Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
eerstde schuldsaneringsregeling formeel moet worden beëindigd (met alle daaraan verbonden kosten), en dat dan
vervolgensalsnog een verzoek tot het ontnemen van de schone lei kan worden gedaan. Hierbij is aan te tekenen dat tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling (op de voet van art. 350 Fw Pro) in deze afrondingsperiode naar mijn mening niet mogelijk is, omdat de rechter al beslist heeft dat de schuldenaar de schone lei kan worden verleend.
dat artikel 358, eerste lid, verder geen toepassing vindt’. Dat betekent dat, ondanks de eerdere beslissing dat de schuldenaar de schone lei kan worden verleend (art. 354 Fw Pro), daaraan geen consequenties worden verbonden en de schuldenaar dus alsnog níet de schone lei krijgt. Indien geen baten beschikbaar zijn om de vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen, dan blijft verificatie van de vorderingen en het opmaken van een uitdelingslijst achterwege; zijn er wel baten beschikbaar, dan dient de rechter het faillissement uit te spreken met ingang van de dag waarop de uitspraak in kracht van gewijsde gaat (naar analogie met de voorschriften uit art. 350 lid 4 en Pro 5 Fw).
2.Feiten en procesverloop
3.4 Het hof oordeelt als volgt. De (eerste) grief slaagt.
3.Het cassatiemiddel
voorafgaandaan het formele einde van de schuldsaneringsregeling.
4.De schuldsaneringsregeling: verloop en beëindiging
zo dikwijls er voldoende gerede penningen aanwezig zijn’ (art. 349 lid 1 Fw Pro), vindt in de praktijk bij vrijwel iedere schuldsanering met voldoende actief slechts één uitdeling plaats aan de geverifieerde schuldeisers: de slotuitdeling aan het einde van de schuldsaneringsregeling. [8]
waarop de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt behandeld’ (art. 352 lid 1 Fw Pro). Deze zitting wordt in de praktijk ook wel aangeduid als ‘eindzitting’. [9] Indien twijfel bestaat of de schuldenaar in de nakoming van een of meer verplichtingen tekort is geschoten, worden de schuldenaar en de bewindvoerder opgeroepen voor de zitting (art. 353 lid 1 Fw Pro). Als geen oproeping plaatsvindt, wordt gesproken over een ‘pro forma zitting’.
zal kunnen worden afgeslotenmet de schone lei.
materiële eindevan de schuldsanering. Zie de Hoge Raad in een arrest uit 2012: [10]
3.4.2 Een en ander geeft voldoende grond om aan te nemen dat voor de toepassing van de tweede afdeling van titel III Fw — welke afdeling de gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling regelt — de schuldsanering eindigt door het aflopen van de termijn die ingevolge art. 349a voor de betrokken schuldsanering geldt.
De boedel wordt als het ware ten tweede male gefixeerd, nu ‘aan de achterkant’: nadat met het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling het vermogen van de schuldenaar ‘in de klem van de boedel’ wordt gebracht, sluit de klem zich definitief bij het verstrijken van de termijn ex art. 349a Fw en staat vast wat ter verdeling onder de schuldeisers beschikbaar is.”
Zo wordt het einde van de schuldsaneringsregeling almaar rommeliger. De situatie is nu als volgt. Na afloop van de initiële looptijd eindigt de toepasselijkheid van afdeling 2 van titel III (althans van een deel van de daarin vervatte bepalingen; zie onder 8 van mijn noot onder NJ 2012/636).
formeelis beëindigd. In een arrest uit 2010 oordeelde de Hoge Raad dat uit het wettelijke stelsel (artt. 352–356 Fw) volgt dat de schuldsanering niet van rechtswege eindigt na verloop van die termijn. [17]
eerste stapis dat de rechtbank op de voet van art. 354 Fw Pro bij vonnis vaststelt of de schuldenaar (al dan niet) in de nakoming van een of meer verplichtingen is tekortgeschoten en, indien dat het geval is, of deze aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Tegen dit vonnis kunnen zowel de schuldeisers als de schuldenaar hoger beroep instellen (art. 355 lid 1 Fw Pro).
