Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
aanleiding om aan de aantekeningen in het verloskundig dossier te twijfelen’. Zij acht die verslaglegging evenwel onvoldoende om de betwisting van de stelling van [eiseres] , dat [verweerder 1] bij de ingreep niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen, te kunnen onderbouwen. Onder de gegeven omstandigheden had namelijk tenminste van [verweerder 1] verwacht mogen worden dat hij onmiddellijk nadat hij van de dwarslaesie bij [de zoon] op de hoogte was geraakt, een aanvullend verslag had gemaakt waarin hij het verloop van de verlossing chronologisch en gedetailleerd had vastgelegd, inclusief de verrichte handelingen en de daarbij gemaakte afwegingen. Dat [verweerder 1] de noodzaak van dergelijk aanvullend verslag had behoren te begrijpen, kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat kort na kennisname van de dwarslaesie, hij intern overleg heeft gevoerd met het fungerend ok-personeel en voorts dat die artsen van de verschillende ziekenhuizen (Waterland Ziekenhuis en VUMC) bij elkaar zijn gekomen om een mogelijke oorzaak van de dwarslaesie te bespreken. Juist in een dergelijke situatie is het van groot belang zoveel mogelijk te documenteren, teneinde de mogelijke oorzaken van het ingrijpende letsel ook naderhand te kunnen onderzoeken. In het dossier bevindt zich echter noch van die besprekingen, noch van de operatie een (nader) verslag, terwijl die dossierstukken thans een beter zicht op de feiten hadden kunnen verschaffen.
“(...) Opname wegens vaginaal bloedverlies bij voorliggende placenta. [FL Dit is een oorzaak van vaginaal bloedverlies en een contra-indicatie voor vaginale bevalling]”
"(...) Uit de, op verzoek van eiser, uitgebrachte ongedateerde, medische rapportage van prof. dr. T.K.A.B. Eskes blijkt dat hij van mening was dat het gebruik van de forceps bij hoog beweeglijk hoofd bij keizersnede “bijzonder ongebruikelijk“ is, terwijl prof. dr. J Dorr, editor van het boek Obstetrische Interventies 2010, het gebruik van forceps bij keizersnede bij hoogstaand hoofd als common practice beschouwt (zie antwoord ad C4.6.ii.3). Prof Eskes heeft zijn mening niet onderbouwd met literatuur en ik heb bij literatuuronderzoek ook geen ondersteuning van zijn opvatting gevonden. De mening van prof. dr. J. Dorr daarentegen sluit aan bij de literatuur over het onderwerp (zie antwoord ad C4.3). Op grond daarvan kan worden aangenomen dat een probleem met de ontwikkeling van het kind optreedt bij 1-2% van de keizersneden en dat extractie dmv forceps in dat geval een verantwoorde, want gangbare en veilige optie is. Daarmee kan men verslechtering van de kinderlijke toestand als gevolg van vertraging van de geboorte of, in geval van verlenging van de snede in de baarmoeder, onnodig bloedverlies en morbiditeit van de moeder vermijden. (...)".Het hof neemt derhalve, net als de rechtbank, de conclusie van de deskundige over dat de keuze voor de forceps in de onderhavige situatie in overeenstemming was met de eerdergenoemde professionele norm.”
res ipsa loquitur: volgens [eiseres] is sprake van zodanig letsel dat daarvoor redelijkerwijs geen andere oorzaak kan worden aangewezen dan een teveel aan tractie bij de uitvoering van de tangverlossing, waaruit blijkt dat sprake is van een beroepsfout. Het hof heeft dit betoog van [eiseres] echter verworpen. Volgens het hof bieden de deskundigenrapporten van Lotgering en Van Nieuwenhuizen geen basis voor deze conclusie (rov. 3.37-3.39). De rapporten van partijdeskundigen Govaert en Ramos leggen onvoldoende gewicht in de schaal. Ook zijn er geen andere omstandigheden die erop wijzen dat de dwarslaesie bij de verlossing moet zijn ontstaan (rov. 3.40 en 3.41):
week na de geboorte. Mijns inziens heeft dit onderzoek niet met zekerheid aangetoond dat de laesie van traumatische aard was en wanneer de laesie zou zijn opgetreden (voor, tijdens of na de geboorte). Het verslag van het MRI-onderzoek van 20-10-2005 vermeldt “Onderliggende vasculaire malformatie of hemangioom niet uitgesloten”. (...)”
