Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
KOSTEN HUISHOUDING
Het beleggingspand
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
zijn overeengekomenonbeantwoord heeft gelaten en het inkomensbegrip uitsluitend conform een redelijkheidsoordeel heeft uitgelegd. Het onderdeel klaagt voorts dat het hof de Haviltex-maatstaf onjuist heeft toegepast althans onvoldoende inzicht heeft gegeven in de aan zijn beslissing ten grondslag liggende gedachtegang, nu het hof uitsluitend bij zijn oordeel heeft betrokken wat de vrouw redelijkerwijs van de man mocht verwachten en niet ook wat de man redelijkerwijs van de vrouw mocht verwachten.
zijn overeengekomen, namelijk dat de verrekening betrekking heeft op ‘inkomen uit arbeid’, waarbij partijen naar zijn vaststelling het oog hebben gehad op het
geheleinkomen dat de man als arts verdient en op het moment van de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden (en tot 2011) nog in privé ontving.
Onder 2.2.6voert het onderdeel aan dat het hof heeft miskend dat de vennootschap een rechtspersoon is en dus een afzonderlijke persoon en dat er derhalve een scheiding bestaat tussen het privévermogen van de kapitaalverschaffers van de vennootschap (de vennoten) en het vennootschapsvermogen. Hieraan wordt
onder 2.2.7toegevoegd dat het in zoverre rechtens onjuist is dat het hof onderscheid maakt tussen de ene rechtspersoon (de Rabobank) en de andere rechtspersoon (de vennootschap van de man) die gelden aan de man (in privé) heeft uitgeleend.
Onder 2.2.9klaagt het onderdeel dat het hof dan ook ten onrechte waarde toekent aan het inkomensbegrip in de huwelijkse voorwaarden in deze context. Dat is onjuist althans onbegrijpelijk en resulteert ook rekenkundig in een discrepantie met het oordeel van het hof in rov. 5.96.
Onder 2.2.10voert het onderdeel aan dat het oordeel van het hof in rov. 5.101 neerkomt op de fictie dat het deel van het ondernemingsvermogen dat verrekend had moeten worden, naar privé is uitgekeerd. Dat deel van het (volgens het hof) overgespaarde inkomen wordt nu dubbel in de afrekening betrokken. Enerzijds via de waarde van de aandelen, waarin het verdisconteerd zit nu het onderdeel uitmaakt van de balans, anderzijds via een afrekening van het beleggingspand. Dat is onjuist althans zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Het hof heeft zich niet kenbaar rekenschap gegeven van deze dubbeltelling noch van de omstandigheid dat de waarde van de aandelen reeds volledig wordt betrokken bij de omvang van het te verreken vermogen, aldus steeds het onderdeel.
alleactiva
en passivaaan de zijde van een echtgenoot, en uit de overweging van het hof in rov. 5.116 dat zowel een eventuele vordering van de man op de vrouw met betrekking tot de kosten van de huishouding, als de daar tegenover staande
schuldvan de vrouw aan de man, in beginsel tot ieders te verrekenen vermogen behoort.
én passivavan de echtgenoten tot het te verrekenen vermogen behoren, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
beleggingvan inkomen of vermogen wat gedeeld had moeten worden, aldus het onderdeel.
tweeverbintenisrechtelijke verplichtingen in het leven die tot verrekeningen kunnen leiden ten laste van de vermogens van de echtgenoten, namelijk enerzijds het periodieke verrekenbeding en anderzijds het beding ten aanzien van de kosten van de huishouding. Bij de afwikkeling van een niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding ontstaat uitdrukkelijk geen (pseudo)gemeenschap waarin vorderingen tegen elkaar wegvallen, zoals het hof voor ogen lijkt te hebben. Het onderdeel vervolgt dat voor zover het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat het hof het oog heeft op verrekening in de zin van art. 6:127 BW Pro, dat evenzeer getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel miskent dan dat geen beroep is gedaan op verrekening (art. 6:127 lid 1 BW Pro) en dat, zelfs als dat wel het geval zou zijn, schuld en vordering nog steeds niet tegen elkaar wegvallen. Een dergelijke benadering zou niet alleen art. 1:141 BW Pro maar ook art. 5 en Pro 6 van de huwelijkse voorwaarden doorkruisen. De gedachtegang van het hof op dit punt is dan volstrekt onnavolgbaar.
dusverrekend worden, zo luidt kennelijk de gedachtegang van het hof in rov. 5.116. [31] Daarmee heeft het hof er als gezegd aan voorbijgezien dat, gelet op art. 6 huwelijkse Pro voorwaarden – dat naar de door het hof niet verworpen stelling van de man slechts ziet op overgespaarde inkomsten uit arbeid –, óók de vordering van de man wegens de kosten van de huishouding niet behoort tot hetgeen verrekend moet worden.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidentele beroep
Onder I-1bestrijdt het onderdeel het oordeel van het hof dat de vrouw vanaf de ingangsdatum rekening heeft kunnen houden met een mogelijke verlaging van de partnerbijdrage. Het onderdeel stelt dat het hof heeft verzuimd de ingrijpende gevolgen van de terugbetaling voor de vrouw (kenbaar) te onderzoeken. Dit is in strijd met de rechtspraak van de Hoge Raad en maakt het oordeel van het hof onbegrijpelijk, aldus het onderdeel. [35]