ECLI:NL:PHR:1999:AA2694
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over loonbelastingheffing op uitgesteld tantième
De zaak betreft de vraag of over het verschil tussen het nominale bedrag van een toegekend tantième en de contante waarde daarvan loonbelasting en premie volksverzekeringen verschuldigd zijn. De directeur van een BV kreeg in 1994 een tantième toegekend van ƒ 100.000,-, waarvan de uitbetaling was uitgesteld tot 2009. De belanghebbende had loonbelasting afgedragen over de contante waarde van ƒ 36.250,-.
Het hof oordeelde dat er geen sprake was van een aanspraak in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, omdat de uitkering niet afhankelijk was van een toekomstige onzekere gebeurtenis en er geen voorziening was getroffen die zich leent voor fondsvorming. Tevens vond het hof het uitstel van betaling ongebruikelijk, waardoor het loon geacht werd te zijn genoten in 1994.
De Hoge Raad stelt dat het tantième wel degelijk een aanspraak is, omdat het een voorziening betreft die zich leent voor fondsvorming en niet afhankelijk is van een onzekere gebeurtenis. Ook oordeelt de Hoge Raad dat het uitstel van betaling niet als ongebruikelijk kan worden aangemerkt, omdat het een aanvullend pensioenvoorziening betreft. De bestreden uitspraak en de naheffingsaanslag worden vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en oordeelt dat het toegekende uitgestelde tantième een aanspraak is waarop loonbelasting moet worden geheven op het moment van toekenning.