“(...) Het complex aan symptomen en bevindingen dat bij [de zoon] is aangetroffen, te weten a) (milde) multipele congenitale afwijkingen, b) afgenomen kindsbewegingen in de laatste 2 weken van de zwangerschap, c) suboptimaal of abnormaal cardiotocogram in de laatste uren voor de geboorte, d) normale bloedgaswaarden direct na de geboorte, e) schijnbare levenloosheid (asfyxie) bij de geboorte, en f) bolle buik als gevolg van veel ascites direct na de geboorte, door de behandelaars geduid als rechter ventrikel dysfunctie [van het hart] en cardiomyopathie, past mijns inziens niet bij acute partiële dwarslaesie tijdens de bevalling.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.4), temeer nu het daarvan deel uitmakende operatieverslag onvolledig is (
subonderdeel 1.5);
subonderdeel 1.6) en het hof heeft dan ook ten onrechte aan het later opgestelde ‘aanvullend operatieverslag’ geen bijzondere betekenis toegekend (
subonderdeel 1.7), terwijl hierin aanwijzingen te vinden zijn voor de juistheid van [eiseres] stellingen (
subonderdeel 1.11);
subonderdeel 1.8 en 1.9);
subonderdeel 1.8 en 1.9).
subonderdeel 1.3van het middel) vooropgesteld dat stelplicht en bewijslast ten aanzien van zowel de beroepsfout als het causaal verband tussen de beroepsfout en het letsel bij [eiseres] liggen, maar dat op [verweerders] een verzwaarde stelplicht rust ten aanzien van hun betwisting van de stellingen van [eiseres] . Deze verzwaarde stelplicht komt er op neer, zo overweegt het hof in rov. 3.17, dat [verweerders] in het kader van hun gemotiveerde betwisting van de stellingen van [eiseres] voldoende feitelijke gegevens of aanknopingspunten dienen te verschaffen ten behoeve van haar bewijslevering. In rov. 3.18 heeft het hof daaraan toegevoegd dat deze feitelijke gegevens voldoende ter zake dienend en concreet moeten zijn.
Subonderdeel 1.4van het middel klaagt dat beide omstandigheden ieder op zich niet beslissend zijn voor de vraag of aan de verzwaarde stelplicht is voldaan. Deze klacht kan niet slagen. Het hof heeft voor zijn oordeel dat [verweerders] aan hun verzwaarde stelplicht hebben voldaan immers (blijkens de laatste zin van rov. 3.18) van belang geacht dat het volledige medische dossier is overgelegd en dat [verweerder 1] ter comparitie in eerste aanleg zijn handelen heeft toegelicht. In rov. 3.18 valt niet te lezen dat het hof zou hebben geoordeeld dat ieder van de twee omstandigheden (overleggen volledige dossier respectievelijk toelichting door de behandelend arts) op zichzelf reeds voldoende is om aan de verzwaarde stelplicht te voldoen in het algemeen en evenmin dat dit in het specifieke geval zo zou zijn. Voor zover het subonderdeel klaagt dat beide omstandigheden tezamen het oordeel niet kunnen dragen, geldt dat uit de rechtspraak van Uw Raad naar voren komt dat met een volledig (dat wil zeggen aan de eisen beantwoordend) patiëntendossier en een eigen verklaring van de arts in de regel aan de verzwaarde stelplicht kan worden voldaan (randnummer 3.17). Verder heeft het hof niet miskend dat relevant is of het patiëntendossier aan de eisen voldoet. In rov. 3.18-3.20 heeft het hof beoordeeld of de medische verslaglegging voldoende is en toereikend gemotiveerd waarom dit naar zijn oordeel het geval is.
