Conclusie
IN HET BELANG DER WET
om de verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te bereiden” in de weg staat aan de toepassing van “
het inzagerecht” van art. 7:456 en Pro art. 7:464 lid Pro 2, aanhef en onder b, BW.
1.Rechtsvraag en achtergronden
Waterlandziekenhuis-arrest geoordeeld in een zaak die aan dit spanningsveld raakt, namelijk in het kader van een incidentele vordering op grond van art. 843a Rv, in welk verband een beroep was gedaan op het inzagerecht uit hoofde van de Wbp, zij het zonder succes. [6] De incidentele vordering was in appel afgewezen en die beslissing liet Uw Raad in stand. Volgens Uw Raad kon het medisch advies als zodanig niet als persoonsgegeven worden aangemerkt, zodat het beroep op de Wbp niet opging. Aan het belang van (de aansprakelijkheidsverzekeraar van) het ziekenhuis bij een ongestoorde gedachtewisseling werd niet toegekomen. Naast de rechtspraak heeft het onderwerp ook in de literatuur de aandacht getrokken. [7] Deze rechtspraak en literatuur zullen in het navolgende, waar relevant, nog aan de orde komen.
om[hun]
verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te bereiden”. Ik meen dat het CTG een onjuiste toepassing heeft gegeven aan verschillende bepalingen van afd. 7.7.5 BW, hoewel het mijns inziens terecht – zij het in de verkeerde context – heeft gewezen op het recht op (standpuntbepaling en) voorbereiding van de verdediging in vrijheid en beslotenheid, waarvan de grondslag mijns inziens te vinden is in art. 6 lid 1 EVRM Pro.
2.De tuchtrechtelijke context van de zaak
3.Feiten en procesverloop
lege artis(volgens de regelen der kunst) is gehandeld. De beoordelend arts heeft op basis van het medisch dossier van patiënte een advies uitgebracht aan de verzekeraar (hierna: ‘het medisch advies’).
Inhoudelijke beoordeling
voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
bedoeld zijn kennelijk de handelingen als bedoeld in art. 7:446 lid 4 BW Pro, A-G] is in beginsel het inzagerecht van toepassing, zoals neergelegd in de artikelen 7:456 BW en 7:464, tweede lid, onder b BW.”
lees: afd. 7.7.5 BW, A-G] uitgebreid tot verschillende situaties waaraan geen behandelingsovereenkomst ten grondslag ligt. Volgens artikel 7:464 lid 1 BW Pro is het inzagerecht van toepassing indien in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf anders dan krachtens een behandelingsovereenkomst handelingen op het gebied van de geneeskunst worden verricht, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Dit kan betekenen dat niet alle bepalingen uit de Wgbo onverkort gelden bij een eenzijdig medisch advies, dat is opgesteld op verzoek van de verzekeraar in het kader van een aansprakelijkstelling. Net als het Regionaal Tuchtcollege, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de aard van de rechtsbetrekking zich tegen toepasselijkheid van het inzagerecht van klaagster verzet en overweegt hiertoe het volgende.
4.De beoordeling op basis van afd. 7.7.5 BW
Inleiding
De achtergrond en reikwijdte van afd. 7.7.5 BW
Opdracht) is ondergebracht, maakt duidelijk dat een geneeskundige behandelingsovereenkomst een bijzondere soort opdrachtovereenkomst is. [28] De algemene bepalingen voor opdrachtovereenkomsten in afd. 7.7.1 BW zijn dus ook van toepassing, voor zover daarvan in afd. 7.7.5 BW niet wordt afgeweken.
Een analyse van de bestreden beslissing
handelingen op het gebied van de geneeskunst, rechtstreeks betrekking hebbende op de persoon van de opdrachtgever of van een bepaalde derde.” Het begrip ‘handelingen op het gebied van de geneeskunst’ is gedefinieerd in het hiervoor aangehaalde art. 7:446 lid 2 BW Pro, dat uit twee onderdelen bestaat. Het eerste onderdeel, art. 7:446 lid Pro 2, aanhef en onder a, BW, betreft volgens de wetgeschiedenis “
de verrichtingen die van oudsher tot de geneeskunst worden gerekend.” [39] De bepaling noemt handelingen die ertoe strekken de patiënt van een ziekte te genezen, de patiënt voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn/haar gezondheidstoestand te beoordelen, dan wel deze verloskundige bijstand te verlenen. Concreter kan hierbij worden gedacht aan diagnose, handelingen gericht op genezing, pijn- en symptoombestrijding. [40] Dergelijke handelingen vinden niet altijd plaats door een arts. Het kan ook gaan om aan een geneeskundige behandeling gerelateerde handelingen van bijvoorbeeld verpleegkundigen, [41] optometristen, [42] fysiotherapeuten, psychotherapeuten en verloskundigen. [43] Het geval dat hier aan de orde is, valt niet binnen deze categorie. Het bestuderen van een medisch dossier, het beoordelen of volgens de regelen der kunst is gehandeld en het naar aanleiding daarvan opstellen van een medisch advies wordt niet van oudsher tot de geneeskunst gerekend. Daarbij teken ik aan dat hier niet sprake is van het beoordelen van de gezondheidstoestand van patiënte, maar van de gang van zaken tijdens een eerdere behandeling.
kleine verruiming.” [45] Dat tempert de verwachtingen enigszins. De verruiming strekt er volgens de wetgeschiedenis vooral toe te bewerkstelligen dat ook handelingen van artsen die betrekking hebben op een
gezonde persoonkunnen worden aangeduid als handelingen op het gebied van de geneeskunst. [46] Te denken valt aan een cosmetische behandeling, maar ook aan een vaccinatie of donatie. [47] Het gaat dus om gevallen die, voor wat betreft de verhouding tussen arts en ‘behandelde’, lijken op een geneeskundige behandeling. Of een arts handelt in hoedanigheid van arts, zal in de meeste gevallen geen punt van twijfel zijn. Een arts die bijvoorbeeld een nier verwijdert uit een donateur zal dat evident doen in de hoedanigheid van arts. Niet alle handelingen die een arts in hoedanigheid verricht, vallen echter onder de handelingen die de wetgever blijkens het voorgaande heeft beoogd. Zo is een obductie door een patholoog-anatoom (een arts dus) in de lagere rechtspraak
nietaangemerkt als handeling als bedoeld in art. 7:446 lid Pro 2, aanhef en onder b, BW. [48]
rechtstreeks betrekking heeft op de persoonvan de opdrachtgever of van een bepaalde derde, de patiënt. Dit criterium komt tot uitdrukking in zowel art. 7:446 lid 1 als Pro in art. 7:446 lid 2 BW Pro. Wat houdt ‘rechtstreeks betrekking hebben op een persoon’ in? Volgens de wetsgeschiedenis moet sprake zijn
van een“
individuele gerichtheid”. [49] Dit is een lastig criterium. Typisch zijn die gevallen waarin bijvoorbeeld een arts een patiënt ziet en behandelt. De individuele gerichtheid is dan boven twijfel verheven. Rechtstreeks contact is echter geen vereiste, zo leert de wetsgeschiedenis, waarbij het voorbeeld wordt gegeven van (laboratorium)onderzoek naar lichaamsstoffen. [50] Het lijkt erop dat is vereist dat de handeling waartoe opdracht wordt gegeven is bedoeld om rechtstreeks ten goede te komen aan een “
bepaalde, kenbare, patiënt.” [51] Zijn er wezenlijke tussenschakels of is de handeling niet gericht op een specifiek individu, dan kan van een geneeskundige behandelingsovereenkomst niet worden gesproken. [52]
dat art. 7:446 lid 4 BW Pro ervoor zorgtdat de verhouding tussen patiënte en de beoordelend arts niet kan worden aangemerkt als een geneeskundige behandelingsovereenkomst. Mijns inziens is dat onjuist, omdat art. 7:446 lid 4 BW Pro hier toepassing mist. Omdat de toepasselijkheid van deze bepaling, in verbinding met art. 7:464 lid 2 BW Pro, een centraal thema vormt in deze zaak, ga ik hierop iets uitgebreider in.
