Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Eiswijziging
De rechtsgevolgen van de dwaling
Osira
3.Bespreking van de cassatiemiddelen in het principaal en het incidenteel beroep
C. Ontoelaatbare nieuwe feiten en gegevens in de MnV”) dat Maetis aan haar gewijzigde eis ontoelaatbare nieuwe feiten (feitelijke stellingen) en gegevens ten grondslag legt. Daarmee heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing dan wel zijn beslissing ontoereikend gemotiveerd, zo betoogt het subonderdeel.
“hier dus [gaat] om aanpassing van de eis aan feiten die zich hebben voorgedaan na het moment waarop Maetis de memorie van grieven moest nemen in hoger beroep” bij het hof Arnhem-Leeuwarden onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is. Daartoe wordt onder 1.2.1 in het subonderdeel aangevoerd dat [eiseressen] in hun memorie van antwoord na verwijzing hebben betoogd dat Maetis in haar memorie na verwijzing negen nieuwe feitelijke stellingen heeft betrokken die zij ook al eerder had kunnen en moeten aanvoeren. Volgens het subonderdeel kan het bestreden oordeel van het hof reeds gezien dit betoog van [eiseressen] geen stand houden. Onder 1.2.3 in het subonderdeel wordt betoogd dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk is voor zover het erop berust dat Maetis na het nemen van haar memorie van grieven pas voor het eerst in het kader van haar memorie na verwijzing de gelegenheid zou hebben gehad om “
die nieuwe feiten” te stellen, nu Maetis na haar memorie van grieven ook nog een memorie van antwoord in het incidentele appel heeft genomen, waarin het hele geschil aan de orde komt, en er vervolgens nog een comparitie is gehouden waarbij door partijen is gepleit aan de hand van pleitnota’s.
daarom” onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is waarom [eiseressen] niet in hun verdediging zijn geschaad door de memorie na verwijzing met een nieuw betoog, nieuwe feiten en nieuwe producties, zeker nu [eiseressen] hebben betoogd dat het dwalingsnadeel moet worden begroot naar de stand van zaken ten tijde van het vernietigde arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden.
C. Ontoelaatbare nieuwe feiten en gegevens in de MnV”, dat een opsomming van die feiten bevat en dat in subonderdeel 1.2.1 wordt geciteerd –, maar op hun betoog dat een eiswijziging na verwijzing niet is toegestaan, welk betoog te vinden is in dezelfde memorie van antwoord na verwijzing onder het opschrift “
B. Wijziging van eis niet toegestaan”. Bij de beoordeling van dit betoog is het hof terecht uitgegaan van het door hem in rov. 4.2 genoemde HR 15 september 2017, waarin is overwogen:
subonderdeel 1.2.2, dat blijkens de subonderdelen 1.1 en 1.2 eveneens is gericht tegen rov. 4.2, gaat over de Osirakwestie. Op dat punt heeft Maetis haar eis niet verandert: zij heeft voor en na verwijzing een verlaging van de EBIT met hetzelfde bedrag gevorderd, namelijk het door het hof genoemde bedrag van (afgerond) € 42.598,-. [19] Rov. 4.2 heeft daarop dus geen betrekking. Ook dit subonderdeel faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.
immers afhankelijk [is] van omzet én kosten, ook kosten die gemaakt zijn ten behoeve van de klanten die de overeenkomst tegen 1 januari 2009 hebben opgezegd”.
Subonderdeel 1.1betoogt dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is waarom het feit dat in de EBIT 2008 ook de bedoelde kosten zijn verwerkt, eraan in de weg zou staan om bij de begroting van het dwalingsnadeel een
aangepasteEBIT 2008 als berekeningsgrondslag te nemen, waarin immers juist voor die kosten wordt gecorrigeerd.
Subonderdeel 1.2voert onder verwijzing naar rov. 3.1.2 van het arrest van de Hoge Raad in deze zaak aan dat voor zover de overwegingen van het hof zo moeten worden begrepen dat het hof ervan is uitgegaan dat Maetis aanpassing wenst van de
werkelijkeEBIT 2008, dit onbegrijpelijk is, aangezien uit de stellingen van Maetis volgt dat zij aanpassing wenst van de EBIT 2008 als de
grondslagvoor de berekening van de aan te passen koopprijs.
Subonderdelen 2.1 en 2.2klagen dat ten aanzien van een aantal van de door het hof in rov. 4.9 genoemde omstandigheden niet valt in te zien dat deze maken dat een aanpassing van de EBIT 2008 of de multiplier een ongeschikte wijze van begroting van het dwalingsnadeel is. Volgens subonderdeel 2.2 heeft het hof miskend dat het dwalingsnadeel erin is gelegen dat te veel is betaald voor de aandelen in AGW.
