Conclusie
1.Inleiding en overzicht
Eén conclusie in twee zaken; werkwijze
onderdeel 5volgt mijn beschouwing. Ik start met twee meer algemene thema’s, te weten de vraag wat nu het objectieve is bij de objectieve-beschouwingmaatstaf (5.2-5.7) en de vraag wat de relevantie is van de ‘in dubio’-uitlegregel van HR BNB 1980/218 voor de onderhavige uitlegkwestie (5.8-5.11). Daarna volgt de kern: de uitleg van de goedkeuring in het besluit van 14 april 2020 (5.12-5.23) en de betekenis van het besluit van 16 juni 2020 voor deze zaak (5.24-5.32), afgesloten met een conclusie met betrekking tot middel I (5.33). Tot slot komen de overige middelen aan bod (5.34-5.43).
onderdeel 6volgt een beoordeling van de middelen aan de hand van mijn beschouwing.
2.Het geschil, de oordelen in feitelijke instanties en het geschil in cassatie
eerstemiddel komt met een rechtsklacht op tegen rov. 5.7 over het vertrouwensbeginsel.
tweedemiddel is gericht tegen rov. 5.8 en rov. 5.10 (al noemt het ook rov. 5.7, maar ik ontwaar geen zelfstandige klacht daartegen, althans geen klacht die niet reeds onderdeel is van het eerste middel).
derdemiddel stelt rov. 5.11 over het gelijkheidsbeginsel aan de orde.
vierdemiddel is gericht tegen de laatste alinea van rov. 5.10 over na 12 maart 2020 toegekende aanvullende reiskostenvergoedingen aan werknemers die op 12 maart 2020 wel reeds een (doorlopende) vaste reiskostenvergoeding hadden. [4]
3.De onderhavige beleidsbesluiten, reacties daarop, en rechtspraak daarover
Besluit noodmaatregelen coronacrisis
1. Inleiding
4.Loonheffingen
11.Inwerkingtreding
niet“geheel of gedeeltelijk tot het loon hoeft te rekenen”. Gegeven dat na invoering van de werkkostenregeling zo’n vergoeding per definitie loon is onder het verruimde loonbegrip van art. 10 e.v. Wet LB, begrijp ik het zo dat de staatssecretaris daarmee eigenlijk bedoelt dat de werkgever geen loonheffing is verschuldigd op grond van art. 31a(2) Wet LB over de reiskostenvergoeding.
14.Inwerkingtreding en vervaldatum
meeronder de goedkeuring” (onderstreping MP). De auteurs signaleren trouwens dat een werkgever in een lastig parket kan komen indien de werkgever na 12 maart 2020 afspraken heeft gemaakt voor kostenvergoedingen waarbij nog geen rekening kon worden gehouden met het besluit van 16 juni 2020:
aanbiedthier nu in deze thuiswerktijden geen gevolgen aan hoeft te verbinden.” (onderstreping door de rechtbank). Uit deze toelichting kan naar het oordeel van de rechtbank, veeleer worden afgeleid dat toepassing van de goedkeuring geldt voor aangeboden reiskostenvergoedingen. Anders dan rechtbank Noord-Holland in zijn uitspraak van 24 april 2023 heeft geoordeeld (…) leest de rechtbank in het besluit van 14 april 2020 dus niet dat de goedkeuring enkel ziet op reiskostenvergoedingen die reeds vóór 13 maart 2020 waren toegekend.
4.Uitleg beleid
Vooraf: taak van de Hoge Raad bij uitleg van beleid
welzou moeten toetsen of het niet-opleggen van de aanslag in een individueel geval zijn doel voorbij schiet omdat er geen aanleiding zou hebben bestaan voor het verlenen van kwijtschelding, de belastingrechter zich in wezen zou moeten uitlaten over kwijtschelding, wat echter niet op zijn terrein ligt. [41]
5.Beschouwing
niet– naar analogie van HR BNB 1980/218 – tot uitleg
regelzou moeten worden verheven dat indien een uitleg van een goedkeuring verdedigbaar is die meebrengt dat een bepaald gevalstype niet onder de goedkeuring valt, die uitleg prevaleert. Zo’n regel beperkt de ruimte voor de rechter bij uitleg van goedkeurend beleid onnodig, en hij kan bovendien de – door het vertrouwensbeginsel geborgde – rechtsbescherming van belastingplichtigen aantasten.