beoordeling(…)
van een persoon” (de beoordeling van het medisch dossier betreffende patiënte?), “
verricht in opdracht van een ander dan die persoon” (de verzekeraar van het ziekenhuis?) en “
in verband met de vaststelling van aanspraken of verplichtingen” (in verband met de vaststelling van aansprakelijkheid?) kunnen zelfs de indruk wekken dat de bepaling voor een geval als het onderhavige bij uitstek is geschreven. In de literatuur is dan ook door sommigen het standpunt ingenomen dat zij op een dergelijk geval toepassing vindt. [54]
beoordeling van de gezondheidstoestand of medische begeleiding van een persoon”. Van een medische begeleiding is evident geen sprake. Een beoordeling van een medisch dossier ter beantwoording van de vraag of volgens de regelen der kunst is gehandeld, is ook niet aan te merken als een beoordeling van de gezondheidstoestand van een persoon, maar als een beoordeling van de eerdere behandeling. [61] Dat patiënte bij die beoordeling niet is gezien en ook geen medewerking heeft verleend – afgezien van een eventuele vereiste toestemming in het kader van de privacyregelgeving – is daarbij veelzeggend. Het betreft een ‘papieren exercitie’ die buiten patiënte om heeft plaatsgevonden en die meer doet denken aan bijvoorbeeld een juridische beoordeling dan aan een medische keuring. Dit wordt mijns inziens overigens niet anders als de gezondheidstoestand van de patiënt ook onderwerp is van het advies, bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag of er letsel is dat in een causaal verband staat met een eventuele medische fout. Ook een dergelijke gang van zaken blijft een ‘papieren exercitie’ buiten betrokkenheid van de patiënt en is niet op één lijn te stellen met een medische keuring. [62]
“de partij die zich aan een medisch onderzoek onderwerpt, zich vervolgens in beginsel zal mogen beroepen op het inzage- en blokkeringsrecht van art. 7:464 lid 2 BW Pro (tenzij zich een van de in deze bepaling vermelde uitzonderingsgevallen voordoet).” [64] Het inzagerecht was in die zaken overigens niet aan de orde; het draaide daar om het blokkeringsrecht.
artikel 7:464 BW Pro(…)
het toepassingsgebied van de bepalingen uit de Wgbo[lees: afd. 7.7.5 BW, A-G] [is]
uitgebreid tot verschillende situaties waaraan geen behandelingsovereenkomst ten grondslag ligt.”
Betreft het(…)”, vormen lid 1 en lid 2 gescheiden circuits. In randnummer 4.19 kwam de relevante wetsgeschiedenis al aan de orde: met art. 7:446 lid 4 in Pro verbinding met art. 7:464 lid 2 BW Pro is beoogd bepaalde soorten gevallen van het regime voor geneeskundige behandelingsovereenkomsten uit te zonderen en daar enkele bijzondere regels voor in het leven te roepen,
eventueel aangevuldmet de overeenkomstige toepassing op grond van art. 7:464 lid 1 BW Pro van bepalingen die zijn geschreven voor de geneeskundige behandelingsovereenkomsten.
[v]olgens artikel 7:464 lid 1 BW Pro(…)
het inzagerecht van toepassing[is]
indien in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf anders dan krachtens een behandelingsovereenkomst handelingen op het gebied van de geneeskunst worden verricht, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.” Met “
het inzagerecht” heeft het CTG, zo volgt uit het voorgaande, kennelijk zowel het inzagerecht als bedoeld in art. 7:456 als Pro het in art. 7:464 lid Pro 2, aanhef en onder b, BW besloten liggende inzagerecht op het oog gehad. Het CTG heeft dus ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat het laatstbedoelde inzagerecht is onderworpen aan de clausulering aan het slot van art. 7:464 lid 1 BW Pro (“
voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet”).
niet-contractuele, doch daarmee vergelijkbare relaties”. [71] Daarmee worden situaties bedoeld waarin de patiënt zich ten opzichte van een arts of andere zorgverlener in een afhankelijke positie bevindt. [72] Art. 7:464 lid 1 BW Pro is blijkens de tekst daarvan alleen van toepassing indien ‘handelingen op het gebied van de geneeskunst’ worden verricht, als bedoeld in art. 7:446 lid 2 BW Pro, dat in randnummers 4.10 tot en met 4.12 aan de orde kwam. Te denken is aan vele door het publiekrecht beheerste situaties. [73] Een voorbeeld uit de rechtspraak is onderzoek in opdracht van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen naar de rijvaardigheid en rijgeschiktheid van een persoon. [74] Een ander voorbeeld is een medisch onderzoek in het kader van een indicatiestelling voor (destijds) AWBZ-zorg. [75] Tegenwoordig valt te denken aan medische onderzoeken ten behoeve van indicatiestellingen voor hulpverlening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Wet langdurige zorg of de Jeugdwet. Het CTG heeft niet expliciet geoordeeld over de vraag of de handelingen die in het onderhavige geval aan de orde zijn – het bestuderen van een medisch dossier om te beoordelen of een behandeling volgens de regels der kunst is verlopen, zonder de patiënt te zien – kunnen worden aangemerkt als ‘handelingen op het gebied van de geneeskunst’ als bedoeld in art. 7:446 lid 2 BW Pro. Hiervoor in randnummers 4.10 en 4.12 werd al duidelijk dat ik van mening ben dat het antwoord op deze vraag ontkennend luidt. Dat brengt mee dat, anders dan het CTG heeft gemeend, art. 7:464 lid 1 BW Pro niet van toepassing is.
het inzagerecht”. In de slotzin van rov. 4.6 wordt vermeld dat het CTG “
van oordeel[is]
dat de aard van de rechtsbetrekking zich tegen toepasselijkheid van het inzagerecht van klaagster verzet”. In rov. 4.7 voegt het CTG daaraan het volgende toe:
aard van de rechtsbetrekking”. Mijns inziens heeft het CTG de wettekst en de in randnummer 4.31 besproken ratio daarvan te zeer verwrongen. Art. 7:464 lid 1 BW Pro veronderstelt dat tussen twee of meer (rechts)personen een
rechtsbetrekkingbestaat, waarbij ten minste één handelt in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf. In randnummer 4.31 werd duidelijk dat dit niet een privaatrechtelijke rechtsbetrekking hoeft te zijn en dat ook een publiekrechtelijke rechtsbetrekking in aanmerking komt. Nu is het goed voorstelbaar dat zo’n rechtsbetrekking van dien aard is dat niet alle bepalingen die van toepassing zijn op geneeskundige behandelingsovereenkomsten zich voor overeenkomstige toepassing lenen. Waaraan kan worden gedacht? Een voorbeeld betreft militairen, die onder bepaalde voorwaarden zorg van overheidswege genieten. [79] Art. 7:464 lid 1 BW Pro heeft ook in die context betekenis, zo wordt aangenomen. [80] Veronderstellende dat dat klopt, is goed voorstelbaar dat niet alle op de ‘burgermaatschappij’ gerichte bepalingen van afd. 7.7.5 BW zich voor onverkorte toepassing lenen, nu de gezondheidstoestand van militairen van invloed is op de (gezamenlijke) taakuitoefening in abnormale omstandigheden. Zo zal de in art. 7:448 BW Pro geregelde informatieplicht vermoedelijk niet altijd na te komen zijn en is de zeggenschap van de patiënt over behandelingen beperkter. De aard van de rechtsbetrekking is hier dus van belang.
