Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
kanzijn. Of degene die als belanghebbende ex artikel 798 lid 1 Rv Pro in aanmerking wenst te komen ook als zodanig moet worden gekwalificeerd dient immers te worden beslist aan de hand van de rechten of verplichtingen waarop die persoon zich beroept. [7] Dat betekent dat de reguliere regels van stellen en betwisten niet in een procedure als de voorliggende kunnen worden toegepast, althans had het hof in ieder geval dienen te motiveren waarom het die regels in deze procedure onverkort kon toepassen.
Kamerstukken II, 1991-1992, nr. 22 487, nr. 3, blz. 8). [19]
haar (financiële) belangen rechtstreeks raakt. Er was dus een concreet en persoonlijk belang in het geding, maar het hof had de toetsing aan art. 798 lid 1 Rv Pro achterwege gelaten.
kanzijn. [37]
Indien het hof op andere gronden aan die stellingen is voorbijgegaan, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.” [onderstreping A-G]
eigen, objectief bepaalbaar, actueel, persoonlijken rechtstreeks bij een besluit betrokken belang moet hebben. [49] Belangen van derden kunnen rechtstreeks bij een besluit betrokken zijn, maar moeten wel blijkens de wetsgeschiedenis concrete en persoonlijke belangen zijn. Daarmee wordt een zekere begrenzing beoogd. [50] Het mag niet gaan om een (onzeker) toekomstig belang; het moet gaan om een het moment van de besluitvorming bestaand belang. [51]
aannemelijkis gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. [52]
aannemelijkworden geacht dat op een bepaalde afstand nog rechtstreeks milieugevolgen kunnen worden ondervonden. [53]
aannemelijkis dat hij hinder van enige betekenis ondervindt. [54]
aannemelijkmaken dat geen mondelinge zienswijzen naar voren zijn gebracht op een informatieavond. [55]
aannemelijkmaken dat het besluit is uitgereikt of ligt het op weg van de belanghebbende om
aannemelijkte maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. [56]
aannemelijkte maken dat hij als rechthebbende kan worden beschouwd. [57]
tot op zekere hoogte aannemelijkmoeten worden gemaakt; er moet dus een begin van bewijs worden geleverd. [58]
enigeeisen mogen worden gesteld in die zin dat het recht of de verplichting waarop hij zich beroept tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt en bij een gemotiveerde betwisting of als uit de feiten en omstandigheden van het geval anders blijkt, het recht op de verplichting nader wordt geconcretiseerd en zo nodig met bescheiden wordt onderbouwd.
Ook in de onderhavige procedure dient daarom bij de beantwoording van de vraag of [de zoon] belanghebbende is, te worden beoordeeld of [de zoon] enig recht of enige titel had of heeft om in de woning te verblijven. Het hof is van oordeel dat [de zoon] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat dit het geval is. Van het bestaan van een huurovereenkomst of een als zodanig te kwalificeren overeenkomst tussen [de zoon] en zijn moeder is ook in het onderhavige geding niet gebleken. Het hof onderschrijft hetgeen de voorzieningenrechter en het hof daarover hebben overwogen, nu [de zoon] in het onderhavige hoger beroep zijn stelling dat wel sprake was van een huurovereenkomst, niet heeft geconcretiseerd en onderbouwd, zodat er geen grond bestaat om anders te oordelen.(…)” [Onderstreping A-G]
rechtstreeksworden getroffen bij de verkoop van de woning, dus of er een rechtsverhouding tussen de zoon en de moeder vast te stellen is waarbij de zoon rechtstreeks in zijn (financiële) belangen wordt getroffen indien het verzoek van de curator tot verkoop van de woning wordt toegewezen. Een dergelijke recht of verplichting kan – als hij geen eigenaar is van de woning of huurder – alleen gevonden worden in de situatie dat hij enig recht of enige titel had of heeft om in de woning te verblijven. Bij een indirect belang is de zoon immers geen belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro. [65]
1.5.2klagen ten slotte nog dat waar het hof in rov. 5.5 van de beschikking a quo heeft overwogen dat van een familieleven tussen de zoon en moeder in de woning sinds 31 januari 2019 geen sprake meer is omdat moeder vanaf die datum gedwongen is opgenomen, zodat het beroep op artikel 8 EVRM Pro moet worden verworpen, het hof wederom blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat - buiten de wil van moeder - geen family life bestond, betekent niet eo ipso dat er geen recht op family life tussen de zoon en moeder bestaat, temeer daar de zoon heeft gesteld dat hij de zorg voor moeder geheel op zich heeft genomen, zodat sprake is van
"additional factors of dependence, other than normal emotional ties"op grond waarvan het family life tussen de zoon en zijn moeder ook in rechte diende te worden gerespecteerd. Bovendien worden er naar vaste jurisprudentie strenge eisen gesteld aan de verbreking van family life, die het hof echter ten onrechte niet in zijn oordeel heeft betrokken. Het hof had in ieder geval dienen te motiveren waarom de gedwongen verpleging van moeder met zich meebrengt dat geen (recht op) family life zou moeten worden aangenomen en waarom het gedwongen karakter van die verpleging daaraan niet afdoet. In het licht van het vorengaande heeft het hof dan ook miskend - en daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting - dat de zoon als belanghebbende moet worden aangemerkt omdat hij aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven zoals voorzien in artikel 8 EVRM Pro. De zoon kan er dan tevens aanspraak op maken dat hij in voldoende mate betrokken wordt in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in zijn familie- en gezinsleven, [69] hetgeen het hof er evenzeer toe had moeten leiden hem als belanghebbende ex artikel 798 lid 1 Rv Pro tot de procedure toe te laten.
Emonet/Zwitserlandvolgt een feitelijke benadering van de vraag of er sprake is van family life in de zin van art. 8 EVRM Pro.
Senchisak/Finlandoverweegt het EHRM:
Therefore, the existence of “family life” cannot be relied on by applicants in relation to their elderly parents, adults who do not belong to the core family, unless the latter have been shown to be dependent on the members of their family(see Slivenko v. Latvia [GC], cited above, § 97).” [onderstreping A-G]