ECLI:NL:HR:2006:AV4484

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R05/052HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358a FwArt. 358 lid 1 FwArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling en intrekking schone lei wegens benadeling schuldeisers

De schuldenaar werd definitief opgenomen in de schuldsaneringsregeling met benoeming van een rechter-commissaris en bewindvoerder. Na succesvolle nakoming werd de regeling met schone lei beëindigd. Vervolgens verzochten de bewindvoerder en rechter-commissaris op grond van art. 358a Fw de intrekking van de schone lei wegens benadeling van schuldeisers.

De rechtbank wees het verzoek van de bewindvoerder toe en ontnam de schuldenaar de schone lei, terwijl het verzoek van de rechter-commissaris werd afgewezen. Het hof bekrachtigde dit vonnis in hoger beroep. De schuldenaar stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep. De beslissing bevestigt dat de schone lei kan worden ingetrokken als blijkt dat de schuldenaar schuldeisers heeft benadeeld, conform art. 358a Fw.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de intrekking van de schone lei wegens benadeling van schuldeisers.

Uitspraak

2 juni 2006
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/052HR
JMH/MK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
R.G.J.M. KONINK in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van verzoeker tot cassatie,
kantoorhoudende te Almelo,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
De rechtbank te Almelo heeft bij vonnis van 4 september 2001 op verzoek van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de schuldenaar - de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenaar uitgesproken met benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.
Tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling is verweerder in cassatie tot nieuwe bewindvoerder benoemd.
Bij vonnis van 14 september 2004 heeft de rechtbank vastgesteld dat de schuldenaar niet in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en met ingang van 14 september 2004 de toepassing van de schuldsaneringsregeling met verlening van een schone lei beëindigd.
Bij brief van 12 november 2004 heeft de bewindvoerder de rechtbank te Almelo op grond van art. 358a Fw verzocht "de schone lei van betrokkene in te trekken". Ook de rechter-commissaris heeft op diezelfde dag een verzoek op grond van art. 358a Fw ingediend.
Na een mondelinge behandeling van beide verzoeken ter terechtzitting van 14 december 2004 heeft de rechtbank bij vonnis van 4 januari 2005 het verzoek van de bewindvoerder toegewezen, bepaald dat art. 358 lid 1 Fw Pro verder geen toepassing vindt, hetgeen betekent dat de schuldenaar de schone lei wordt ontnomen, en de rechter-commissaris niet-ontvankelijk in het verzoek verklaard.
Tegen laatstvermeld vonnis heeft de schuldenaar hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.
Bij arrest van 31 maart 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank van 4 januari 2005 bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de schuldenaar beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De bewindvoerder heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de schuldenaar heeft bij schrijven van 23 maart 2006 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren O. de Savornin Lohman, als voorzitter, E.J. Numann, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 2 juni 2006.