ECLI:NL:PHR:2024:411
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Staat niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen erkenning buitenlandse adoptie, cassatie vernietigt
In deze zaak ging het om de vraag of de Staat als belanghebbende in hoger beroep kan optreden tegen een beslissing van de rechtbank die de erkenning van een buitenlandse adoptie (uit Gambia) toekent. De rechtbank had de adoptiebeslissing van de Gambiaanse rechter erkend ten aanzien van de adoptieve moeder, waarna de Staat hoger beroep instelde. Het hof verklaarde de Staat niet-ontvankelijk omdat hij niet als belanghebbende in de zin van art. 798 Rv Pro werd gezien.
De Staat stelde in cassatie dat hij wel degelijk belanghebbende is, omdat de erkenning van de adoptie van rechtswege het Nederlanderschap van het kind tot gevolg heeft, wat de rechten en verplichtingen van de Staat raakt. De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad oordeelt dat het hof dit ten onrechte heeft miskend. Hoewel de erkenning van de adoptie op zich niet rechtstreeks de rechten en verplichtingen van de Staat raakt, bestaat in dit geval een nauwe verwevenheid met bestuursrechtelijke procedures over het verblijf van het kind in Nederland.
De Staat was immers partij in bestuursrechtelijke procedures over de machtiging voorlopig verblijf (mvv) van het kind en was daardoor nauw betrokken bij het onderwerp van de civielrechtelijke procedure. Dit leidt ertoe dat de rechten en verplichtingen van de Staat rechtstreeks door de rechterlijke beslissing kunnen worden geraakt. De Hoge Raad concludeert daarom dat de Staat als belanghebbende moet worden aangemerkt en vernietigt het arrest van het hof, met terugwijzing voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor verdere behandeling waarbij de Staat als belanghebbende wordt toegelaten.