ECLI:NL:HR:1997:AA2131
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Pos
- raadsheer Beukenhorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingheffing op schadevergoeding bij ontslag en stamrechtregeling
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd over een belastbaar inkomen van ƒ 319.425,--. Deze aanslag werd gehandhaafd na bezwaar en bevestigd door het Gerechtshof Arnhem. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De zaak betrof een schadevergoeding toegekend op grond van een arbeidsovereenkomst uit 1984, die bij ontslag werd uitgekeerd. Deze vergoeding van ƒ 1.600.000,-- werd gebruikt als koopsom voor een stamrecht bij een besloten vennootschap. De inspecteur had goedgekeurd dat deze koopsom zonder belastingheffing kon worden uitgekeerd.
Het Hof oordeelde echter dat deze schadevergoeding niet viel onder de aanspraken bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet op de loonbelasting 1964, omdat het recht op de vergoeding niet vergelijkbaar is met aanspraken jegens spaar- en voorzieningsfondsen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het argument dat het risico van deze aanspraak verzekerbaar was.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het arrest werd op 19 maart 1997 uitgesproken door de genoemde raadsheren onder voorzitterschap van vice-president Stoffer.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de schadevergoeding niet als aanspraak in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 kwalificeert.