Belanghebbende, een Nederlandse Rijnvarende werkzaam voor een werkgever in Liechtenstein, was in 2018 sociaal verzekerd in Nederland op grond van een onherroepelijke A1-verklaring van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Hoewel Liechtenstein vanaf 1 september 2018 ook een A1-verklaring had afgegeven, werd deze door het Liechtensteinse socialezekerheidsorgaan ingetrokken en erkend dat de Nederlandse wetgeving van toepassing bleef.
De Rechtbank Den Haag had het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2018 ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat hij niet premieplichtig was in Nederland vanaf september 2018, dat hij Liechtensteinse premies mocht verrekenen, en dat hij aanspraak had op een tegemoetkoming op grond van de regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden.
Het Gerechtshof bevestigde het oordeel van de Rechtbank dat de Nederlandse A1-verklaring leidend is en dat belanghebbende premieplichtig is in Nederland. Verrekening van buitenlandse premies is niet toegestaan en de regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden is niet van toepassing op belanghebbende. Ook de berekening van het loon en de werkkostenregeling door de Inspecteur werden juist bevonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.