Subonderdeel 1.4kan om die reden niet slagen.
Subonderdeel 1.5faalt daarom.
subonderdeel 1.8faalt dus.
subonderdelen 1.8 en 1.9worden opgesomd. Ten aanzien van deze klacht geldt allereerst dat, zoals hiervoor (randnummers 3.23-3.26) is besproken, het hof tot het oordeel mocht komen dat geen sprake is van een onvolledigheid in het operatieverslag, die door middel van een aanvullende verklaring zou moeten worden ‘gerepareerd’. Verder is van belang dat het hof in rov. 3.21 uitdrukkelijk heeft overwogen dat [verweerders] inzicht dienen te geven in de aan- of afwezigheid van mogelijk relevante feiten en omstandigheden voor zover die niet uit de medische verslaglegging blijken. In dat verband heeft het hof overwogen dat [verweerder 1] dit heeft gedaan ter comparitie in eerste aanleg (rov. 3.21). Het hof heeft daarbij het ‘aanvullend operatieverslag’ van 7 september 2015 in zijn beoordeling betrokken, waarbij het hof in rov. 3.22 heeft aangegeven dat het hieraan geen bijzondere betekenis toekent anders dan dat dit als een nadere toelichting wordt aangemerkt. Deze overwegingen kunnen, in onderling verband gelezen, de slotsom dragen dat geen uitvoeriger verslaglegging van [verweerder 1] kon worden gevergd.
Subonderdeel 1.6is daarom vergeefs voorgesteld.
Subonderdelen 1.10 en 1.11voeren aan dat dit aanvullende operatieverslag aanwijzingen bevat voor de juistheid van de stelling van [eiseres] dat met de forceps moet zijn geroteerd. Verder is sprake van inconsistenties tussen het operatieverslag en het latere aanvullend operatieverslag, hetgeen volgens
subonderdeel 1.11de geloofwaardigheid van dat laatste verslag aantast. Mijns inziens dient het oordeel van het hof in rov. 3.22, dat aan het aanvullend operatieverslag geen
bijzonderebetekenis toekomt, te worden gelezen in samenhang met het oordeel in rov. 3.20 inhoudende dat geen sprake kan zijn van een verplichting tot het achteraf aanvullen van een operatieverslag. [56] Het hof heeft aldus bezien tot uitdrukking gebracht dat het aanvullend verslag moet worden beschouwd als, en daarom niet anders moet worden behandeld dan, een schriftelijke verklaring van de arts over zijn handelen bij de keizersnede. Het hof heeft het aanvullende verslag vervolgens niet buiten beschouwing gelaten, maar naar aanleiding van de desbetreffende stelling van [eiseres] geoordeeld dat daaruit niet kan worden afgeleid dat sprake ‘moet’ zijn geweest van rotatie (rov. 3.22).
subonderdelen 1.7, 1.10 en 1.11dat het hof de juistheid en geloofwaardigheid van het aanvullende operatieverslag moest beoordelen ziet eraan voorbij dat het hof in het kader van de vraag of [verweerders] aan hun verzwaarde stelplicht hebben voldaan, diende te beoordelen (zoals het hof in rov. 3.18 heeft vooropgesteld) of de door hen verschafte gegevens voldoende ter zake dienend en concreet waren om [eiseres] aanknopingspunten voor haar bewijslevering te verschaffen. De door [eiseres] benoemde inconsistenties in het aanvullende operatieverslag behoefden het hof niet tot het oordeel te brengen dat onvoldoende aanknopingspunten voor de bewijslevering zijn verschaft. Ook indien sprake zou zijn van onvolkomenheden (zoals inconsistenties of hiaten) in het aanvullend operatieverslag kan het samenstel van het initiële operatieverslag, het aanvullend operatieverslag, de overige inhoud van het medisch dossier en de verklaring van de arts [eiseres] immers in staat stellen te beoordelen waarop zij haar bewijslevering dient te richten. [57] De klacht van
subonderdelen 1.7, 1.10 en 1.11faalt om die reden.
