Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2021:341

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 maart 2021
Publicatiedatum
4 maart 2021
Zaaknummer
20/01494
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 11 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter bij ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige

In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd was om een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige te gelasten, terwijl de vader en stiefmoeder in de Verenigde Staten van Amerika wonen. De zaak betrof tevens de toepassing van artikel 11 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.

De vader en stiefmoeder hadden tegen de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld. De Raad voor de Kinderbescherming, regio Gelderland, locatie Arnhem, was verweerster in cassatie. De gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland was als belanghebbende aangemerkt maar heeft niet deelgenomen aan het geding.

De Hoge Raad heeft de klachten van de vader en stiefmoeder beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de beschikking van het hof. De Hoge Raad heeft daarbij geen motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en daarmee de beschikking van het hof bekrachtigd. De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Sieburgh, ter Heide en in het openbaar uitgesproken door Kroeze op 5 maart 2021.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader en stiefmoeder wordt verworpen en de beschikking van het hof bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01494
Datum5 maart 2021
BESCHIKKING
In de zaak van
1. [de vader],
2. [de stiefmoeder],
beiden wonende in de Verenigde Staten van Amerika,
VERZOEKERS tot cassatie,
hierna: de vader en de stiefmoeder,
advocaat: C. Reijntjes-Wendenburg,
tegen
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO GELDERLAND, LOCATIE ARNHEM,
gevestigd te Arnhem,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de raad,
advocaat: M.M. van Asperen,
als belanghebbende is in hoger beroep aangemerkt:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING GELDERLAND,
gevestigd te Doetinchem,
hierna: de GI,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikking in de zaak C/05/363302 / ZJ-RK 19-1195 van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland van 10 december 2019;
de beschikking in de zaak 200.270.639 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 maart 2020.
De vader en de stiefmoeder hebben tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raad heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De GI heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.H. Sieburgh en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
5 maart 2021.