Conclusie
1.Feiten en procesverloop
perpetuatio fori) (rov. 5.4). De Verordening Brussel II-bis bevat geen definitie van het begrip ‘gewone verblijfplaats’. Volgens vaste jurisprudentie van het HvJEU is de gewone verblijfplaats de plaats die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt (rov. 5.5). De minderjarige had ten tijde van het inleidende verzoek door de raad op 20 februari 2020 haar gewone verblijfplaats niet in Nederland (rov. 5.6). Daarvoor heeft het hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen:
2.Bespreking van het cassatiemiddel
perpetuatio fori). [22]
onderdelen 3.2 t/m 3.4wordt deze klacht nader uitgewerkt.
Onderdeel 3.2.1betoogt dat het hof Den Haag slechts zou hebben geoordeeld dat het niet doen terugkeren van de minderjarige in strijd is met art. 3 lid 1 HKOV Pro, zodat niet in het algemeen kan worden gezegd dat de minderjarige in Nederland ongeoorloofd wordt vastgehouden.
onderdelen 3.5 t/m 3.7zijn gericht tegen rov. 5.11 van de bestreden beschikking en klaagt dat het hof heeft miskend dat in het geval dat de Verordening Brussel II-bis, het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 en het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 niet van toepassing zijn, de Nederlandse rechter niettemin bevoegd is op grond van art. 5 Rv Pro.
onderdelen 3.8 en 3.9klagen dat het hof bevoegdheid had moeten ontlenen aan art. 13 Brussel Pro II-bis, omdat het feitelijk verblijf van de minderjarige in Nederland is gelegen dan wel dat het hof geen enkel inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in de VS is gelegen.