Tussenconclusie
handelingen op het gebied van de geneeskunst rechtstreeks betrekking hebbende op de persoon van de opdrachtgever of van een bepaalde derde”als bedoeld in art. 7:446 lid 1 BW Pro betreffen (zie randnummers 4.10 tot en met 4.14);
handelingen op het gebied van de geneeskunst” als bedoeld in art. 7:464 lid 1 en Pro 7:446 lid 2 BW zijn (zie randnummer 4.31); en
beoordeling van de gezondheidstoestand of medische begeleiding van een persoon” als bedoeld in art. 7:446 lid 4 BW Pro betreffen (zie randnummer 4.20).
in de verhouding tussen patiënte en het ziekenhuis, ook voor wat betreft het antwoord op de vraag of patiënte recht heeft op inzage in het medisch advies. Hoewel de verhouding tussen patiënte en het ziekenhuis geen onderwerp is van de bestreden beslissing, ga ik vanuit een oogpunt van volledigheid hierna toch in op de vraag of patiënte van het ziekenhuis inzage zou kunnen verlangen. Verder wees ik in de inleiding al op art. 8 EVRM Pro en de AVG. Mijns inziens kunnen zij niet onbesproken blijven. Art. 8 EVRM Pro is namelijk van belang voor de rechtspositie van patiënten, ook als het gaat om het verkrijgen van informatie. Voor de AVG geldt dat zij – althans haar voorganger in Nederland, de Wbp – met regelmaat ten grondslag wordt gelegd aan een inzageverzoek in een geval als het voorliggende, zo blijkt onder meer uit de rechtspraak waarnaar ik al eerder verwees (randnummer 1.3 hiervoor). Ik besteed daarom in paragraaf 5 aandacht aan art. 8 EVRM Pro en in paragraaf 6 aan de AVG. Een rechtvaardiging voor de bespreking van deze onderwerpen kan mede worden gevonden in het feit dat – naar wordt aangenomen – het regionaal tuchtcollege en het CTG net als de civiele rechter ambtshalve de rechtsgronden moet aanvullen. [82] Dat het CTG zich moest en mocht beperken tot een toetsing aan de bepalingen van afd. 7.7.5 BW is dus niet evident. Als art. 8 EVRM Pro en/of de AVG patiënte wel recht zouden geven op inzage, dan had het CTG mogelijkerwijs tot een andere uitkomst moeten komen. Met de bespreking van art. 8 EVRM Pro en de AVG komt het in randnummer 1.2 genoemde spanningsveld tussen het belang van patiënten bij inzage en het van het ziekenhuis en/of diens aansprakelijkheidsverzekeraar bij beslotenheid weer op tafel. De vraag is of het laatstgenoemde belang erkenning vindt in het recht. Met andere woorden: bestaat het recht op standpuntbepaling en voorbereiding van de verdediging in vrijheid en beslotenheid en wat is de grondslag daarvan? Aan deze vraag besteed ik in paragraaf 7 aandacht.
Recht op inzage ten opzichte van het ziekenhuis?
ten opzichte van de beoordelend artsrecht geeft op inzage in het medisch advies. Een andere vraag, die in gevallen als het voorliggende van belang is, is of de patiënt een dergelijk recht op grond van afd. 7.7.5 BW geldend kan maken
tegen het ziekenhuis. Als gezegd is het nuttig om ook deze vraag te bespreken. Daarbij ga ik er veronderstellenderwijs van uit dat tussen de patiënt en het ziekenhuis een geneeskundige behandelingsovereenkomst als bedoeld in art. 7:446 lid 1 BW Pro bestaat. Het gaat dus om de toepassing van regime (i) zoals aangeduid in randnummer 4.6. Bovendien neem ik aan dat het medisch advies is gedeeld met het ziekenhuis.
in dit geval dus het ziekenhuis, A-G] verstrekt aan de patiënt desgevraagd inzage in en afschrift van de gegevens uit het dossier. De verstrekking blijft achterwege voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander.”
KNMG-richtlijn Omgaan met medische gegevensis als vorm van zelfregulering van belang voor de praktische invulling van het inzagerecht. [84]
inzage in en afschrift van” in art. 7:456 BW Pro maakt duidelijk dat de patiënt in beginsel naar keuze (a) het dossier mag inzien (op locatie) dan wel (b) kopieën van documenten mag verlangen, of beide. Op grond van art. 15d lid 1 Wabvpz moet sinds 1 juli 2020 [85] de inzage en/of het afschrift kort gezegd op elektronische wijze worden verleend respectievelijk verstrekt, indien de patiënt daarom verzoekt. Het inzagerecht geldt nagenoeg categorisch. Er is slechts één uitzondering. [86] Volgens art. 7:456, tweede volzin, BW blijft de verstrekking van inzage in en/of afschrift van de gegevens achterwege voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander. Dit lijkt zich niet vaak te zullen voordoen. Gedacht kan worden aan de situatie waarin het dossier gegevens bevat over de natuurlijke ouders
,wier privacy wordt geschaad bij inzage. [87] Voor deze zaak zijn uitzonderingen van deze aard niet van belang.
onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek” als bedoeld in art. 12 lid 3 AVG Pro moeten worden verstrekt. [89] Art. 7:456 BW Pro bepaalt ten gevolge van de aanpassing aan de AVG niet langer dat de hulpverlener een “
redelijke vergoeding” in rekening mag brengen. [90] De wetgever is ervan uitgegaan dat op dit punt de regels in de AVG gelden, [91] die slechts in bepaalde gevallen het in rekening brengen van een vergoeding toelaten. [92] Alleen indien “
verzoeken van een betrokkene kennelijk ongegrond of buitensporig zijn, met name vanwege hun repetitieve karakter” mag een “
redelijke vergoeding” in rekening worden gebracht, zo blijkt uit art. 12 lid Pro 5, aanhef en onder a, in verbinding met art. 15 AVG Pro. Inzage en afschrift kunnen ook – en dat zal in toenemende mate het geval zijn – een elektronisch karakter hebben. [93] Art. 15d lid 3 Wabvpz voorzien in een recht op
kostelozeelektronische verstrekking van inzage of afschrift.
[d]e hulpverlener (…) in het dossier alle gegevens opnemen die relevant zijn voor de behandeling en de nacontrole op de reeds uitgevoerde verrichtingen om de continuïteit en kwaliteit van de behandeling te waarborgen.” [101] Het gaat dus om de aard van de gegevens, ongeacht hoe zij worden bijeengebracht en beheerd. Beslissend is daarom niet zonder meer wat in een papieren dossiermap zit. Evenmin gaat het om
alleop de patiënt betrekking hebbende gegevens waarover (in dit geval) het ziekenhuis beschikt. [102] Het medisch dossier kan gelet op een en ander ook een (deels) papieren en/of (deels) elektronische vorm [103] aannemen. [104]
persoonlijke werkaantekeningen”, die de betreffende zorgprofessional voor zichzelf houdt. [114] Het argument dat volgens de wetsgeschiedenis ten grondslag ligt aan de keuze om deze aantekeningen van het medisch dossier af te zonderen, is het volgende:
bedoeld zijn hier de behandelaars, A-G], naast de voor een goede hulpverlening noodzakelijke aantekeningen van de geneeskundige gegevens omtrent de patiënt, werkaantekeningen te maken welke dienen als geheugensteun voor de eigen gedachtenvorming. Bij deze zogenoemde persoonlijke werkaantekeningen gaat het niet om het aantekenen van gegevens, maar van indrukken, vermoedens of vragen die bij de hulpverlener [
de behandelaar, A-G] leven. De persoonlijke werkaantekeningen vallen dus niet onder de in het eerste lid van het onderhavige artikel bedoelde stukken.” [115]
indrukken, vermoedens of vragen”, maar een onderscheid tussen dergelijke ‘subjectieve’ gegevens en ‘objectieve’ gegevens wilden de minister en staatssecretaris uiteindelijk, ondanks het oorspronkelijke argument voor het afzonderen van persoonlijke werkaantekeningen, niet maken. [118]
de in het kader van de zogenaamde FONA-registratie te maken aantekeningen van fouten en «near-accidents».” [119] ‘FONA’ staat voor fouten, ongevallen en
near-accidents. [120] Tegenwoordig wordt in plaats van ‘FONA’ de term ‘MIP/VIM’ gebruikt, dat staat voor ‘melding incidenten patiëntenzorg/veilig incident melden’. [121] Deze terminologie wordt gebruikt in het kader van de kwaliteits- en veiligheidsbewaking binnen een ziekenhuis, de in art. 9 Wkkgz Pro bedoelde “
systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de zorg”. [122] Incidenten moeten intern worden gemeld en beoordeeld met het doel om daarvan te leren en niet zozeer in het kader van de zorgverlening aan de individuele patiënt. [123] Dit doel – het leren van incidenten – is gediend met een grote meldingsbereidheid. [124] Daarom mogen de betrokken meldingen volgens art. 9 lid 6 Wkkgz Pro in beginsel niet in een civielrechtelijke, strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of tuchtrechtelijke procedure als bewijs worden gebruikt en kan een disciplinaire maatregel, een bestuurlijke sanctie of een bestuurlijke maatregel niet daarop worden gebaseerd. [125]
De zorgaanbieder doet aan een cliёnt[ [127] ] (…)
onverwijld mededeling van de aard en toedracht van incidenten bij de zorgverlening aan de cliёnt die voor de cliёnt merkbare gevolgen hebben of kunnen hebben en maakt van de aard en toedracht van incidenten aantekening in het dossier van de cliënt.”
