Conclusie
de vrouw,
de zoon,
de moeder,
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
de man) hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben van augustus 1989 tot juli 1992 met elkaar samengewoond.
3.Juridisch kader
Notaris P.geoordeeld dat onder ‘derden’ in de zin van lid 5, tweede volzin, niet mede zijn begrepen degenen die (reeds) voor de vaststelling als erfgenaam golden, en ook niet hun rechtsopvolgers onder algemene titel. Volgens uw Raad zou een andere opvatting immers onverenigbaar zijn met de door het scheppen van de mogelijkheid van gerechtelijke vaststelling nagestreefde gelijkstelling, met name ook in erfrechtelijk opzicht, van kinderen die binnen huwelijk en kinderen die buiten het huwelijk zijn geboren. [13]
hereditatis petitioin te stellen (art. 4:183 BW Pro). [14] Is er een testament dat een erfstelling inhoudt en wordt het kind slechts legitimaris, dan kan het kind door uitoefening van zijn wilsrecht een vordering verkrijgen op de gezamenlijke erfgenamen dan wel de als erfgenaam achtergelaten echtgenoot van de erflater (art. 4:79 en Pro 4:80 BW). [15]
Notaris P.-arrest overwogen:
bij het voortbestaan of het verbreken van de afstammingsrelatie”tussen verzoekster en de vader. Daartoe overwoog uw Raad:
LJNAU3262,
NJ2006/560).
Stcrt. 2005, 52, zoals laatstelijk gewijzigd op 1 april 2013,
Stcrt.2013, 7448) met deze wettelijke regeling in overeenstemming is. (...)
het Procesreglement). Dit reglement geldt voor de procedure bij de rechtbank. In hoger beroep is op alle categorieën verzoeken op het gebied van personen- en familierecht het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven van toepassing. [37] Dit bevat echter geen bepaling over de vraag wie als belanghebbende is aan te merken.
Stcrt.2023, 16977) gelden ingevolge art. 2.2 sub c als belanghebbenden bij een dergelijk verzoek “
in elk geval” de volgende in Bijlage 3 vermelde personen: (
a) degene op wie het verzoek betrekking heeft, (
l) de minderjarige (vertegenwoordigd door een bijzonder curator), (
m) de aangewezen vader of – indien deze vader is overleden – diens afstammelingen, en (
r) de moeder.
Stcrt. 2005, 52, zoals laatstelijk gewijzigd op 1 april 2013,
Stcrt. 2013, 7448). Daarin werden, voor zover van belang, in Bijlage 3 onder (
m) als belanghebbenden aangemerkt ‘de aangewezen vader of – indien deze vader is overleden – diens erfgenamen’.
erfgenamen’in Bijlage 3 onder (
m) is per 1 april 2014 vervangen door ‘
afstammelingen’. Deze wijziging is niet toegelicht. [39] Mogelijk houdt zij verband met de gelijktijdige wijziging van het ingevolge art. 2.2 in verbinding met Bijlage 2 voorgeschreven bescheid nummer 39, dat bij het verzoekschrift moet worden overgelegd indien de man overleden is: een GBA-uittreksel met daarop de (adresgegevens van) al zijn afstammelingen. De term ‘afstammelingen’ in Bijlage 2, bescheid nummer 39 is in 2014 in de plaats gekomen van de term ‘
nakomelingen’. [40] Het is voorstelbaar dat hiermee aansluiting werd gezocht bij de terminologie in Boek 4 BW. [41] Ook is het denkbaar dat de wijziging is ingevoerd met het oog op de praktische hanteerbaarheid, aangezien in de GBA – thans BRP – geen erfgenamen zijn opgenomen, maar wel afstammelingen. [42]
m) uitsluitend nog ‘de aangewezen vader’ als belanghebbende wordt genoemd, en niet langer – indien deze is overleden – diens afstammelingen. Volgens de toelichting bij deze wijziging zijn afstammelingen inzake gerechtelijke vaststelling ouderschap zoals zij thans zijn opgenomen in het procesreglement geen belanghebbenden (wat onverlet laat de bevoegdheid van de behandelend rechter om in een voorkomende zaak een afstammeling als belanghebbende aan te merken). [43]
EHRM) wel in die tekst gelezen. Het hof ziet het recht op toegang tot de rechter als een inherent onderdeel van het recht op een eerlijk proces. De bepaling waarborgt enkel de toegang tot de rechter als er naar nationaal recht sprake is van een relevante procedure. [50]
Grzęda/Polen [51] zijn rechtspraak over art. 6 EVRM Pro als volgt samengevat (onderstreping, A-G):
a right which can be said, at least on arguable grounds,
to be recognised under domestic law, irrespective of whether that right is protected under the Convention. The dispute must be genuine and serious; it may relate not only to the actual existence of a right but also to its scope and the manner of its exercise; and, lastly,
the result of the proceedings must be directly decisive for the right in question, mere tenuous connections or remote consequences not being sufficient to bring Article 6 § 1 into play. […] Lastly, the right must be a “civil” right […].”
