Conclusie
1.Feiten en procesverloop
(ii) [eiser] heeft [verweerder] eind 2012 opdracht gegeven om de kalveren van [eiser] op te fokken. [eiser] heeft daartoe een door Countus opgestelde concept overeenkomst voorgelegd. [verweerder] heeft dat concept niet getekend. Vanaf januari 2013 heeft [eiser] zijn kalveren bij [verweerder] gestald.
(iii) [verweerder] heeft facturen aan [eiser] verzonden voor de door hem uitgevoerde werkzaamheden en deze facturen heeft [eiser] tot en met april 2016 betaald. [verweerder] factureerde zijn werkzaamheden doorgaans per de eerste van de maand over de afgelopen maand. De facturen die [verweerder] vanaf mei 2016 heeft verzonden aan [eiser] zijn niet voldaan.
(iv) [verweerder] en zijn gemachtigde hebben [eiser] diverse malen gesommeerd om tot betaling van de openstaande facturen over te gaan.
(v) Bij brief van 24 juni 2016 heeft [eiser] de overeenkomst met [verweerder] opgezegd met inachtneming van een termijn van 6 maanden per 1 januari 2017.
(vi) Bij ongedateerde brief, die [verweerder] op 23 september 2016 heeft ontvangen, reageert [eiser] op een sommatiebrief van [verweerder] van 30 augustus 2016:
(ix) Bij vonnis in kort geding van 11 januari 2017 heeft de voorzieningenrechter [eiser] veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van de helft van het openstaande bedrag tot 1 oktober 2016, zijnde € 29.753,66, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen en de proceskosten. Op 23 januari 2016 heeft [eiser] naar aanleiding van bedoeld vonnis in kort geding een bedrag van € 32.333,28 aan [verweerder] betaald.
In reconventie vordert [verweerder] , onder meer, te verklaren voor recht dat [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten door ondanks de opzegging van de overeenkomst tegen 1 januari 2017 het vee zonder aankondiging al op 1 oktober 2016 uit de stallen van [verweerder] te verwijderen en veroordeling van [eiser] tot betaling van een aantal facturen.
In geval de overheid besluit tot het invoeren van dierrechten, zijn de verkregen dierrechten - op basis van het uitbesteden van jongvee door partij A op het bedrijf van partij B - voor 50% eigendom van partij B en voor 50% eigendom van partij A. ”. In deze brief staat vermeld “
hierbij ontvangt u de definitieve jongvee opfok overeenkomst. We adviseren u de overeenkomst door [verweerder] te laten ondertekenen. ” (rov. 4.2) Volgens [verweerder] is er geen overeenstemming bereikt over het door Countus toegezonden concept en met name niet met betrekking tot de bepaling over de dierrechten. [verweerder] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een andere versie van het concept overgelegd (zonder de bepaling over de dierrechten), die meegezonden zou zijn met een e-mailbericht van [de adviseur] van 21 december 2012. (rov. 4.3) In dit tussenvonnis heeft de rechtbank [eiser] opgedragen te bewijzen dat [verweerder] akkoord is gegaan met de verdeling van dierrechten conform het concept van de opfokovereenkomst van 4 januari 2013. Bij tussenvonnis van 8 mei 2019 heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiser] niet is geslaagd in de bewijsopdracht, en de vorderingen ter zake van de dierenrechten afgewezen. Ten aanzien van de andere vorderingen van [eiser] die waren gebaseerd op diens stelling dat [verweerder] was tekort geschoten in de nakoming van de opfokovereenkomst, achtte de rechtbank het nodig een onafhankelijk deskundigenbericht in te winnen. In reconventie heeft de rechtbank ieder oordeel aangehouden. Bij tussenvonnis van 10 juli 2019 heeft de rechtbank tussentijds hoger beroep opengesteld.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen 1.1-1.3over de rov. 4.3-4.4 van het bestreden arrest. Het hof overwoog:
Aanspraak fosfaatrechten op grond van overeenkomst?
subonderdeel 1.1getuigt het oordeel in rov. 4.3 van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit onvoldoende gemotiveerd, in het licht van de rechtsopvattingen zoals verdedigd in het subonderdeel onder A, B respectievelijk C. Volgens het subonderdeel volgt uit de door het onderdeel verdedigde rechtsopvattingen, kort gezegd, dat (zonder nadere motivering, die ontbreekt) niet wordt toegekomen aan bewijslevering van de door [eiser] gestelde afspraak.
onder Adat moet worden uitgegaan van de volgende rechtsopvatting: Indien tussen onderhandelende partijen concepten worden uitgewisseld van de redactie van de tussen hen te sluiten overeenkomst en indien daarna, zonder dat het laatste concept door één der partijen op een voor de andere partij kenbare wijze is verworpen, door partijen uitvoering wordt gegeven aan de contractuele samenwerking, dan volgen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen behoudens bijzondere omstandigheden uit de redactie van dat laatste concept.