subonderdeel 1.11voor zover dat zich richt tegen het oordeel over hetgeen uit het aanvullend operatieverslag kan worden afgeleid.
subonderdeel 1.8worden diverse omstandigheden genoemd die van belang zijn voor de omvang van de verzwaarde stelplicht van [verweerders]
Subonderdeel 1.9werkt voor een aantal van die omstandigheden nader uit waarom zij van belang zijn. Subonderdeel 1.8 noemt acht (met cijfers genummerde) omstandigheden aan de zijde van [verweerders] Verschillende hiervan hebben te maken met interne besprekingen in het Waterlandziekenhuis en met het VUMC en met het ontbreken van intern onderzoek. Ik loop deze omstandigheden na.
subonderdeel 1.8 onder 2); [67]
subonderdeel 1.8 onder 4); dit terwijl [eiseres] door de overplaatsing van [de zoon] naar het VUMC in een zware bewijspositie is geraakt (
subonderdeel 1.8 onder C); [68]
subonderdeel 1.8 onder 3). [69]
Subonderdeel 1.9stelt dat deze verslagen hadden moeten worden overgelegd, maar licht niet toe waaruit die verplichting volgt. Hiervoor (randnummer 3.18) heb ik toegelicht dat, in het licht van de rechtspraak van Uw Raad omtrent het recht op inzage in interne gespreksverslagen ex art. 35 Wbp Pro, niet aannemelijk is dat voor intern gebruik bedoelde aantekeningen en gespreksverslagen
– die niet relevant zijn voor de hulpverlening aan de patiënt – tot het patiëntendossier behoren of om een andere reden moeten worden overgelegd. Verder is van belang dat [verweerders] in feitelijke instanties zicht hebben gegeven op de inhoud van de genoemde gesprekken. [70] Zonder nadere toelichting van [eiseres] op dit punt, die ontbreekt, is niet duidelijk waarom het gegeven dat van de genoemde besprekingen geen verslagen zijn opgesteld het hof tot het oordeel had moeten brengen dat [verweerders] in hun verzwaarde stelplicht zijn tekortgeschoten.
subonderdeel 1.9wordt gerefereerd aan de correspondentie tussen de aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerders] en de externe deskundige Lequin. Deze correspondentie is onderwerp van de incidentele vordering van [eiseres] ex art. 843a Rv, die door het hof is afgewezen. Ook tegen die afwijzing zijn in cassatie klachten gericht (onderdeel III), die naar mijn mening niet kunnen slagen (hierna randnummers 3.72 e.v.). Ik meen dat het hof het belang van [verweerders] om hun verdediging in vertrouwen voor te bereiden mocht aanmerken als gewichtige reden die zich tegen inzage in die correspondentie zou verzetten. Bij die stand van zaken meen ik dat bezwaarlijk van [verweerders] kon worden verwacht dat zij in het kader van hun verzwaarde stelplicht wel inzicht zouden geven in deze correspondentie. Deze omstandigheid hoefde het hof dus niet tot een ander oordeel te brengen omtrent de verzwaarde stelplicht.