right” in de zin van art. 6 EVRM Pro te kunnen worden aangemerkt, moet het recht of de verplichting een basis hebben in het nationale recht. [52] Het EHRM heeft meermaals overwogen dat, bij het bepalen of een recht of verplichting een basis heeft in het nationale recht, aanknopingspunten zijn: de relevante nationale regelgeving en de interpretatie hiervan door de nationale rechter. [53] Het is aan de nationale autoriteiten, in het bijzonder de nationale rechter, om de nationale wetgeving te interpreteren. Alleen in het geval dat de interpretatie arbitrair of
“manifestly unreasonable” is, kan het EHRM vaststellen of de gevolgen van de betreffende interpretatie verenigbaar zijn met het EVRM. [54]
advisory opinionuitgelaten over de procedurele status en rechten van een biologische ouder in de procedure tot adoptie van een volwassene. [55] In de Finse zaak die heeft geleid tot deze
advisory opinionging het om het volgende. De meerderjarige zoon (C) woonde sinds zijn vierde levensjaar bij zijn tante (B), die op verzoek van de biologische moeder (A) de gedeelde voogdij had. Meer dan twintig jaar later (C was inmiddels 25 jaar) was B een procedure tot adoptie gestart. A had zich tegen deze adoptie verzet en zij was in eerste aanleg ook (op haar verzoek) gehoord. In eerste aanleg had de rechter de adoptie toegewezen. A kwam in hoger beroep. Zij werd echter niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen partij was in de adoptieprocedure. Zij heeft vervolgens cassatie ingesteld.
minderjarigkind is op grond van de Finse adoptiewet vereist dat de biologische ouders instemmen met de adoptie; ook hebben zij het recht om te worden gehoord en om beroep in te stellen. Als het gaat om adoptie van een
meerderjarigkind hebben de biologische ouders deze rechten op grond van de Finse adoptiewet niet. In de parlementaire geschiedenis van de Finse adoptiewet is opgemerkt dat de adoptie van een volwassene een aangelegenheid is tussen de adoptieouder en het adoptiekind. Het Finse Hooggerechtshof leidt hieruit af dat de Finse wetgever de biologische ouders van een meerderjarig kind daarom geen procedurele rechten in de procedure tot adoptie heeft willen geven. [56]
Grzęda, […] § 258). Moreover, in order to decide whether the right in question has a basis in domestic law, the starting point must be the provisions of the relevant law and their interpretation by the domestic courts (ibid., § 259). Bearing in mind the explanations given by the Supreme Court about the content and rationale of the relevant statutory provisions […], it appears that the right claimed by the biological mother does not exist, even on arguable grounds, in domestic law […]. It is, however, for the requesting court to determine whether, with reference to domestic law and the facts of the pending dispute, that is the case.”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
a,
ben
c).
subonderdeel 1.1-awordt
ten eerstebetoogd dat de vrouw wel degelijk rechtstreeks belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro. Daartoe wordt aangevoerd dat de vrouw (naar ’s hofs vaststelling in rov. 5.5) erfgenaam is van de man. De zoon heeft als rechtstreeks gevolg van de gerechtelijke vaststelling recht op zijn legitieme portie (art. 4:63 lid 1 BW Pro), ter zake waarvan hij een vordering heeft op de vrouw (art. 4:80 lid 1 BW Pro).
Ten tweedewordt aangevoerd dat de wetgever onderkend heeft dat een gerechtelijke vaststelling vooral vermogensrechtelijke gevolgen heeft, zoals het verkrijgen van erfrechtelijke aanspraken. [59] Daarmee zou onverenigbaar zijn dat de vrouw, wier vermogensrechtelijke positie rechtstreeks door de gerechtelijke vaststelling zou worden aangetast, niet als belanghebbende wordt aangemerkt. [60] Ten derdewordt geklaagd dat volstrekt onduidelijk is wat het hof in rov. 5.5 bedoelt met ‘
slechts een afgeleid belang’.
afaalt op grond van het volgende.
rechtstreeksdoor de rechterlijke beslissing op het voorliggende verzoek worden geraakt.
