De ouders, woonachtig in de Verenigde Staten, verzochten het hof om herroeping van een eerdere beschikking van 25 maart 2020 inzake het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Zij stelden dat de gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming onjuiste informatie hadden verstrekt, waardoor de beschikking op bedrog zou berusten.
Het hof oordeelde dat het verzoek tot herroeping niet tijdig was ingediend, aangezien de ouders al vóór 23 april 2020 bekend waren met de vermeende gronden voor herroeping, terwijl het verzoek pas op 19 oktober 2020 werd ingediend. Daarnaast concludeerde het hof dat geen sprake was van bedrog of het achterhouden van stukken door de wederpartij en dat het contactjournaal van de raad niet als achtergehouden stuk kon worden aangemerkt.
Het hof wees het verzoek tot herroeping af en compenseerde de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitgesproken op 9 december 2020 door het gerechtshof Den Haag.