensteinse sociale-zekerheidspremies te voldoen, ook al is komen vast te staan dat de belanghebbende de Liechtensteinse premies niet verschuldigd is.
2.Opvattingen over de centrale vraag
brutoloon. Daarvan is een deel kennelijk ingehouden door de werkgever en wellicht in Liechtenstein afgestort naar een fonds ter financiering van sociale zekerheidsuitkeringen. Het moge zo zijn dat dit achteraf gezien niet nodig was, en zelfs dat er in het geheel geen rechtsgrond voor aanwezig was. Dat laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat het genietingsmoment ten aanzien van het
brutoloon dan al heeft plaatsgevonden. Anders gezegd: de rechtbank ziet de (achteraf wellicht onterechte) inhouding dus eigenlijk als inkomensbesteding. Het feit dat het ten onrechte is ingehouden heeft naar het oordeel van de rechtbank rechtsgevolgen voor de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen eiser en zijn werkgever. Eiser kan die inhoudingen dan vermoedelijk terugvorderen bij zijn werkgever. Naar Nederlandse fiscale maatstaven is het kwaad echter al geschied toen het bruto loon ter beschikking werd gesteld. (…)”
ten eerstehet oordeel van het Bossche hof (zie 2.4) dat het volledige bruto maandloon tot het fiscale loon gerekend dient te worden. Naar ik begrijp is het standpunt van de gemachtigde dat belanghebbende geen voordeel heeft genoten voor zover het gaat om het ingehouden premiebedrag: [22]
ten tweededat de belanghebbende evenmin een aanspraak als bedoeld in art. 10(2) Wet LB heeft verkregen, omdat de belanghebbende onder het Nederlandse, en niet het Liechtensteinse socialezekerheidsrecht viel: [23]
zo ja:
3.Genieten van loon: enige aspecten
niet(a contrario) zo worden begrepen dat het bedrag aan ingehouden loonheffing niet als genoten loon kan worden beschouwd voor zover die heffing materieelrechtelijk niet is verschuldigd.
4.Beschouwing deelvraag 1 (ingehouden premiebedrag als loon genoten?)
welkan worden beschouwd als te zijn genoten als onderdeel van het brutoloon door de inhouding, dan behoort dat bedrag dus (reeds) om die reden tot het genoten loon en hoeft daarom de ‘aanspraak’-benadering verder niet te worden onderzocht. En in het geval de primaire benadering tot de conclusie leidt dat het ingehouden premiebedrag
nietkan worden beschouwd als te zijn genoten als onderdeel van het brutoloon door de inhouding, dan zal die conclusie denkelijk steunen op de grond dat belanghebbende geen Liechtensteinse premie verschuldigd is, aangezien de belanghebbende niet onder het Liechtensteinse socialezekerheidsstelsel valt. Gelet op dat laatste zal in dat geval de conclusie óók zijn dat de belanghebbende geen aanspraak in de zin van art. 10(2) Wet LB heeft verkregen.
nietkan worden beschouwd als te zijn genoten als onderdeel van het brutoloon door de inhouding. In dat geval zal immers moeten worden beoordeeld of dat bedrag aan de belanghebbende ten goede is gekomen op een andere in art. 13a Wet LB en art. 3.146 Wet IB 2001 genoemde wijze. Daartoe hoort de genietingswijze ‘vorderbaar en tevens inbaar’.
voor zoverde loonheffing is verschuldigd. Dat zou namelijk niet stroken met het in 3.18 vermelde arrest HR BNB 1998/290. In dat arrest ligt immers besloten dat een bedrag aan ingehouden loonheffing als genoten loon is aan te merken ook al is een deel van het bedrag aan loonheffing materieelrechtelijk niet verschuldigd (zie 3.19). Dit arrest lijkt mij in lijn te liggen met bijvoorbeeld het in 3.26 vermelde arrest HR BNB 1973/130 over het genieten van dividend, in die zin dat in dat arrest het volledige bedrag aan ingehouden Zwitserse bronbelasting tot het genoten dividend werd gerekend ook al was op grond van het belastingverdrag met Zwitserland minder Zwitserse bronbelasting verschuldigd en was het meerdere in het desbetreffende jaar nog niet gerestitueerd.
in het geheelgeen Liechtensteinse premies zijn verschuldigd. Zo doet bijvoorbeeld zowel de verrekening-benadering van Mertens (3.22-3.23) als die van Sprey (3.24) niet zonder meer opgeld voor dat geval, aangezien die benaderingen erop zijn gestoeld dat de werknemer een (loon)belastingschuld heeft, terwijl in dit geval de werknemer juist geen premieschuld aan de Liechtensteinse autoriteiten heeft.
5.Beschouwing deelvraag 2 (ingehouden premiebedrag is uitgezonderd loon?)
nietgoed bij de strekking van art. 11(1)(f) en (j)(2) Wet LB zou passen als een vrijstelling wordt toegepast in een geval waarin geen aanspraak bestaat. De vrijstelling ex art. 11(1)(f) en (j)(2) Wet LB heeft immers te maken met de omkeerregel, waarbij niet de bijdrage voor een aanspraak wordt belast, maar de uiteindelijke uitkering. Als geen aanspraak op uitkeringen bestaat, is daarom ook naar de strekking geen reden voor toepassing van de omkeerregel.