subonderdeel 1.8 onder 3), geldt het volgende. Afgaande op hetgeen bij mondelinge behandeling in eerste aanleg is betoogd, neem ik aan dat wordt gedoeld op het interne onderzoek dat ziekenhuizen verplicht zijn te verrichten naar aanleiding van een calamiteit (hiervoor randnummer 3.20). [71] [verweerders] hebben dit niet weersproken, maar gesteld dat (ook op basis van de toepasselijke IGZ-richtlijnen) geen aanleiding bestond voor een calamiteitenmelding en daarmee ook niet voor een dergelijk intern onderzoek, omdat de dwarslaesie pas vijf weken na de geboorte in het VUMC is vastgesteld. [72] Verder is hiervoor (randnummers 3.20-3.21) besproken dat de destijds geldende Kwaliteitswet Zorginstellingen niet verplichtte tot het mededelen van de resultaten van dat onderzoek aan de patiënt. Ten slotte is van belang dat het gegeven dat in het Waterlandziekenhuis geen calamiteitenmelding is gedaan en de vraag of dat consequenties heeft voor de stelplicht door geen van beide partijen in hoger beroep aan de orde is gesteld. De conclusie moet wat mij betreft daarom zijn dat deze kwestie geen deel uitmaakte van de rechtsstrijd in hoger beroep. Voor zover dat wel het geval is, valt niet in te zien waarom het gegeven dat geen intern calamiteitenonderzoek heeft plaatsgevonden tot een andere beslissing van het hof op het punt van de verzwaarde stelplicht van [verweerders] had moeten leiden, met name gelet op de stelling van [verweerders] dat voor een dergelijke melding op dat moment geen aanleiding bestond. De klacht faalt daarom.
subonderdelen 1.8 en 1.9falen dus voor zover zij betrekking hebben op de verslagen van interne besprekingen en het gegeven dat geen intern onderzoek heeft plaatsgevonden.
subonderdeel 1.8 onder 5worden verschillende stellingen genoemd over omstandigheden die verband houden met de mogelijke besmetting van [de zoon] met het Coxsackie B-virus. Hierbij gaat het om (i) de omstandigheid dat de placenta na de operatie is vernietigd, (ii) geen verslag is overgelegd van een gesprek met een viroloog uit het AMC over de viruskweken die gemaakt zijn van [de zoon] , (iii) dat om besmetting vast te stellen een kweek van de ontlasting van [de zoon] had moeten worden gemaakt, hetgeen echter niet is gebeurd en (iv) dat [verweerders] tegenstrijdig hebben verklaard over de vraag hoe lang nog op virusbesmetting kan worden getest.
Subonderdeel 1.9licht toe dat het verweer van [verweerders] ‘in wezen geheel steunde’ op de gestelde aannemelijkheid van een andere oorzaak, namelijk een besmetting met het Coxsackie B-virus. Dat thans (doordat de placenta is vernietigd) geen onderzoek meer mogelijk is naar een mogelijke virusbesmetting dient voor risico van [verweerders] te blijven, aldus het subonderdeel. Verder wordt er in
subonderdeel 1.8 onder 6op gewezen dat [verweerders] hebben gesteld dat er geen onderzoeksresultaten zijn waaruit onmiskenbaar volgt dat de dwarslaesie niet na overplaatsing van [de zoon] naar het VUMC kan zijn ontstaan. In
subonderdeel 1.8 onder 7wordt erop gewezen dat [verweerders] geen andere oorzaak voor de dwarslaesie dan de mogelijke virusinfectie hebben genoemd. In
subonderdeel 1.8 onder Gwijst [eiseres] er verder op dat zij de uitslagen van bij haar en [de zoon] afgenomen viruskweken, die negatief waren, in het geding heeft gebracht.
subonderdeel 1.8 en 1.9ook voor zover daarin de klacht moet worden gelezen dat het ontbreken van nadere gegevens met betrekking tot de mogelijke Coxsackie B-besmetting voor risico van [verweerders] komt, in die zin dat daaraan voor hen bewijsrechtelijke consequenties moeten worden verbonden. Voor zover de klacht is dat het [verweerders] moet worden aangerekend dat niet binnen het kader van intern onderzoek naar de toedracht van het letsel nadere gegevens zijn verzameld omtrent een eventuele Coxsackie B-besmetting, geldt hetgeen hiervoor (randnummer 3.38) is besproken omtrent het ontbreken van een aanleiding voor een dergelijk onderzoek.
onderdeel Itot zover mijns inziens vergeefs zijn voorgesteld. Naast de reeds besproken klachten wijst
subonderdeel 1.8nog op een aantal omstandigheden dat aan de zijde van [eiseres] van belang is, namelijk:
onderdeel Ikan slagen.
