Uitspraak
wonende te [woonplaats],
kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
17 juni 2022.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de zoon van een onder curatele gestelde rechthebbende cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam. Het geschil betreft de vraag of de zoon als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro kan worden aangemerkt bij het verzoek van de curator om machtiging voor de verkoop en levering van de woning van de onder curatele gestelde.
De Hoge Raad verwijst voor het geding in de feitelijke instanties naar eerdere beschikkingen van de kantonrechter te Zaandam en het gerechtshof Amsterdam. De klachten van de verzoeker over de beschikking van het hof zijn door de Hoge Raad beoordeeld en leiden niet tot vernietiging van die beschikking.
De Hoge Raad acht het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat beantwoording van de vragen niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en bevestigt daarmee de eerdere beslissingen. De zaak betreft tevens aspecten van de bescherming van het familie- en gezinsleven zoals gewaarborgd in artikel 8 EVRM Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de zoon wordt verworpen en de beschikking van het hof bevestigd.