de aard en toedracht van incidenten aantekening in het dossier” wordt gemaakt, [129] waaruit mijns inziens niet volgt dat daarop betrekking hebben documenten moeten worden opgenomen in het medisch dossier en daarin inzage moet worden gegeven. [130] Er zijn in het onderhavige geval ook wel raakvlakken met de in randnummer 4.50 onder (v) bedoelde financiële informatie, die niet tot het medisch dossier behoort, in die zin dat het ook bij een medisch advies als het onderhavige in belangrijke mate draait om de rechtspositie en financiële positie van het ziekenhuis en niet (direct) om de hulpverlening.
5.De relevantie van art. 8 EVRM Pro voor inzage in gezondheidsgegevens
Inleiding
private and family life” moeten om te beginnen niet beperkt worden opgevat. Zo valt ook een schone en rustige leefomgeving daaronder, net als veel andere aspecten. [131] Belangrijk is ook dat de staat zich niet alleen moet onthouden van inbreuken op het in het eerste lid bedoelde recht (een negatieve verplichting), maar ook een positieve verplichting kan hebben om dit recht te waarborgen. [132] Het erkennen van een positieve verplichting is een opstap naar (indirect) horizontale werking van EVRM-rechten. Een positieve verplichting kan namelijk inhouden dat van de overheid waarborgen in het objectieve recht worden verlangd
in de verhouding tussen burgersen dan is het vervolgens een relatief kleine stap voor de rechter om de ‘juiste’ rechtsregels in de verhouding tussen burgers aanwezig te achten, die zich vervolgens voor toepassing in een horizontale verhouding lenen. [133] Het is dan dus niet art. 8 EVRM Pro zelf, maar de door art. 8 EVRM Pro verlangde rechtsregel, die horizontaal werkt.
in accordance with the law”), waaronder wetten, rechtspraak maar bijvoorbeeld ook beleidsregels kunnen worden verstaan. [134] In dat verband geldt de eis van kenbaarheid en voorzienbaarheid: het gaat erom “
dat individuele burgers in de gelegenheid zijn om in te kunnen schatten welke beperkingen aan hun grondrechten worden gesteld”. [135] In de tweede plaats moet de beperking noodzakelijk zijn in een democratische samenleving (“
necessary in a democratic society”). Het element ‘noodzakelijk’ houdt niet in dat de beperking ‘onmisbaar’ moet zijn; wat volstaat is dat de beperking voortvloeit uit een dringende maatschappelijke behoefte. [136] Art. 8 lid 2 EVRM Pro vermeldt in dit verband aanknopingspunten, die vermoedelijk wel elke legitieme behoefte omvatten: “
national security, public safety or the economic well-being of the country, for the prevention of disorder or crime, for the protection of health or morals, or for the protection of the rights and freedoms of others”. Het element ‘democratische samenleving’ is vager. Dit houdt in dat relevant is in welke mate de beperking strookt met het ideaal om een democratische samenleving in stand te houden, waarbij onder meer pluralisme een belangrijke rol speelt. [137] In de derde en laatste plaats moet de beperking/inbreuk proportioneel zijn ten opzichte van het daarmee nagestreefde legitieme doel, in welk verband wel wordt gesproken over een
fair balance. [138] Hierbij geldt dat het EHRM aan de staat – en dus ook aan de nationale rechter als staatsorgaan – afhankelijk van het onderwerp een ruimere of minder ruime
margin of appreciationlaat. [139] Daaruit volgt uitdrukkelijk
nietdat óók de nationale rechter op grond van het EVRM een
margin of appreciationmoet laten aan de wetgever; welke bevoegdheden (en rollen) toekomen aan de verschillende staatsorganen betreft immers een kwestie van nationaal recht. [140] De margin-of-appreciationdoctrine brengt dus geenszins mee dat de nationale rechter zich terughoudend moet opstellen als het gaat om de toetsing van wetgeving aan het EVRM. Het nationale recht kan natuurlijk wel terughoudendheid van de rechter verlangen. [141]
Bescherming van de toegang tot eigen gezondheidsgegevens en het verlangde juridische raamwerk voor medische aansprakelijkheid op grond van art. 8 EVRM Pro
Uslu/Turkije, [146] K.H. c.s./Slowakije [147] en
S.B./Roemenië. [148]
Uslu/Turkijeuit 2009 heeft het EHRM zich uitgelaten over de mogelijkheid om een kopie te krijgen van een medisch rapport. [149] Uslu werd als gevangene onderzocht door een arts in de gevangeniskliniek. De arts heeft in de administratie van de kliniek genoteerd dat Uslu last had van spanningshoofdpijn en heeft besloten Uslu te verwijzen naar de afdeling neurologie van een ziekenhuis. In de tussentijd diende Uslu bij de rechter een verzoek in tot het verkrijgen van kopieën van het rapport van de arts die hem in de gevangeniskliniek had onderzocht en van de relevante pagina’s van de hiervoor bedoelde administratie. De rechter wees dat verzoek toe, maar na beroep van de aanklager werd het verzoek alsnog afgewezen.
.
interest– heeft om de rapportage van die arts in te zien en daarvan een kopie te ontvangen. Daarbij vermeldt het EHRM wel dat het erom gaat dat “
he could be properly involved in the choice of the medical care to be provided.” Voor het onthouden van inzage en afschrift moeten goede redenen bestaan. Nu die redenen hier in het geheel niet aan het licht kwamen, was het EHRM snel klaar en oordeelde het dat art. 8 EVRM Pro is geschonden.
Uslu/Turkijeaan de orde was, nieuwe gegevens met betrekking tot haar gezondheidstoestand verzameld. In het onderhavige geval speelt ook niet dat patiënte moet worden betrokken “
in the choice of the medical care to be provided.”
K.H. c.s./Slowakije, eveneens uit 2009, ligt in het verlengde van de uitspraak
Uslu/Turkije,maar is principiëler geformuleerd. [151] Verzoeksters zijn acht Slowaakse vrouwen met een Roma-afkomst. [152] Zij waren, afzonderlijk van elkaar, behandeld bij gynaecologische en verloskundige afdelingen van verschillende ziekenhuizen, waar zij door middel van een keizersnede waren bevallen. Nadien kwamen zij erachter dat zij niet langer zwanger konden raken. Zij vermoedden dat zij bij hun ziekenhuisbezoeken waren gesteriliseerd door het ziekenhuispersoneel. Verschillende verzoeksters was gevraagd om voor de bevalling en/of bij ontslag uit het ziekenhuis documenten te ondertekenen, maar deze verzoeksters wisten niet wat de inhoud daarvan was. De door hen aangezochte advocaten mochten de medische dossiers van verzoeksters desverzocht niet kopiëren. Procedures leidden niet tot een ander resultaat.