Onderdeel 2.1is een inleiding op onderdelen II en III en bevat geen klacht. De overige subonderdelen kunnen als volgt worden samengevat:
subonderdeel 2.2citeert de vooropstelling van het hof in rov. 3.29 over de wijze waarop met deskundigenrapporten moet worden omgegaan (maar bevat geen klacht);
subonderdeel 2.3klaagt dat het hof mede door deze vooropstelling blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, welke klacht in
subonderdeel 2.6wordt herhaald;
subonderdeel 2.4klaagt dat het hof heeft miskend (1) dat het rapport van Lotgering oordelen bevat die niet op zijn expertiseterrein liggen en (2) dat het rapport van Govaert het rapport van Van Nieuwenhuizen op essentiële punten juist aanvult;
subonderdelen 2.5-2.8werken deze klachten nader uit;
subonderdeel 2.9wordt geklaagd over het meewegen van de omstandigheid dat kinderarts [betrokkene 1] geen impressies of blauwe plekken heeft waargenomen;
subonderdeel 2.10wordt geklaagd dat het hof het rapport van neuroradioloog Ramos ten onrechte terzijde heeft gelegd.
subonderdeel 2.14is een voortbouwende klacht die inhoudt dat het slagen van één van de voorgaande subonderdelen ook rov. 3.43, 3.44 en 3.45-3.47 vitieert.
Flevoziekenhuis-arrest uit 2011 [78] heeft Uw Raad de motiveringsplicht van de rechter op dit punt als volgt omschreven. Voor de rechter geldt een beperkte motiveringsplicht ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van deskundigen al dan niet te volgen. Wel dient hij bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. Als partijen (door middel van een eigen deskundigenrapport) het oordeel van een door de rechter benoemde deskundige ter discussie stellen, geldt het volgende:
LJNAN4178,
NJ2004/74, HR 19 oktober 2007,
LJNBB5172 en HR 8 juli 2011,
LJNBQ3519). ” [79]
volledig, begrijpelijk en logisch te volgenis.” (onderstreping A-G)
relevantie,
kwaliteit(onpartijdigheid en deskundigheid),
consistentie(interne logica en verenigbaarheid met het overige bewijs) en
coherentie. [83] Zowel De Groot als De Bock trachten de rechter handvatten te bieden voor het motiveren van zijn beslissing om een deskundige al dan niet in zijn bevindingen te volgen.
subonderdeel 2.6) klaagt dat het hof bij zijn beoordeling van de deskundigenrapporten de door Uw Raad in het
Flevoziekenhuis-arrest ontwikkelde maatstaf heeft miskend. De door het hof vooropgestelde maatstaf (slechts bij “zwaarwegende bezwaren” met betrekking tot “onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica” kan een rapport “terzijde worden gelegd”) kan inderdaad de indruk geven strenger te zijn dan het toetsingskader uit het
Flevoziekenhuis-arrest. Het hof heeft zich echter niet beperkt tot toepassing van deze (te) terughoudende maatstaf. Het hof heeft namelijk, zoals ik hierna zal toelichten, alle bezwaren van [eiseres] tegen de bevindingen van de door de rechtbank benoemde deskundigen besproken en de verwerping van deze bezwaren uitvoerig gemotiveerd. Daarom kan niet worden gezegd dat het hof het toetsingskader uit het arrest
Flevoziekenhuisuit het oog heeft verloren. Bij deze stand van zaken meen ik dat de rechtsklachten over de vooropgestelde maatstaf, wat daar verder ook van zij, niet tot cassatie kunnen leiden.