Subonderdeel 2.3keert zich tegen de overweging van het hof dat aanpassing van de multiplier ter vaststelling van het dwalingsnadeel miskent dat de multiplier is vastgesteld door terug te rekenen van een gewenste koopprijs. Volgens het subonderdeel komt deze overweging in strijd met rov. 3.1.2 van het arrest van de Hoge Raad in deze zaak.
Subonderdeel 2.4voert tot slot aan dat het oordeel van het hof dat het de onderbouwing in het door Maetis overgelegde rapport van [naam 1] van de zienswijze dat de multiplier van 5,47 naar 4,47 moet worden aangepast “
niet overtuigend acht”, onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de onderbouwing die voor deze aanpassing is gegeven.
verwachteEBIT over 2008 van € 585.000,-. Dat leverde de multiplier van 5,47 op (€ 3,2 miljoen gedeeld door € 585.000,-). De verkoopprijs zou en is echter uiteindelijk (worden) bepaald door de
daadwerkelijkeEBIT over 2008 (zie de intentieovereenkomst en de uiteindelijke overeenkomst hiervoor in 2.1 onder (ii) en (iv)), waarbij dus uitgangspunt was en bleef dat die EBIT sustainable was. Dat laat al zien dat ook de multiplier kan worden aangepast als de EBIT niet sustainable is, tenzij uiteraard daarover andere afspraken zouden zijn gemaakt tussen partijen (of uit de door hen gemaakte afspraken iets anders zou voortvloeien), maar daarover heb ik in de stukken niets gezien en het hof noemt dergelijke afspraken ook niet.
subonderdeel 1.3– welk subonderdeel uitgaat van een alternatieve lezing van het oordeel van het hof – en
subonderdeel 1.4– dat slechts een herhaling lijkt te bevatten van de klacht die subonderdeel 1.1 al bevat – behoeven na het voorgaande geen bespreking.
aparteschadepost en dat slechts de dáártegen gerichte cassatieklacht is verworpen. Het hof heeft dan ook ten onrechte of zonder begrijpelijke motivering geoordeeld dat die schadepost ook niet kon worden meegenomen bij een verlaging van de koopprijs door verlaging van de EBIT 2008 of verlaging van de multiplier, aldus het onderdeel.
Subonderdeel 1.3richt zich tegen de afwijzing van de afvloeiingskosten van overtollig personeel (rov. 3.9). Het subonderdeel betoogt onder (i) dat het hof heeft miskend dat Maetis vergoeding van deze kosten niet als afzonderlijke schadepost heeft gevorderd, maar als onderdeel van het opheffen van het dwalingsnadeel. Dit betoog gaat uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest, nu het hof de post in rov. 3.9 wel degelijk heeft behandeld in het kader van de primaire grondslag, opheffing van dwalingsnadeel ex art. 6:230 lid 2 BW Pro en pas in rov. 3.11 de vorderingen van Maetis op grond van de subsidiaire grondslag, toerekenbare tekortkoming, heeft behandeld. Anders dan het subonderdeel onder zowel (i) als (ii) lijkt te veronderstellen, heeft het hof deze post evenmin afgewezen op de grond dat deze kosten zich pas na het aangaan van de koopovereenkomst hebben gemanifesteerd, dat deze kosten niet kunnen worden betrokken in de vaststelling van het dwalingsnadeel of omdat Maetis deze post door middel van een fictief bedrag heeft begroot. De post is, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [eiseressen] , in rov. 3.9 afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Het subonderdeel faalt dus ook voor zover het gegrond is op deze veronderstellingen.
Subonderdeel 3.1neemt tot uitgangspunt dat uit rov. 3.3 van het arrest van de Hoge Raad volgt dat na verwijzing allereerst onderzocht had moeten worden wanneer Maetis op de hoogte is geraakt van de Osirakwestie. Het subonderdeel voert aan dat volgens de eigen, ter comparitie in eerste aanleg afgelegde verklaring van Maetis “
die kwestie (…) al in mei 2009 met [betrokkene 1] [is] besproken en uit de overgelegde correspondentie blijkt dat [betrokkene 2] er ook van wist”, en wijst daarbij op de volgende overweging van de rechtbank in rov. 4.18 van het tussenvonnis van 30 mei 2012: “
aangezien tussen partijen vast staat dat de Osirakwestie reeds in mei 2009 voor Maetis een kritiekpunt vormde”. Dat Maetis tijdig in de jaarrekening 2008 een voorziening had kunnen treffen, bleef derhalve na verwijzing nog steeds overeind staan, zoals [eiseressen] ook hebben gesteld. Op die stelling had het hof moeten ingaan, aldus het subonderdeel. Hieraan doet volgens het subonderdeel niet af dat Maetis in haar memorie van grieven de stelling heeft betrokken dat haar verklaring ter comparitie op een vergissing zou berusten.