K.H. c.s./Slowakijeuitgebreider aan te halen:
i.e. to provide an effective and accessible procedure enabling the applicants to have access to all relevant and appropriate information, A-G] should extend, in particular in cases like the present one where personal data are concerned, to the making available to the data subject of copies of his or her data files.
S.B./Roemenië, een uitspraak uit 2014, [156] was het volgende aan de orde. Verzoekster heeft vanaf 2001 de praktijk van een tandarts bezocht voor het plaatsen van kronen en bruggen. Samengevat bleek na meerdere bezoeken aan de tandarts dat de kronen en bruggen niet goed functioneerden. Verzoekster diende vervolgens een klacht in, die terechtkwam bij het College van Artsen van Boekarest. Vervolgens werd zij onderzocht door een andere tandarts, die volgens verzoekster aan haar mededeelde dat het brugwerk niet goed was uitgevoerd. Enkele dagen later vond een tweede onderzoek plaats. Volgens verzoekster werd haar ten tijde van dat onderzoek medegedeeld dat de bruggen niet gedragen moesten worden. Enkele maanden later verzocht verzoekster te worden ingelicht over de bevindingen in het medische expertiserapport. Haar werd door het College van Artsen van Boekarest medegedeeld dat die bevindingen alleen voor intern gebruik van het tuchtpanel van het College van Artsen van Boekarest bedoeld waren en dat indien zij een medisch expertiserapport wilde verkrijgen, zij zich tot het Nationaal Instituut voor Forensische Geneeskunde moest wenden. Van dat instituut kreeg zij vervolgens te horen dat een medisch expertiserapport alleen wordt opgemaakt in de context van een rechterlijke procedure. Nadat verzoekster aangifte had gedaan en een strafrechtelijk onderzoek was gestart, werd zij in opdracht van eerdergenoemd instituut nogmaals onderzocht en werd een medisch expertiserapport opgesteld. Verzoekster probeerde een kopie te verkrijgen van het rapport, maar dat lukte in eerste instantie niet. Haar werd medegedeeld dat dat pas mogelijk zou zijn zodra de zaak naar de rechter zou zijn verwezen. Uiteindelijk kreeg zij wel een kopie van het rapport. Na meer dan tien jaar kwam de rechter tot een uitspraak, waarin verzoekster ongelijk kreeg. Het hoger beroep van verzoekster werd verworpen.
2. The Court’s assessment
the Court reiterates that Contracting States are under a positive obligation to maintain and apply in practice an adequate legal framework enabling victims to establish any liability on the part of the physicians concerned and to obtain appropriate civil redress, such as an award of damages, in appropriate cases (see
Codarcea, cited above, § 103;[ [158] ] (…)).
the Court has sought to establish whether the victim had access to proceedings that allowed the existence of any liability on the part of the medical practitioner or establishment concerned to be established.(…)
might have been deprived of access to an effective remedy allowing her to establish whether she had been a victim of malpractice and to obtain adequate redress.
The Court notes that, by virtue of this provision[uit de Procedural Rules, A-G]
and the fact that although she had been examined by a medical panel of the College of Doctors she could not obtain a copy of the findings of that examination, the applicant was denied of her right under Article 8 of the Convention to obtain, within a reasonable time, a medical expert report which could have determined whether – from a medical standpoint – there was a case of medical negligence in respect of the dental treatment carried out by Dr A.D.(see K.H. and Others v. Slovakia, no. 32881/04, § 58, ECHR 2009 (extracts)).
The Court does not find lack of merit in the applicant’s argument that, before embarking on lengthy and costly litigation, a patient needs to have access to a reliable and timely medical expert report that can identify whether any medical negligence has been committed. On the basis of the findings of such a report, one may decide whether or not to initiate such litigation and/or identify the legal remedy judged to be best suited to the case.
The foregoing considerations are sufficient to enable the Court to conclude that the applicant suffered an infringement of her right to respect for her private life. Furthermore, the system in place as at the date of the facts of the present case prevented the applicant from obtaining redress for that infringement. The respondent State has therefore failed to comply with its positive obligations under Article 8 of the Convention.
K.H. c.s./Slowakije(zie punt 73), maar doet dat wel in een wat andere context. Waar het in
K.H. c.s./Slowakijeging om de mogelijkheid van de patiënt om een kopie te krijgen van het medisch dossier, zonder opgaaf van redenen, stelt het EHRM in
S.B./Roemeniëde waarheidsvinding centraal ten behoeve van het vaststellen van aansprakelijkheid in het kader van een mogelijke “
serious interference with the right to physical integrity”, die raakt aan art. 8 EVRM Pro (punten 65 en 67). Het EHRM wijst in punt 66 op de “
positive obligation to maintain and apply in practice an adequate legal framework enabling victims to establish any liability on the part of the physicians concerned and to obtain appropriate civil redress”, in lijn met eerdere rechtspraak. [160] Dit is opvallend. Dat deze positieve verplichting, die rechtstreeks betrekking heeft op het aansprakelijkheidsrecht en het (burgerlijk) procesrecht, voortvloeit uit art. 8 lid 1 EVRM Pro, zal niet iedereen die deze bepaling raadpleegt, meteen in de gaten hebben. Opvallend is ook dat het EHRM zonder veel omhaal oordeelt dat art. 8 EVRM Pro voorziet in een recht “
to obtain, within a reasonable time, a medical expert report which could have determined whether – from a medical standpoint – there was a case of medical negligence” (punt 73) en dat het lijkt te onderschrijven dat dat mogelijk moet zijn vóórdat een rechterlijke procedure wordt gestart (punten 74 en 75). Het EHRM lijkt onder meer te oordelen dat verzoekster om die reden een kopie had moeten krijgen van het medisch expertiserapport dat in opdracht van het College van Artsen van Boekarest was opgesteld, ook al was dat opgesteld ten behoeve van een eventuele tuchtprocedure (punten 71 en 73).
to maintain and apply in practice an adequate legal framework enabling victims to establish any liability on the part of the physicians concerned and to obtain appropriate civil redress”, is zonder meer van belang voor het bepalen van de rechtspositie van patiënte. Dat zij in dat verband recht heeft “
to obtain, within a reasonable time, a medical expert report which could have determined whether – from a medical standpoint – there was a case of medical negligence” is in het bijzonder van belang. Toch meen ik niet dat dit betekent dat patiënte op grond van art. 8 EVRM Pro het recht moet worden toegekend om inzage te krijgen in het medisch advies. Een aspect dat in
S.B./Roemeniëaan de orde was en hier niet, is dat S.B. aan een lichamelijk medisch onderzoek was onderworpen naar aanleiding van een door haar ingediende klacht en naar nationaal recht desondanks kennelijk geen recht op een kopie van het naar aanleiding van dat onderzoek opgestelde rapport geldend kon maken. Dat is niet goed uit te leggen. Patiënte in de onderhavige zaak is echter niet betrokken geweest bij het onderzoek van de beoordelend arts. Hier is hetzelfde onderscheid aan de orde als in randnummers 4.19 tot en met 4.21 aan de orde kwam met betrekking tot de toepassing van art. 7:464 lid 2 BW Pro.
