ECLI:NL:HR:2010:BK6150
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- O. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Gevolgen van terugwerkende kracht gerechtelijke vaderschapsvaststelling voor erfgenaamschap en derdenrechten
In deze zaak stond centraal de uitleg van artikel 1:207 lid 5 BW Pro over de terugwerkende kracht van gerechtelijke vaderschapsvaststelling en de gevolgen daarvan voor erfgenaamschap en rechten van derden.
De procedure begon met een geschil over de nalatenschap van wijlen [betrokkene 1]. [Verweerder] stelde dat hij het biologische kind was van [betrokkene 1] en daardoor erfgenaam. Na eerdere afwijzingen en niet-ontvankelijkverklaringen werd op grond van de in 1998 in werking getreden wet een gerechtelijke vaderschapsvaststelling verkregen, met terugwerkende kracht tot de geboorte.
De Hoge Raad bevestigde dat deze terugwerkende kracht geldt, maar dat te goeder trouw verkregen rechten van derden niet worden geschaad. Dit betekent dat reeds erkende erfgenamen en hun rechtsopvolgers beschermd zijn. De wetgever heeft bewust het belang van het niet-erkende kind laten prevaleren boven dat van andere betrokkenen, om discriminatie tussen binnen en buiten huwelijk geboren kinderen op te heffen.
De Hoge Raad verwierp alle klachten van de eisers en oordeelde dat de terugwerkende kracht van de vaderschapsvaststelling ook geldt voor nalatenschappen die vóór de wetswijziging openvielen. Tevens werd bevestigd dat de rechter bij het opleggen van een dwangsom rekening mag houden met het financiële belang van de hoofdveroordeling. Het beroep werd verworpen en de eisers werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de terugwerkende kracht van de gerechtelijke vaderschapsvaststelling met bescherming van rechten van derden.