ECLI:NL:HR:2013:BZ3641
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beperking kring belanghebbenden bij ontkenning vaderschap en recht van hoger beroep
In deze zaak heeft verzoekster de rechtbank verzocht om ontkenning van het vaderschap van betrokkene 1 en vaststelling van het vaderschap van betrokkene 4. De rechtbank wees het verzoek tot ontkenning toe, ondanks het verweer dat het verzoek niet binnen de wettelijke vervaltermijn was ingediend. Verweerster 1, zus van verzoekster, stelde zich op het standpunt dat zij als belanghebbende in hoger beroep kon optreden vanwege haar nauwe familierechtelijke band en de mogelijke gevolgen voor de nalatenschap.
Het hof verklaarde verweerster 1 ontvankelijk in hoger beroep en vernietigde de beschikking van de rechtbank. De Hoge Raad oordeelde echter dat op grond van de wettelijke bepalingen (art. 1:200 BW Pro en art. 798 Rv Pro) de kring van belanghebbenden bij ontkenning van het vaderschap beperkt is tot de vader, moeder en het kind zelf. Een broer of zuster heeft geen rechtstreeks belang en kan daarom geen hoger beroep instellen in deze procedure.
De Hoge Raad vernietigde de beschikking van het hof en verklaarde verweerster 1 niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. Hiermee werd bevestigd dat het belang van een familielid, ook bij nauwe banden en mogelijke gevolgen voor nalatenschap, niet voldoende is om als belanghebbende te worden aangemerkt in een procedure tot ontkenning van het vaderschap. De zaak werd door de Hoge Raad zelf afgedaan.
Uitkomst: Het hoger beroep van de zus werd niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbende is bij ontkenning van het vaderschap.