Tussenconclusie
6.Inzage op grond van de AVG
Inleiding
Het toepassingsbereik van de AVG
Deze verordening is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking, alsmede op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.” De AVG ziet dus op ‘verwerking’ van ‘persoonsgegevens’ die ofwel geheel of gedeeltelijk ‘geautomatiseerd’ plaatsvindt ofwel handmatig plaatsvindt door (of met de bestemming van) opname in een bestand, of op een combinatie van beide. [163] Handmatige verwerking zonder (de bestemming van) opname in een bestand valt buiten het materiële toepassingsbereik van de AVG. [164] Een ‘bestand’ is “
elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd of gedecentraliseerd is dan wel op functionele of geografische gronden is verspreid” (art. 4, aanhef en onder 6), AVG). Onder ‘bestand’ vallen niet “
[d]ossiers of een verzameling dossiers en de omslagen ervan, die niet volgens specifieke criteria zijn gestructureerd(…)”. [165] Kranenborg en Verhey schrijven: “
De systeemloze, uitpuilende dossierkast vormt het excuus om geen rekening te hoeven houden met de bescherming van persoonsgegevens zoals in de wet gewaarborgd.” [166] In de context van de onderhavige zaak: gegevens die ziekenhuizen in hun digitale systemen of papieren formulieren registreren over hun patiënten maken zonder twijfel deel uit van een ‘bestand’ in de zin van de AVG. [167]
Het inzagerecht op grond van de AVG
Eenieder heeft recht van inzage in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan.” Art. 1 lid 2 AVG Pro bepaalt in het verlengde daarvan: “
Deze verordening beschermt de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen en met name hun recht op bescherming van persoonsgegevens.” Dit vormt de achtergrond van het inzagerecht dat in de AVG is geregeld.
een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt”. Onder de Databeschermingsrichtlijn bestond een dergelijke bepaling niet. [171] Wat wordt bedoeld met ‘een kopie’? In andere taalversies wordt een vergelijkbare term aangetroffen (“
a copy”, “
une copie” en “
eine Kopie”). Het is nog niet helemaal duidelijk wat hiermee wordt bedoeld. [172] Gaat het om een overzicht van de desbetreffende persoonsgegevens of om
kopieën van de documentenwaarin de persoonsgegevens voorkomen? Voor de onderhavige zaak en soortgelijke zaken is een antwoord op deze vragen van belang, zodat ik daarop iets uitvoeriger inga.
dat aan[de]
aanvrager een volledig overzicht, in begrijpelijke vorm, van[de]
gegevens wordt gegeven, dat wil zeggen in een vorm die[de]
aanvrager in staat stelt kennis te nemen van[de]
gegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met[de Databeschermingsrichtlijn]. [173] Betrokkene heeft volgens deze rechtspraak niet zonder meer recht op kopieën van de documenten waarin de desbetreffende persoonsgegevens voorkomen.
de verantwoordelijke bij de voldoening aan de door art. 35 lid 2 Wbp Pro op de verantwoordelijke gelegde verplichting om aan de betrokkene een volledig overzicht van de verwerkte persoonsgegevens te verschaffen niet kan volstaan met de verstrekking van globale informatie, doch alle relevante informatie over de betrokkene moet verschaffen, hetgeen, afhankelijk van de omstandigheden, vaak zal kunnen – en zo nodig op aanwijzing van de rechter zal moeten – gebeuren door het verstrekken van afschriften, kopieën of uittreksels.” [174] Volgens Uw Raad – zo begrijp ik – kan het onder omstandigheden dus nodig zijn dat een kopie wordt verstrekt van een document waarin persoonsgegevens voorkomen, maar geldt niet dat daarop in algemene zin recht bestaat. Volgens mij zal het verstrekken van een kopie van het document waarin de persoonsgegevens zijn opgenomen vooral aan de orde zijn in gevallen waarin de persoonsgegevens sterk verweven zijn met wat overigens in een document voorkomt. In de zaken die leidden tot deze rechtspraak van Uw Raad ging het vooral om transcripties van telefoongesprekken.
Een betrokkene moet het recht hebben om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld, in te zien, en om dat recht eenvoudig en met redelijke tussenpozen uit te oefenen, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. Dit houdt ook in dat betrokkenen het recht dienen te hebben op inzage in hun persoonsgegevens betreffende hun gezondheid, zoals de gegevens in hun medisch dossier, dat informatie bevat over bijvoorbeeld diagnosen, onderzoeksresultaten, beoordelingen door behandelende artsen en verrichte behandelingen of ingrepen.(…)
Indien mogelijk moet de verwerkingsverantwoordelijke op afstand toegang kunnen geven tot een beveiligd systeem waarop de betrokkene direct zijn persoonsgegevens kan inzien”. Hierin is mijns inziens niet te lezen dat de betrokkene zonder meer kopieën moet ontvangen van documenten waarin persoonsgegevens voorkomen; het gaat hier telkens om het raadplegen van persoonsgegevens als zodanig.
guidelineswordt het volgende vermeld:
de Databeschermingsrichtlijn, A-G], the GDPR [
de AVG, A-G] expressly contains an obligation to provide the data subject with a copy of the personal data undergoing processing. This, however, does not mean that the data subject always has the right to obtain a copy of the documents containing the personal data, but an unaltered copy of the personal data being processed in these documents. Such copy of the personal data could be provided through a compilation containing all personal data covered by the right of access as long as the compilation makes it possible for the data subject to be made aware and verify the lawfulness of the processing. Hence, there is no contradiction between the wording of the GDPR and the ruling by the CJEU regarding this matter. The word summary in the ruling should not be misinterpreted as meaning that the compilation would not encompass all data covered by the right of access, but is merely a way to present all that data without giving systematically access to the actual documents. Since the compilation needs to contain a copy of the personal data, it should be stressed that it cannot be made in a way that somehow alters or changes the content of the information.” [179]
K.H. e.a./Slowakije(randnummers 5.15 tot en met 5.18 hiervoor) oordeelde: “
Bearing in mind that the exercise of the right under Article 8 to respect for one’s private and family life must be practical and effective(…)
, the Court takes the view that such positive obligations[i.e. to provide an effective and accessible procedure enabling the applicants to have access to all relevant and appropriate information, A-G]
should extend, in particular in cases like the present one where personal data are concerned, to the making available to the data subject of copies of his or her data files.” [182] Als gezegd gaat het EHRM ervan uit, in ieder geval waar het medische informatie betreft, dat de betrokkene in beginsel de documenten waarin die informatie is opgenomen, moet kunnen inzien en daarvan kopieën moet kunnen ontvangen. Deze rechtspraak is ook van belang voor de toepassing van de AVG. De AVG moet namelijk in overeenstemming met art. 8 EVRM Pro worden uitgelegd, gelet op art. 7 en Pro 8 HvEU, die een op art. 8 EVRM Pro gelijkend recht respectievelijk een recht op bescherming van persoonsgegevens regelen, in verbinding met art. 52 lid 3 en Pro art. 53 HvEU Pro, waaruit – kort samengevat – voortvloeit dat het Unierecht in een minstens gelijkwaardig beschermingsniveau voorziet als waarin het EVRM voorziet. [183]
onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek” worden verstrekt. Slechts in bepaalde gevallen mag een vergoeding in rekening worden gebracht, te weten alleen indien “
verzoeken van een betrokkene kennelijk ongegrond of buitensporig zijn, met name vanwege hun repetitieve karakter”, zo blijkt uit art. 12 lid Pro 5, aanhef en onder a, in verbinding met art. 15 AVG Pro.
Persoonsgegevens
alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon” onder het begrip ‘persoonsgegevens’. In de genoemde bepaling wordt verder vermeld dat “
als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon”. De informatie hoeft niet het privéleven van de betrokkene te betreffen. [184] Wel geldt als vereiste dat de informatie daadwerkelijk (eventueel met tussenstappen) kan worden herleid tot die persoon. [185] Dit brengt mee dat het antwoord op de vraag of een gegeven een persoonsgegeven is niet ten opzichte van iedereen hetzelfde hoeft te zijn. Een gegeven kan dus – gek genoeg – ten opzichte van A een persoonsgegeven zijn indien deze in staat is om de gegevens te herleiden tot een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon en tegelijkertijd géén persoonsgegeven zijn ten opzichte van B en C indien zij daartoe niet in staat zijn. [186] De status van ‘persoonsgegeven’ kan dus een soort ‘relatieve werking’ hebben.
