Uitspraak
wonende te [woonplaats], Duitsland,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
24 april 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft de vraag of de (voormalig) rechter-commissaris als belanghebbende in de zin van art. 358a lid 1 Fw bevoegd is om een verzoek tot ontneming van de schone lei in te dienen nadat de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) op de schuldenaar is geëindigd.
De schuldenaar was onder de WSNP geplaatst en had de schone lei verkregen. Na beëindiging van de regeling deed de rechter-commissaris een voordracht aan de rechtbank om de schone lei te ontnemen wegens benadeling van schuldeisers gedurende de regeling. Zowel de rechtbank als het hof bevestigden de bevoegdheid van de rechter-commissaris en wezen het verzoek toe.
De Hoge Raad oordeelt dat het stelsel van de WSNP erop is gericht dat schuldeisers erop mogen vertrouwen dat de schuldenaar zijn verplichtingen nakomt. De rechter-commissaris houdt toezicht op deze naleving en is bevoegd om, ook na beëindiging van de regeling, een voordracht te doen tot ontneming van de schone lei als blijkt dat de schuldenaar schuldeisers heeft benadeeld.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het oordeel van het hof dat de rechter-commissaris belanghebbende is en ontvankelijk in het verzoek, wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de rechter-commissaris bevoegd is om op grond van art. 358a Fw een verzoek tot ontneming van de schone lei te doen en wijst het cassatieberoep af.