onder Bdat moet worden uitgegaan van de volgende rechtsopvatting: Of de ene partij er op mag vertrouwen dat de andere partij de laatst tussen hen in de precontractuele fase uitgewisselde redactie van een overeenkomst heeft aanvaard, dient te worden beoordeeld aan de hand van de vertrouwensleer. De omstandigheid dat beide partijen na de laatst tussen hen uitgewisselde redactie de contractuele samenwerking uitvoeren, zonder dat voordien door de andere partij de laatst uitgewisselde redactie is verworpen op een voor de ene partij kenbare wijze, is een omstandigheid waaraan veel gewicht toekomt ten gunste van het oordeel dat de ene partij er op mag vertrouwen dat de andere partij de laatst tussen hen in de precontractuele fase uitgewisselde redactie van een overeenkomst heeft aanvaard. Indien de rechter desalniettemin tot het oordeel komt dat de ene partij daarop niet mag vertrouwen, dan dient hij in zijn onderbouwing van dat oordeel kenbaar te maken, welke omstandigheden er aan hebben bijgedragen dat dat vertrouwen niet gerechtvaardigd was.
onder Cdat moet worden uitgegaan van de volgende rechtsopvatting: Onder de in de inleiding bij dit onderdeel gegeven omstandigheden is in beginsel gegeven, dat de overeenkomst tussen partijen de inhoud heeft die volgt uit de laatste tekstvariant die zij beiden hebben ontvangen en waartegen zij voorafgaand aan het uitvoeren van de overeenkomst jegens elkander geen bezwaren kenbaar hebben gemaakt.
De inleiding op onderdeel 1 noemt als omstandigheden, samengevat, a) een ondernemersadviseur die beide partijen als klant had, heeft hen per e-mail een concept van een opfokovereenkomst gestuurd; b) die adviseur heeft partijen daarna per post een tweede versie gestuurd, die door hem werd aangeduid als de ‘definitieve’ overeenkomst; c) in de tweede versie van de overeenkomst was ten opzichte van de eerste versie een bepaling over dierrechten toegevoegd; d) [verweerder] heeft verklaard dat hij – toen hij kennis nam van de tweede versie – dacht: “
Dat ga ik nooit tekenen”, en vervolgens heeft hij het op zijn beloop gelaten; e) [verweerder] heeft niet aan [eiser] laten weten dat hij bezwaren had tegen de tweede versie van de overeenkomst; en f) partijen hebben de overeenkomst uitgevoerd op een wijze die past bij zowel de eerste als de tweede versie van de overeenkomst.
subonderdeel 1.1te falen. De in het subonderdeel
onder A en Bgenoemde omstandigheden (i) dat meerdere concepten van de overeenkomst zijn uitgewisseld, (ii) dat geen van de partijen kenbaar tegen het laatste concept heeft geprotesteerd, en (iii) dat de partijen vervolgens zijn begonnen met de uitvoering (van een deel) van de overeenkomst, zijn op zichzelf omstandigheden die relevant kunnen zijn bij de beoordeling aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Het zijn echter geen omstandigheden waaraan per definitie doorslaggevende betekenis of veel gewicht dient toe te komen, al is het maar omdat de relevantie en het gewicht van deze omstandigheden doorgaans pas zullen blijken als zij worden bezien in samenhang met andere omstandigheden. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan de inhoud van de beide concepten, de mate waarin de concepten van elkaar verschillen, het belang en de relevantie van de bepalingen waarin eventuele verschillen tussen beide concepten zich voordoen, en eventuele correspondentie en andere contacten tussen partijen tussen de momenten waarop beide concepten zijn opgesteld en gedeeld. Evenmin vormen de (specifieke) omstandigheden van dit geval aanleiding om een sub- of vuistregel te formuleren. [5] Het subonderdeel vraagt met de klacht
onder Cin wezen om een herbeoordeling van feitelijke aard.
Voor zover het onderdeel een dergelijke klacht inhoudt, faalt deze bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat hof niet heeft geoordeeld dat uitdrukkelijke aanvaarding vereist is.
onder (1), samengevat, heeft het hof in strijd met artikel 24 Rv Pro het beroep van [eiser] op gerechtvaardigd vertrouwen beoordeeld buiten het kader van de overeenkomst in plaats van binnen dat kader, zoals [eiser] had aangevoerd.
beroep op vertrouwen op een impliciet gemaakte afspraak”. Ook hier gaat het hof dus uit van een contractuele grondslag, anders dan de klacht veronderstelt. De gecursiveerde tekst boven de rov. 4.3 en 4.4 in het arrest van het hof doen aan het voorgaande niet af.