Flevoziekenhuis-arrest hoeft de rechter zijn beslissing om het oordeel van een door de rechter benoemde deskundige te volgen – afgezien van het ingaan op bezwaren, hetgeen het hof gedaan heeft – in beginsel niet verder te motiveren dan met de overweging dat het oordeel van de deskundige hem overtuigend voorkomt. De rechtsklachten van
subonderdeel 2.3 en 2.6kunnen in dat licht niet tot cassatie leiden.
subonderdelen 2.4-2.8. Subonderdeel 2.4 klaagt dat het hof heeft miskend (1) dat het rapport van Lotgering oordelen bevat die niet op zijn expertiseterrein liggen en (2) dat het rapport van Govaert het rapport van Van Nieuwenhuizen op essentiële punten aanvult. Subonderdelen 2.5-2.8 werken deze klachten nader uit. Deze subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
res ipsa loquitur. Deze toepassing komt volgens [eiseres] op het volgende neer (deze weergave van haar stellingen op dit punt door het hof in rov. 3.34 is onbestreden):
(...) Het complex aan symptomen en bevindingen dat bij [de zoon] is aangetroffen[…]
past mijns inziens niet bij acute partiële dwarslaesie tijdens de bevalling. 3. Een acute partiële dwarslaesie als gevolg van forcipale extractie bij keizersnede, wegens "floating fetal head" is zeldzaam, want niet eerder beschreven in de literatuur, en in ervaren handen naar mijn mening medisch-technisch onwaarschijnlijk (…).” Op basis hiervan oordeelt het hof dat uit het rapport van Lotgering in elk geval niet de conclusie kan worden getrokken dat de aard van het letsel zodanig is dat iedere andere oorzaak dan een niet zorgvuldig uitgevoerde forcipale extractie bij keizersnede onaannemelijk is en dat reeds daarom het causale verband (met, zo begrijp ik het hof, die gestelde onzorgvuldigheid) al dan niet voorshands moet worden aangenomen. Deze gevolgtrekking komt mij begrijpelijk voor en wordt ook als zodanig niet bestreden.
dat het MRI-onderzoek niet met zekerheid zou hebben aangetoond dat de laesie van traumatische aard was”, waarmee kennelijk wordt gedoeld op punt 9 van het antwoord op vraag 4. [87] Het gaat daar dus om een ander antwoord van Lotgering dan het antwoord dat het hof in de bestreden rov. 3.37 aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. De stelling uit de pleitnotities van mr. Beer waarnaar wordt verwezen houdt dus niet in dat het door het hof geciteerde oordeel van Lotgering buiten diens expertise zou liggen.
subonderdelen 2.4 en 2.7.
Flevoziekenhuisgemotiveerd is ingegaan op de bezwaren die middels het rapport van Govaert tegen de oordelen van Lotgering en Van Nieuwenhuizen zijn ingebracht.
res ipsa loquitur(‘de zaak spreekt voor zich’). Dat leerstuk wordt in de literatuur wel gekenschetst als een bewijsrechtelijk vermoeden, inhoudende dat uit het feit dat bepaalde gevolgen zijn ingetreden, wordt afgeleid dat onrechtmatig is gehandeld. [89] Uw Raad heeft het in een zaak betreffende een beweerdelijk gebrek aan een frisdrankflesje zo geformuleerd, dat in de toedracht (het flesje brak bij het openen) besloten lag dat sprake was van een gebrek. [90] Van een echt uitgekristalliseerd leerstuk met een eenduidige betekenis is bij
res ipsa loquiturechter geen sprake. [91] In het onderhavige geval zou toepassing van deze leer volgens [eiseres] betekenen dat indien komt vast te staan dat een bepaald letsel, zoals in dit geval een traumatische cervicale dwarslaesie, ‘normaal gesproken’ niet voorkomt bij een behandeling zoals deze in dit geval is uitgevoerd – en er redelijkerwijs ook geen andere oorzaak is aan te wijzen – voorshands gegeven is dat van een toerekenbare tekortkoming sprake is geweest. [92]
dezegevolgen kunnen niet zonder een beroepsfout bij de bevalling zijn ontstaan. Het hof heeft getoetst of het rapport van Govaert steun biedt voor die stelling en is tot de conclusie gekomen dat dat niet het geval is, nu in dat rapport immers meerdere mogelijke oorzaken (en dus ook meerdere mogelijke ontstaansmomenten) voor het letsel genoemd worden. Als gezegd overtuigt deze redenering niet aanstonds, omdat Govaert één scenario als meest waarschijnlijke heeft aangemerkt. Desondanks is van belang dat het hier niet gaat om de vraag of het letsel (door rotatie of een teveel aan tractie) bij de bevalling
konontstaan, maar (zo luidt de stelling) om de vraag of het letsel dermate specifiek is dat hiervoor
redelijkerwijs geen andere oorzaak kan worden aangewezendan een teveel aan tractie of rotatie, oftewel: een fout, bij de bevalling. Het hof behoefde op grond van het rapport van Govaert niet tot het oordeel te komen dat dat het geval is. Daarbij komt dat ook het rapport van Govaert geen positief bewijs oplevert dat het trauma bij de bevalling is ontstaan en de andere denkbare oorzaken ook niet uitsluit. In dat licht mocht het hof mijns inziens tot het oordeel komen dat niet is komen vast te staan dat [verweerder 1] bij de bevalling onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarop stranden de klachten van
subonderdelen 2.4, 2.7 en 2.8.