tweede stapis dat de bewindvoerder, zodra de uitspraak op de voet van art. 354 Fw Pro in kracht van gewijsde is gegaan, onverwijld overgaat tot het opmaken van een slotuitdelingslijst (art. 356 lid 1 Fw Pro). Met de vaststelling van een slotuitdelingslijst geeft de bewindvoerder te kennen dat de gehele boedel is vereffend en dat er geen grond meer is voor het voortduren van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. [18] In de slotuitdelingslijst zijn onder meer de namen van de schuldeisers en het geverifieerde bedrag van ieders vordering opgenomen (art. 349 lid 4 Fw Pro). De daartoe vereiste verificatievergadering kan in voorkomend geval ook pro forma worden gehouden (art. 328a lid 2 Fw). Tegen de slotuitdelingslijst kan binnen tien dagen door elk van de schuldeisers verzet worden ingesteld (art. 349 lid 5 jo Pro. art 184 Fw Pro).
materiële eindevan de schuldsaneringsregeling: dat vindt plaats bij het verstrijken van de looptijd (art. 349a Fw);
formele eindevan de schuldsaneringsregeling: dat vindt plaats zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden (art. 356 lid 2 Fw Pro).
formele eindevan de schuldsaneringsregeling.
5.Het voorkomen van misbruik
De regeling kent met het oog op de belangen van de schuldeisers op een viertal momenten een toets teneinde te voorkomen dat een schuldenaar ten onrechte van de regeling gebruik maakt. Deze vier mogelijkheden van beëindiging wegens kwade trouw kunnen bovendien op initiatief van meerdere betrokkenen worden genomen.”
een of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen’. Het lijkt er echter op dat hier geen onderscheid is beoogd en dat de gronden voor tussentijdse beëindiging dezelfde zijn waaraan de rechtbank toetst bij de beslissing of de schone lei kan worden verleend. [36] In de woorden van Van Bommel: [37]
Aan het einde van de schuldsanering is een belangrijk criterium voor de verlening van de schone lei dat de schuldenaar aan alle verplichtingen heeft voldaan. Tussentijds is het voldoen aan diezelfde verplichtingen een voorwaarde om de schuldsanering voort te zetten.”
Indien een natuurlijke persoon ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is, tot de boedel behorende inkomsten of andere goederen tegenover de bewindvoerder verzwijgt of deze anderszins door een verkeerde voorstelling van zaken feitelijk buiten de boedel weet te houden of daaraan weet te onttrekken, betekent dat een benadeling van de schuldeisers ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling werkt. Deze verzwegen activa kunnen alsdan immers niet bij een eventuele uitdeling aan de schuldeisers betrokken worden. Eindigt vervolgens de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van het bepaalde in artikel 356, tweede lid, dan kan het een en ander tevens tot gevolg hebben dat een groter gedeelte van de vorderingen van de schuldeisers als natuurlijke verbintenis zal resteren. Zou van een handelwijze van de schuldenaar als hierboven bedoeld blijken tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan levert dat een grond op voor de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling (artikel 350, derde lid, onder e). In dat geval mist artikel 358, eerste lid, toepassing en blijft derhalve het rechtsgevolg dat de overblijvende vorderingen niet langerafdwingbaar zijn achterwege. Het onderhavige artikel 358a geeft een aanvullende regeling voor het geval van een handelen, nalaten of verzwijgen en dergelijke door de schuldenaar pas blijkt na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
tijdensde schuldsaneringsregeling zouden zijn gebleken, zij aanleiding zouden zijn geweest voor een voordracht tot tussentijdse beëindiging op grond van art. 350 lid 3 onder Pro e Fw. [41] Art. 358a Fw geeft een aanvullende regeling voor het geval die gedragingen (die dus wel moeten hebben plaatsgevonden vóór het einde van de schuldsanering, maar mogelijk ook vóór de toepassing van de schuldsaneringsregeling [42] ), pas na het einde van de schuldsanering aan het licht komen. Daarmee is art. 358a Fw een anti-fraudebepaling. [43]
Duidelijk is wel dat niet iedere tekortkoming van de schuldenaar, die eerst na afloop van de sanering aan het licht komt, een terugdraaien van de schone [lei] kan rechtvaardigen. Alleen een tekortkoming van de schuldenaar die mogelijk nadeel voor de schuldeisers oplevert, brengt de eerder verleende schone lei in gevaar.”