Met deze wijze van behandeling reageert het hof kennelijk op de stellingen van [eiser] , kort gezegd, dat voldoende zekerheid is ontstaan over “
de afspraak (conform artikel 26 van Pro de op 4 januari 2013 door [de adviseur] toegezonden overeenkomst, en zo nodig conform mondelinge afspraak)” respectievelijk “
Subsidiair heeft [eiser] aangevoerd (…) dat (…) [eiser] erop had mogen vertrouwen dat dat deze [afspraak] minst genomen impliciet gemaakt was, omdat hij deze eis nadrukkelijk had gesteld terwijl niet blijkt dat [verweerder] hiertegen heeft geprotesteerd.” [6] Het onderscheid dat het hof maakt in rov. 4.3 en rov. 4.4. ad b strookt dus met de stellingen van [eiser] .
onder (2)heeft het hof artikel 24 Rv Pro geschonden doordat het miskent dat [eiser] heeft gesteld dat sprake was van stilzwijgen zijdens [verweerder] én dat de overeenkomst (blijkens het plaatsen van de dieren) wel tot stand is gekomen.
opfokovereenkomsttussen partijen is tot stand gekomen − waarbij ik opmerk dat de in de eerste volzin van rov. 4.4 bedoelde overeenkomst, de gestelde
overeenkomst over de dierrechtenbetreft − en dat partijen uitvoering hebben gegeven aan de opfokovereenkomst. Dit laatste blijkt bijvoorbeeld uit de overwegingen waarin het hof beoordeelt of sprake is van tekortkomingen in de uitvoering van de opfokovereenkomst (rov. 4.6 e.v.) en of de opfokovereenkomst partieel ontbonden kon worden (rov. 4.33 e.v.). Tegen de achtergrond van het bestaan van de opfokovereenkomst en de uitvoering daarvan richt het hof zijn beoordeling in rov. 4.4. ad b op de door [eiser] gestelde impliciete afspraak over de dierrechten.
subonderdeel 1.3is gericht tegen rov. 4.4 ad b. De klacht
onder (1)betreft de overweging dat geen bewijs voorhanden is waaruit volgt dat zonder instemming van [verweerder] met de dierrechtenbepaling geen opfokovereenkomst zou zijn gesloten. Volgens de klacht miskent het hof met deze overweging dat het antwoord op de vraag of zonder instemming van [verweerder] met de dierrechtenbepaling een opfokovereenkomst tot stand zou zijn gekomen, niet relevant is voor de vraag of de dierrechtenbepaling onderdeel uitmaakt van de overeenkomst, althans is het oordeel onbegrijpelijk.
onder (2)betreft de overweging waarin wordt verwezen naar de passage in de memorie van [eiser] waarin staat dat de bepaling over dierrechten geen kernbeding was voor een opfokovereenkomst. De klacht voert aan dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. [eiser] heeft de stelling dat de dierrechtenbepaling voor de opfokovereenkomst geen ‘kernbeding’ vormde, aangevoerd in de context van artikel 6:225 lid 2 BW Pro [7] ter onderbouwing van zijn standpunt dat het dierrechtenbeding onderdeel van de overeenkomst uitmaakt. Het hof mocht dit argument niet ten grondslag leggen aan het oordeel dat de dierrechtenbepaling
nietonderdeel uitmaakt van de overeenkomst, aldus de klacht.
dat lijkt ook te volgen uit …”). Nu de klacht is gericht tegen een overweging die ten overvloede is gegeven, kan de klacht (ook al zij terecht zou zijn) niet tot cassatie leiden.
onderdeel 1niet slaagt, althans niet tot cassatie kan leiden.
Door het ontbreken van een aankondiging kon [verweerder] ook niet tijdig een nieuwe opdracht verwerven, zoals [verweerder] terecht heeft aangevoerd. [eiser] is daarom schadeplichtig tegenover [verweerder] , voor zover het gaat om de periode van 1 oktober 2016 tot einde 2016.”
onder (A)is het hof met dit oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, dan wel heeft het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing genomen door met betrekking tot deze factuur een bedrag aan schadevergoeding toe te wijzen. Daartoe voert de klacht aan dat (i) de vordering niet strekte tot vergoeding van schade (de vordering was qua omvang gelijk aan gemiste omzet); (ii) de vordering btw insloot; en (iii) over de vordering handelsrente werd gevorderd.
onder Agaat niet op.
onder (B)mede inhoudt dat het hof ten aanzien van de grondslag van de vordering tot betaling van de factuur “gokt, wat [verweerder] wellicht bedoeld heeft, zonder dat het zich de vraag stelt of [eiser] dat zo heeft moeten begrijpen.”
onder (B)houdt voorts in dat het hof artikel 149 Rv Pro heeft miskend dan wel zijn oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, omdat het hof zonder nadere feitenvaststelling niet tot het oordeel kon komen dat sprake was van schade, gezien de betwisting door [eiser] van de niet nader onderbouwde stelling dat [verweerder] voor de tussenliggende periode van 1 oktober 2016 tot 1 januari 2017 geen nieuwe overeenkomsten kon sluiten.
onderdeel 2niet slaagt. Het beroep dient te worden verworpen.