afstammingsrelatietussen de ouder en het kind. Het doel daarvan is het tot stand brengen van een familierechtelijke betrekking. Gerechtelijke vaststelling kan slechts worden verzocht door het kind en de moeder (tot het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt) (hiervoor onder 3.3 e.v.). In het toepasselijke Procesreglement overige (Boek 1) zaken (juli 2023) worden daarnaast uitsluitend de vader, de moeder van het meerderjarig kind en, indien de ouder is overleden, diens afstammelingen als belanghebbende aangemerkt in de procedure tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap. In het nieuwste Procesreglement zijn de ‘afstammelingen’ geschrapt (hiervoor onder 3.26 e.v.). Mijns inziens ligt het niet in de rede om buiten deze kring vallende personen aan te merken als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro in verbinding met art. 1:207 BW Pro, omdat hun eigen afstammingsrelatie door de gerechtelijke vaststelling niet wordt gewijzigd. [61]
het kinden
de aangewezen ouder(hiervoor onder 3.4). De nadelige vermogensrechtelijke gevolgen voor anderen heeft de wetgever meegenomen in het kader van lid 5; deze vormden een reden om de terugwerkende kracht van de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap voor bepaalde gevallen te beperken. Dat de vrouw als erfgenaam geen bescherming toekomt van haar vermogensrechtelijke positie is in lijn met de rechtspraak van uw Raad over art. 1:207 lid Pro 5 [63] en strookt met de bedoeling van de wetgever om de belangen van het niet-erkende kind te laten prevaleren boven de belangen en rechten van andere betrokkenen. [64]
slechts een afgeleid belang’. Met deze frase heeft het hof klaarblijkelijk willen uitdrukken dat het vermogensrechtelijk belang waarop de vrouw zich beroept – kort gezegd: het voorkomen dat de zoon legitimaris wordt en als zodanig een vordering op haar verkrijgt – slechts een indirect belang is bij het al of niet tot stand komen van een familierechtelijke betrekking. [65] Dat is, zoals gezegd, noch onjuist, noch onbegrijpelijk.
afaalt.
ook een middel om geld uit de nalatenschap van de man te ontvangen”;
als erfgenaamrechtstreeks belanghebbende is, aldus nog steeds het middel.
Appellante heeft alleen gesteld dat zij een financieel belang heeft bij het gerechtelijk vaststellen van het vaderschap van de man.”)om twee redenen ontoereikend is: (i) zij is onbegrijpelijk, omdat de stellingen van de vrouw wezenlijk anders zijn dan de enkele stelling dat zij “
een financieel belang heeft”; (ii) zij geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de erfgenaam per definitie, althans in beginsel belanghebbende is bij het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.
Appellante heeft alleen gesteld dat zij een financieel belang heeft”) is niet onbegrijpelijk. Deze strekken er immers toe dat het verzoek van de zoon ertoe dient om legitimaris te worden en aldus een vordering op de vrouw te verkrijgen. Bovendien moet ’s hofs vaststelling worden gezien in het licht van de eraan voorafgaande overweging dat de vrouw geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die maken dat er moet worden afgeweken van het Procesreglement. Daarnaast geeft de respons op deze stellingen – namelijk de verwerping ervan – geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ik verwijs naar de bespreking van subonderdeel 1.1-
a.
subonderdeel 1.1-cheeft het hof in rov. 5.5 miskend dat indien iemand belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro, hij deze hoedanigheid niet kan verliezen op grond van een procesreglement. Daarom heeft het hof ten onrechte van belang geacht of de vrouw feiten of omstandigheden heeft gesteld die maken dat moet worden afgeweken van het procesreglement.
ten eersteaan dat het hof ten onrechte de vrouw de toegang tot de rechter heeft ontzegd en het haar onmogelijk heeft gemaakt om bezwaar te maken tegen de vaststelling van het vaderschap van de man en daarmee de kwalificatie van de zoon als legitimaris, waardoor de zoon een vordering op de vrouw verkrijgt.
Ten tweedezou het hof op de stelling van de vrouw dat geen sprake is van een ‘
fair balance’ ontoereikend hebben gerespondeerd. [67] Ten derdewordt geklaagd dat sprake is van een ontoelaatbare beperking van de waarheidsvinding, indien de vrouw niet de mogelijkheid heeft om verweer te voeren, waardoor zij in haar belang wordt geschaad.
Ten vierdeklaagt het onderdeel dat het hof heeft miskend dat het ‘karakter van deze procedure’ (rov. 5.5) hieraan niet kan afdoen.
right” in de zin van art. 6 EVRM Pro (nr. 3.45 e.v.). [68] Art. 6 EVRM Pro is daarom niet van toepassing. Het hof hoefde daarom ook niet te responderen op de stellingen van de vrouw.
right” in de zin van art. 6 EVRM Pro, faalt de klacht mijns inziens eveneens. Ook in dat geval meen ik dat art. 6 EVRM Pro niet van toepassing is, omdat tussen de vrouw en de zoon geen geschil bestaat over de rechten en verplichtingen van de vrouw als erfgenaam, maar het de zoon is die verzoekt om vaststelling van het ouderschap en het resultaat van deze procedure – de vaststelling van een afstammingsrelatie tussen de zoon en de aangewezen vader – niet rechtstreeks beslissend is voor de rechten en verplichtingen van de vrouw (nrs. 3.45, 3.52, 4.7 e.v.).