onverschuldigde betaling wel in de boekhouding van 2008 is verwerkt en pas in de boekhouding van 2009 is gecorrigeerd (…) – gelet op de discussie destijds tussen partijen over deze kwestie – onvoldoende [is] voor [eiseressen] om er gerechtvaardigd op te mogen vertrouwen dat Maetis haar standpunt had verlaten of haar vorderingen had prijsgegeven”.
richting Osira”, maar hetzelfde geldt natuurlijk ook jegens Maetis en het hof). Zijn oordeel komt er dus op neer dat [eiseressen] niet aan hun stelplicht hebben voldaan. Op die grond heeft het hof volgens vaste rechtspraak het bewijsaanbod dat [eiseressen] met betrekking tot diverse stellingen heeft gedaan, kunnen passeren [28] en in verband met die grond doet niet terzake op wie de stelplicht en bewijslast van de juistheid van de facturen rust. Het oordeel van het hof dat [eiseressen] om genoemde reden niet aan hun stelplicht hebben voldaan, is feitelijk en kan derhalve in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Het is niet onbegrijpelijk, want [eiseressen] zijn inderdaad niet op concrete facturen ingegaan en een behoorlijk debat over de facturen is daardoor inderdaad niet zonder meer mogelijk.
schattenderwijs” met dit percentage verlaagd. Daarbij heeft het hof klaarblijkelijk gedacht aan hetgeen aan het slot van rov. 3.2 van het arrest van de Hoge Raad is overwogen, dat de omvang van het dwalingsnadeel zo nodig schattenderwijs moet worden vastgesteld.
subonderdelen 1.2.1 en 1.3in het principale beroep mede gericht tegen rov. 4.10. Ze klagen dat het hof voorbij is gegaan aan het betoog van [eiseressen] dat Maetis diverse nieuwe feitelijke stellingen na verwijzing heeft aangevoerd, waarvoor in dat stadium van het geding geen plaats is, waaronder de door het hof in rov. 4.10 genoemde stelling over minder synergievoordeel (subonderdeel 1.2.1), en dat het hof in rov. 4.10 gebruik heeft gemaakt van de daar door hem genoemde, eerst na verwijzing overgelegde productie M (subonderdeel 1.3).
als gevolgvan de niet-gemelde opzeggingen een
lager resultaatis bereikt in 2009 en de jaren daarna, een omzetverlies van afgerond 14% als grondslag gebruikt voor een gelijke procentuele vermindering van de koopprijs, aldus het subonderdeel. [34]
onder 1wijst op zichzelf terecht erop dat door het hof Arnhem-Leeuwarden in rov. 3.8 is uitgegaan van een omzetdaling van 13,4%, overeenkomstig de als productie 19 door Maetis bij de inleidende dagvaarding overgelegde schadeberekening. Zoals hiervoor bleek, heeft Maetis evenwel bij haar memorie na verwijzing als productie M een aan het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden aangepaste versie van die berekening overgelegd, als een “
geüpdate berekening”, [36] die op basis van de door dat hof aangepaste cijfers een omzetverlies van 13,9% vermeldt. Het hof mocht zijn oordeel, als hiervoor al gezegd (zie hiervoor in 3.4), op die productie baseren en kon dus uitgaan van een omzetdaling van, zoals het overweegt, “
afgerond 14%”. De klacht wordt derhalve tevergeefs voorgesteld.
onder 2aanvoert komt op hetzelfde neer als de klacht van onderdeel 4 in het incidentele beroep en slaagt derhalve om dezelfde reden (zie hiervoor in 3.31).
onder 3 en 4berusten op dezelfde onjuiste opvatting als subonderdeel 2.1 in het principale beroep. Anders dan ook deze klachten tot uitgangspunt nemen, gaat het bij de vaststelling van het dwalingsnadeel er niet om wat feitelijk is gebeurd in 2009 en latere jaren (zie hiervoor in 3.35). Het hof overweegt terecht aan het slot van rov. 4.10 dat het betoog van [eiseressen] over de voordelen die Maetis in 2009 heeft gerealiseerd en had kunnen realiseren, niet opgaat omdat die voordelen niet in verband staan met de dwaling, en dat het erom gaat dat Maetis een vennootschap heeft gekocht met minder klanten (per 1 januari 2009) dan zij mocht verwachten. Minder gelukkig is op zichzelf dat het hof daar ook overweegt dat die voordelen al in de overeengekomen verkoopprijs waren verdisconteerd – het gaat immers als zodanig om zuivere toekomstverwachtingen waarop juist geen dwalingsberoep kan worden gebaseerd –, maar dat is onmiskenbaar niet dragend voor zijn beslissing. Ook de klachten onder 3 en 4 gaan dus niet op.
Dit staat echter niet, zoals [eiseressen] hebben bepleit, aan een berekening van dat dwalingsnadeel in de weg. (…)”