Conclusie
Nummer21/04387
Het cassatieberoep
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
hij op 26 mei 2019 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen eenmaal met kracht met een pijp, op het hoofd van die [aangever] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
1. een proces-verbaal van aangifte, opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, d.d. 26 mei 2019 (p. 3-9 van het politiedossier), voor zover inhoudende, als verklaring van [aangever] :
De verdachte verklaart de reden van het ingestelde beroep:
Het eerste middel
De bespreking van de eerste deelklacht van het eerste middel
“met kracht”heeft geslagen, terwijl dit niet, althans niet zonder meer, uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
“eenmaal met kracht met een pijp, op het hoofd heeft geslagen”.Gezien de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof in de onderhavige zaak vastgesteld (i) dat de aangever met een koperen pijp is geslagen, (ii) dat hij daarbij op zijn hoofd is geraakt en letsel heeft opgelopen in de vorm van een schram/wond en (iii) dat de verdachte heeft bevestigd dat hij de aangever eenmaal en in een reflex met
“het pijpje”op het hoofd heeft geslagen. In het voorgaande ligt als niet onbegrijpelijk oordeel van het hof besloten dat de verdachte de aangever
“met kracht”heeft geslagen. De klacht dat de bewezenverklaring niet volgt uit de bewijsmiddelen komt mij dan ook ongegrond voor.
De toelichting op de tweede deelklacht van het eerste middel
pogingtot zware mishandeling gaat het niet om de vraag of de verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, maar om de vraag of zijn gedragingen een aanmerkelijke kans op het intreden van dat letsel in het leven heeft geroepen. Immers, een ‘poging tot zware mishandeling’ kenmerkt zich hierdoor dat het zwaar lichamelijk letsel zich juist niet heeft voorgedaan. [4] Bij beantwoording van die vraag moeten uiteenlopende factoren in aanmerking worden genomen. Zo kan van belang zijn of de verdachte met kracht heeft geslagen, met welk voorwerp hij heeft geslagen, de frequentie van de klappen en ten slotte de plaats waar of de richting waarin is geslagen (kwetsbare lichaamsdelen of niet). [5]
De bespreking van de tweede deelklacht van het eerste middel
Het tweede middel
De verwerping van het noodweer(exces)verweer
De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer, dan wel noodweerexces. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat na het bijtincident aangever zou hebben geprobeerd verdachte te slaan. Als reactie en uit zelfverdediging heeft verdachte geslagen.
Het beoordelingskader
1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Ineen noodweersituatie of (niet lang)
nade beëindiging van zo’n noodweersituatie is een handeling die de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschrijdt (en die dus verder gaat dan ‘geboden’ is) verontschuldigbaar wanneer (1) de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding de beslissende factor is voor het ontstaan van een hevige gemoedsbeweging, [12] én (2) die hevige gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is voor een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. [13] In de causale keten van de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding tot en met de verweten handeling mag de in artikel 41 lid 2 Sr Pro bedoelde ‘hevige gemoedsbeweging’ dus niet ontbreken. Bij het begrip ‘hevige gemoedsbeweging’ moet in de eerste plaats worden gedacht aan een (door de aanranding veroorzaakte) hevige angst of woede. [14] Noodweerexces betreft gevallen waarin de verdachte zich vanwege een voorafgaande aanranding op enig moment heeft moeten verdedigen, terwijl het begrijpelijk is dat hij zich door die aanranding op dat moment (of niet lang daarna) niet meer in de hand had.
Het oordeel van het hof dat geen sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging vanwege de enkele omstandigheid dat de verdachte zich bewust was van zijn handelen en bewust heeft gestoken om een einde te maken aan de ruzie is zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat ‘bewust handelen’ niet zonder meer onverenigbaar is met “een hevige gemoedsbeweging” als bedoeld in artikel 41 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht.” [15]
4.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
.’
De toelichting op het tweede middel
gevergdzich te onttrekken aan de situatie en (ii) dat het oordeel van het hof dat
“vanwege de disproportionele reactie van de verdachte geen sprake is of kan zijn van noodweerexces”, onjuist of onbegrijpelijk is. Bij noodweerexces gaat het immers juist om een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging en om de vraag of die overschrijding verontschuldigbaar is. De verwerping van het verweer is dan ook onvoldoende met redenen omkleed, aldus de stellers van het middel. De deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
De bespreking van het tweede middel
“want hij had zich ook kunnen onttrekken aan de situatie”. Van een voor noodweerexces vereiste hevige, door de aanranding van zijn lijf veroorzaakte, gemoedsbeweging, is volgens het hof evenmin sprake.
feitelijkevaststellingen die maken dat er voor de verdachte geen noodzaak bestond om zichzelf te beschermen, dat zijn verdedigingshandeling, gelet op de omstandigheden van het geval, niet proportioneel en/of subsidiair was, en meer specifiek dat en waarom van de verdachte daadwerkelijk mocht worden
gevergddat hij zich aan de aanranding onttrok. De motivering van het hof schiet dan ook tekort. Aldus bezien is de verwerping van het beroep op noodweer(exces) niet voldoende met redenen omkleed. [19]
Het derde middel
De bespreking van het derde middel
Het arrest wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekend op de wijze door Onze Minister van Veiligheid en Justitie te bepalen:
Stcrt.1996, 197; hierna: de Regeling). [21]
De aantekening van het mondeling vonnis als bedoeld in artikel 426d, tweede lid, [22] van het Wetboek van Strafvordering dient de navolgende gegevens te bevatten:
Bijkomende beslissingen
Benadeelde partij
Het hof:
“overige/bijkomende beslissing”, waarop artikel 3, onder k, van de Regeling van toepassing is. In de onderhavige zaak omvat de aantekening mondeling arrest de in artikel 3, onder k, van de Regeling genoemde gegevens, zodat het middel faalt. Dat het hof heeft nagelaten de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij in het bijzonder met redenen te omkleden, doet daaraan niet af. Op grond van de Regeling was het hof daartoe immers niet gehouden.