Waterlandziekenhuis-zaak, die raakvlakken heeft met wat hier aan de orde is en waarin ik eveneens heb geconcludeerd, heeft Uw Raad deze vraag ontkennend beantwoord. [187] Dit vormt een goed startpunt. Die zaak betrof een aansprakelijkheidsactie tegen het Waterlandziekenhuis. De aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis had een arts van een ander ziekenhuis gevraagd om de casus te beoordelen, wat had uitgemond in een notitie met bevindingen. Op grond van art. 843a Rv vorderde de betrokkene in het kader van de aansprakelijkheidsprocedure inzage in de notitie. Eén van de (bijkomende) aspecten die daarbij was de betekenis van de Wbp voor de toepassing van art. 843a Rv in dit geval. In mijn conclusie beantwoordde ik de vraag of de Wbp de betrokkene recht gaf op inzage in de in die zaak aan de orde zijnde notitie ontkennend, onder verwijzing naar het hierna te bespreken arrest
Y.S. e.a./Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, waarbij ik erop wees dat in het verlengde van dat arrest een onderscheid moet worden gemaakt tussen persoonsgegevens en een analyse van die gegevens door een partijdeskundige – in dit geval in de vorm van een medische notitie – in het kader van een aansprakelijkheidsprocedure. [188]
Y.S. e.a./Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,A-G], betrekking heeft. Voor zover hier van belang stelt Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEU 1995, L 281/31), die door de Wbp is geïmplementeerd, de betrokkene in staat te controleren of zijn persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt, ter bescherming van het recht van betrokkene op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
Nowak/Data Protection Commissioner, A-G]). Het gaat hier dus niet om persoonsgegevens in de zin van die richtlijn. Vgl. het hiervoor vermelde arrest van het HvJEU van 17 juli 2014, punten 44-46. Het hof heeft daarom terecht geoordeeld dat [eiseres] aan de Wbp niet een recht op verstrekking van de medische analyse van Lequin kan ontlenen.” [189]
Y.S. e.a./Minister voor Immigratie, Integratie en Asielvan het HvJ heeft uitgelokt en gelet op het gegeven dat het HvJ zijn koers inmiddels lijkt te hebben verlegd.
Y.S. e.a./Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, de juridische analyse in de minuut bij een immigratiebesluit niet willen aanmerken als persoonsgegeven (zoals bedoeld, destijds, in de Databeschermingsrichtlijn). [190] Daarmee huldigde het HvJ een andere opvatting dan onder meer de Europese Commissie, die meende dat de juridische analyse in de minuut bij een immigratiebesluit wel degelijk een ‘persoonsgegeven’ vormt, “
daar zij betrekking heeft op een concrete natuurlijke persoon en is gebaseerd op diens situatie en individuele kenmerken”. [191] Aan zijn andersluidende oordeel heeft het HvJ ten grondslag gelegd dat “
een dergelijke juridische analyse(…)
geen informatie over de aanvrager van de verblijfstitel[vormt]
, maar hooguit(…)
informatie over de beoordeling en de toepassing van dat recht door de bevoegde autoriteit op de situatie van de aanvrager, waarbij die situatie met name wordt vastgesteld middels de hem betreffende persoonsgegevens waarover die autoriteit beschikt.” [192] Het heeft daaraan toegevoegd dat deze uitleg steun vindt in het doel en de opzet van de Databeschermingsrichtlijn, omdat de bescherming die de Databeschermingsrichtlijn biedt “
met name impliceert dat de betrokkene zich ervan kan vergewissen dat zijn persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig worden verwerkt”. [193] Nu de juridische analyse volgens het HvJ zich niet voor controle op juistheid en voor rectificatie leent, “
zou met de uitbreiding van het recht op inzage van de aanvrager van een verblijfstitel tot die juridische analyse in werkelijkheid niet het doel van deze richtlijn worden gediend”. [194] Hieruit is wel afgeleid dat voor een medische analyse zoals in het voorliggende geval aan de orde is, hetzelfde zou moeten gelden. [195]
Waterlandziekenhuis-arrest een andere redenering ten grondslag lijkt te liggen dan in het arrest van het HvJ tot uitdrukking komt. Uw Raad oordeelde daar: “
De onderhavige vordering van [eiseres] is gericht op verkrijging van informatie ten behoeve van de onderhavige procedure en niet op het doel waartoe Richtlijn 95/46/EG strekt(…).
Het gaat hier dus niet om persoonsgegevens in de zin van die richtlijn.” [196] De kwalificatie van gegevens als ‘persoonsgegevens’ wordt daarbij – volgens mijn lezing – afhankelijk gesteld van het doel waarmee de vordering wordt ingesteld. [197] Ik meen niet dat het HvJ in het arrest
Y.S. e.a./Minister voor Immigratie, Integratie en Asiellangs die lijnen heeft geoordeeld. In dat arrest oordeelde het HvJ slechts dat een juridische analyse in de minuut van een immigratiebesluit
gelet op de doelstellingen van de Databeschermingsrichtlijn(niet gelet op de doelstellingen van de inzagevordering) als zodanig niet als persoonsgegeven kan worden aangemerkt. Met welk doel in een concreet geval inzage wordt verlangd, is in de redenering van het HvJ niet van belang. De uitoefening van het inzagerecht is immers ook niet, zo wordt aangenomen, doelgebonden, terwijl de ruimte voor een beroep op misbruik van het inzagerecht (zeer) beperkt moet worden geacht. [198]
Y.S. e.a./Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel– waarnaar Uw Raad in het Waterlandziekenhuis-arrest verwijst – zeker niet iedereen heeft overtuigd. [199] Van Graafeiland schrijft in zijn
AB-annotatie mild, maar kennelijk zoekend naar een zinvolle duiding: “
Het Hof kijkt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een persoonsgegeven dus niet alleen naar de definitie van dat begrip, maar ook naar het doel dat de Privacyrichtlijn[de Databeschermingsrichtlijn, A-G]
dient. Kennelijk is het mogelijk om (bij de beoordeling of een inzagerecht bestaat (?)) een soort strategisch persoonsgegevens-begrip te hanteren.” Anderen zijn kritischer en hebben bedenkingen bij de uitleg die het HvJ heeft gegeven aan het begrip ‘persoonsgegevens’. [200]
Waterlandziekenhuis. [201] Persoonsgegevens zijn gegevens die kunnen worden herleid tot een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Waarom moet dan een uitzondering worden gemaakt voor gegevens met betrekking tot de rechtspositie van een persoon in de vorm van een op een individuele situatie toegespitste juridische analyse? [202] Het argument dat controle en rectificatie met betrekking tot die gegevens niet mogelijk is, overtuigt mij – in het kader van, inmiddels, de AVG – in ieder geval niet. Aangenomen dat controle en rectificatie van een juridische analyse inderdaad niet mogelijk is, geldt dat de AVG ook voorziet in het recht van betrokkenen om – kort gezegd – na te gaan
hoehun persoonsgegevens worden verwerkt (art. 15 lid Pro 1), [203] welk recht niet afhankelijk is van het recht op rectificatie (art. 16). [204] Ik wijs er daarbij op dat geregistreerde persoonsgegevens niet alleen correct moeten zijn: er zijn ook eisen gesteld aan
de doelstellingen op grond waarvan en de wijze waaroppersoonsgegevens worden verwerkt. [205] Zo kan, dat heeft de recente geschiedenis in Nederland geleerd, van belang zijn om na te gaan of de persoonsgegevens waaruit de afkomst van een persoon blijkt op een ontoelaatbare wijze en/of verkeerde gronden worden verwerkt. [206] In dat verband kan juist ook van belang zijn dat inzage wordt gegeven in een (quasi-)juridische analyse voorafgaande aan een besluit van een bestuursorgaan, ongeacht of controle en rectificatie van die analyse mogelijk is. De benadering die het HvJ in
Y.S. e.a./Minister voor Immigratie, Integratie en Asielheeft gekozen, lijkt mij mede tegen deze achtergrond en in het licht van de geest en de doelstellingen van de AVG moeilijk houdbaar. Die benadering draagt overigens ook het risico van misbruik in zich: noem iets een ‘analyse’ en het recht op inzage verdwijnt. Let wel: er kunnen, zoals hierna zal blijken, in bepaalde gevallen goede redenen zijn om géén inzage te verlenen in persoonsgegevens, maar daarvoor bestaat de koninklijke weg van art. 23 AVG Pro, die een afweging van belangen en (grond)rechten verlangt. Daarop kom ik ook nog terug.