subonderdeel 2.9faalt daarom.
subonderdeel 2.10wordt geklaagd dat het hof het rapport van Ramos ten onrechte als weerlegging van, en niet als aanvulling op, de rapporten van Lotgering en Van Nieuwenhuizen heeft aangemerkt. Dat leidt het subonderdeel af uit de in rov. 3.41 gebezigde woorden ‘het terzijde schuiven van de bevindingen van beide deskundigen’. Ik meen dat in het midden kan blijven of het hof dit rapport als een aanvulling dan wel als weerlegging heeft beschouwd, nu het hof overeenkomstig de stelling van [eiseres] heeft beoordeeld of het rapport van Ramos in samenhang met de overige rapporten tot het oordeel kan leiden dat het trauma bij de bevalling moet zijn ontstaan. Het hof is daarbij tot het oordeel gekomen dat ook uit dat rapport niet kan worden opgemaakt dat het letsel bij de bevalling moet zijn ontstaan. Die conclusie wordt niet bestreden.
Subonderdeel 2.10faalt daarom.
Subonderdeel 2.14is een voortbouwende klacht die inhoudt dat het slagen van één van de voorgaande subonderdelen ook rov. 3.43, 3.44 en 3.45-3.47 vitieert. Nu geen van de voorgaande subonderdelen slaagt, mist ook
subonderdeel 2.14derhalve doel.
onderdeel II.
equality of arms) daaraan mede ten grondslag ligt. [98] Het is daarom niet nodig om bij de toe- of afwijzing uitdrukkelijk op dat beginsel in te gaan.
equality of armshet hof niet tot een ander oordeel behoefde te brengen. Hiermee heeft het hof voldoende inzichtelijk gemaakt hoe het de belangenafweging waartoe art. 843a Rv noopt, heeft verricht. Voor het hof bestond geen aanleiding om op art. 21 Rv Pro in te gaan, nu dat artikel geen algemene verplichting tot informatieverschaffing biedt. [99] Uit het voorgaande volgt dat
subonderdeel 2.17in zoverre niet kan slagen.
subonderdeel 2.18 en 2.19, die inhoudt dat de vordering reeds had moeten worden toegewezen, omdat het verstrekken van persoonsgegevens van [eiseres] door de verzekeraar aan Lequin slechts met toestemming van [eiseres] had mogen gebeuren en dat [eiseres] hierover op grond van art. 33 en Pro 34 Wbp had moeten worden geïnformeerd, kan daarom niet slagen.
subonderdeel 2.17slagen evenmin.
subonderdelen 2.18 en 2.20-2.22,die betogen dat het hof geen aansluiting had mogen zoeken bij genoemd arrest van het HvJ EU, geen doel.
Subonderdeel 2.1, dat als inleiding op onderdeel III geldt, bevat geen klacht en behoeft daarom geen bespreking.
onderdeel III.