alsnog ontnemenvan de schone lei. Zo zal het aangaan van nieuwe schulden tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen reden kunnen zijn tot het ontnemen van de schone lei. [45]
met opzet ruim [is] geredigeerd om de rechter de nodige beoordelingsvrijheid te geven’. [47] Er kunnen dan ook allerlei situaties onder worden gebracht, die dan dus ook aanleiding kunnen zijn voor het ontnemen van de schone lei op de voet van art. 358a Fw. [48]
6.Misbruik in de afrondingsfase
De enkele omstandigheid dat de termijn waarvoor de schuldsanering is uitgesproken, is verstreken, rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat de schuldsanering is geëindigd, aangezien uit het wettelijke stelsel met betrekking tot de beëindiging van de schuldsanering, zoals neergelegd in art. 352–356 Fw, volgt dat de schuldsanering niet van rechtswege eindigt na verloop van die termijn (HR 9 juli 2010, nr. 09/02434, LJN BM2337). Nu in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat op het moment dat het hof moest oordelen in hoger beroep, de schuldsanering van de echtelieden nog niet (op grond van art. 356 lid Pro 2 F.) tot een einde was gekomen, bleef de mogelijkheid van tussentijdse beëindiging bestaan. Het hof had daarover een oordeel dienen te geven. De hierop gerichte klachten van het middel treffen doel.”
tot aan het formele einde van de schuldsaneringsregelingsteeds de mogelijkheid bestaat om de regeling tussentijds te beëindigen. Zo schrijft Wessels dat een verzoek tot tussentijdse beëindiging gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling kan plaatsvinden, ‘
derhalve ook na het verstrijken van de (gewone of verlengde) duur, indien ex art. 356 lid 2 de Pro regeling niet is geëindigd.’ [52] Hij sluit zich hiermee aan bij Noordam, die voorafgaand aan de uitspraak van de Hoge Raad al schreef: [53]
Met betrekking tot de tussentijdse beëindiging rijst nog de ‘formele’ vraag of deze ook kan plaatsvinden terwijl de saneringsduur is verstreken. (…) Overigens ben ik van mening dat een tussentijdse beëindiging op de voet van art. 350 Fw Pro, ook ná het verstrijken van de (vastgestelde of de reguliere) saneringsduur, mogelijk blijft zolang de toepassing niet op grond van art. 356 lid 2 is Pro geëindigd.”
Kan nog op een verzoek tot tussentijdse beëindiging beslist worden als de rechtbank al heeft beslist over toekenning van de schone lei (art. 354 Fw Pro) maar de schuldsaneringsregeling nog niet is geëindigd omdat de slotuitdelingslijst nog niet verbindend is (zie art. 356 lid Pro 2)? De Hoge Raad noemt laatst genoemde wetsbepaling uitdrukkelijk, zodat deze vraag bevestigend beantwoord zou moeten worden.
ontnomen(art. 358a Fw). Hiervoor is besproken dat ontneming slechts mogelijk is op één grond, namelijk het trachten te benadelen van schuldeisers (zie onder 5.17-5.19). Als na de 354-uitspraak de in het vooruitzicht gestelde schone lei zou kunnen worden ontnomen via de ‘tussentijdse beëindiging’ van art. 350 Fw Pro, zou dit
de factoneerkomen op een aanzienlijk verruiming van de wettelijke mogelijkheden om een schone lei naderhand in te trekken. Dan zouden immers
allebeëindigingsgronden van art. 350 lid 3 Fw Pro gelden (zie onder 5.7). Ook dit verdraagt zich niet met het wettelijke systeem.
(…) een tussentijdse beëindiging of een verlenging van de looptijd van een schuldsaneringsregeling nadat de schone lei onherroepelijk is verleend niet past in de door de wetgever gekozen systematiek.”
na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling waardoor het rechtsgevolg bedoeld in artikel 358, eerste lid, is ingetreden’ blijkt dat zich voordien feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die grond zouden hebben opgeleverd voor beëindiging op de voet van art. 350 lid 3 onder Pro e Fw. In dat geval kan de rechter bepalen dat art. 358 lid 1 Fw Pro (dat is: de schone lei) ‘
verder geen toepassing vindt’. Op grond van deze wettekst ligt het niet voor de hand dat de rechter bepaalt dat art. 358 lid 1 Fw Pro verder geen toepassing vindt,
voordatde schuldsaneringsregeling formeel is geëindigd, dus voordat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, en het rechtsgevolg van art. 358 lid 1 Fw Pro dus nog niet is ingetreden.
3.5 In dit geval heeft de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep verklaard dat de slotuitdelingslijst (nog) niet is opgemaakt.
nadatde rechtbank op de voet van art. 354 Fw Pro heeft beslist dat de schuldenaar de schone lei wordt verleend én dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, maar
voordatde toepassing van de schuldsaneringsregeling formeel is geëindigd, blijkt dat zich voordien feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die grond zouden hebben opgeleverd voor de tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 350, derde lid, onder e, Fw de rechter op verzoek van iedere belanghebbende kan bepalen dat art. 358 lid 1 Fw Pro verder geen toepassing vindt. Daardoor krijgt de schuldenaar niet de schone lei.