Y.S. e.a./Minister voor Immigratie, Integratie en Asielinmiddels heeft verlaten. In
Nowak/Data Protection Commissionerlag de vraag voor of opmerkingen van een examinator in een examenwerk persoonsgegevens van de examenkandidaat zijn. [207] In het verlengde van
Y.S. e.a./Minister voor Immigratie, Integratie en Asielzou men toch moeten menen van niet. [208] Relevante verschillen zie ik namelijk niet. [209] De opmerkingen van een examinator lenen zich niet beter dan een juridische analyse voor controle en rectificatie. In essentie komen zij zelfs op hetzelfde neer: bepaalde input wordt beoordeeld aan de hand van een vooraf gegeven beoordelingskader, waarbij geldt dat de input voor een juridische analyse doorgaans zelfs zonder twijfel bestaat uit persoonsgegevens, terwijl dat voor de antwoorden die een geëxamineerde geeft op het eerste gezicht toch niet geldt. Is mijn antwoord op de examenopdracht “
Beschrijf in 100 woorden de inhoud van de zogenoemde omkeringsregel.” een persoonsgegeven en geldt dat ook voor de beoordeling door de examinator? Daarbij kan men aarzelen. Het HvJ oordeelde echter, naar het lijkt zonder aarzeling, dat van een persoonsgegeven sprake is: de antwoorden van de geëxamineerde én de opmerkingen van een examinator naar aanleiding daarvan kunnen wél als persoonsgegevens worden aangemerkt. Daaraan legt het HvJ onder meer het volgende ten grondslag:
niet beperkt is tot gevoelige of persoonlijke informatie maar zich potentieel uitstrekt tot elke soort informatie, zowel objectieve informatie als subjectieve informatie onder de vorm van meningen of beoordelingen, op voorwaarde dat deze informatie de betrokkene “betreft”.” Aldus in punt 34. In punt 35 formuleert het HvJ dat “
[d]eze laatste voorwaarde is vervuld wanneer die informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een bepaalde persoon.” Tegen deze achtergrond sluit ik inmiddels zeker niet uit dat een analyse zoals besloten ligt in een medisch advies zoals in deze zaak aan de orde is wel degelijk (althans gedeeltelijk) moet worden aangemerkt als persoonsgegeven. Stel dat in een dergelijk medisch advies staat – ik geef een niet denkbeeldig voorbeeld – dat de patiënt bij het uitsluiten van longembolie conform protocol P niet is onderworpen aan een CT-scan omdat de uitslag U van het bloedonderzoek daartoe geen aanleiding gaf en er conform de gebruikelijke methodiek M ook overigens geen aanwijzingen waren voor longembolie of een daaraan gerelateerde aandoening. Is deze passage nu – ondanks de EHRM-rechtspraak over gezondheidsgegevens (randnummers 5.7 tot en met 5.22) – minder snel een persoonsgegeven dan de beoordeling van mijn antwoord op de examenopdracht over de inhoud van de omkeringsregel? Dat lijkt mij moeilijk te aanvaarden.
Ruimte voor beperking van de uitoefening van het inzagerecht
of de Europese wetgever een constructie als opgenomen in artikel 41 Uitvoeringswet Pro AVG voor ogen had.” [211] Zij voegen daaraan het volgende toe:
De bepaling biedt(…)
een mogelijkheid om alleen in individuele zaken af te wijken van de rechten die gelden op grond van de verordening, indien dit strikt noodzakelijk is met het oog op de in artikel 23 van Pro de verordening genoemde belangen. Een categorische beperking van de rechten van betrokkene kan, wanneer dit noodzakelijk en evenredig is in een democratische samenleving, daarentegen niet op artikel 41 worden Pro gebaseerd maar alleen eventueel in sectorspecifieke wetgeving worden opgenomen.” [213] Elders in de wetsgeschiedenis wordt vermeld “
dat artikel 41 Uitvoeringswet Pro geen ruimte biedt voor structurele, categorische beperkingen van rechten van betrokkenen.” [214]
Van het verbod op de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens moet ook kunnen worden afgeweken, indien Unierecht of lidstatelijk recht hierin voorziet en er passende waarborgen worden geboden ter bescherming van persoonsgegevens en andere grondrechten, wanneer zulks in het algemeen belang is,(…)
.Een afwijking moet ook voorzien in de mogelijkheid tot verwerking van die persoonsgegevens indien dat noodzakelijk is voor de vaststelling, de uitoefening of de onderbouwing van een rechtsvordering, in een gerechtelijke procedure dan wel in een administratieve of buitengerechtelijke procedure” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G). In art. 9 lid 1 in Pro verbinding met lid 2, aanhef en onder f, AVG wordt met zo veel woorden vermeld dat een uitzondering op het eerdergenoemde verbod geldt indien “
de verwerking (…) noodzakelijk[is]
voor de instelling, uitoefening ofverdedigingvan[lees: tegen, A-G]
een rechtsvordering” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G). Hoewel het hier gaat om een afwijking van het verbod op verwerking van bepaalde soorten persoonsgegevens (en niet om de beperking van de uitoefening van het inzagerecht), is hiermee wel duidelijk dat bij de totstandkoming van de AVG onder ogen is gezien dat iemand belang kan hebben bij de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de verdediging tegen een rechtsvordering. Dat er in een democratische samenleving een noodzaak wordt gevoeld dit belang in enige mate te beschermen en dat hiervoor aanspraken van anderen soms moeten wijken, blijkt hieruit wel. Dit belang wordt, zo zal zometeen duidelijk worden, in de binnenlandse rechtspraak ook onderkend.
Tussenconclusie
Standpuntbepaling en voorbereiding van de verdediging in vrijheid en beslotenheid
dat voor een partij een gewichtige reden in de zin van art. 843a lid 4 Rv kan bestaan bij handhaving van de vertrouwelijkheid van haar interne besluit- en gedachtevorming, waaronder begrepen de rol daarin van haar eventuele externe adviseurs. Of in een concreet geval een dergelijke ingeroepen gewichtige reden bestaat die tot afwijzing van de vordering of het verzoek moet leiden waar het die vertrouwelijke gegevens betreft, dient door de rechter met afweging van alle betrokken belangen, gemotiveerd te worden beslist.” [217] Het
belangvan een ongestoorde gedachtewisseling wordt dus zeker onderkend. De uitoefening van een recht op inzage in een in opdracht van het ziekenhuis en/of diens aansprakelijkheidsverzekeraar opgesteld medisch advies schendt dat belang, zo kan worden geredeneerd, want zij leidt ertoe dat de deelnemers aan die gedachtewisseling, onder wie de medisch adviseur, wellicht niet meer alles aan het papier toevertrouwen. Ook de bestreden beslissing kent veel gewicht toe aan de ongestoorde gedachtewisseling (zie randnummer 3.9).
belangof óók om een
rechten, indien het gaat om een recht, wat de grondslag daarvan is. Met andere woorden: is er een grondslag voor een ‘recht op standpuntbepaling en voorbereiding van de verdediging in vrijheid en beslotenheid’? Dit is vooral relevant waar de AVG aan de orde is. Het Unierecht heeft namelijk niet zonder meer ‘boodschap’ aan een in de Nederlandse rechtspraak onderkend ‘belang’, gelet op de eisen die art. 23 AVG Pro stelt aan de beperking van het inzagerecht (op hoofdlijnen: een wetgevingsmaatregel die voldoet aan de eisen van art. 23 lid 2 AVG Pro, die een beperking bevat die de wezenlijke inhoud van de grondrechten onverlet laat en die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van een in art 23 lid Pro AVG genoemde belangen). Een steviger basis is nodig.
ex antedat op enig moment alsnog inzage zal moeten worden gegeven, verstoort evenzeer de gedachtewisseling als de wetenschap dat dat meteen moet.