Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
(ii) [verweerder] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via tussenpersoon [A] , die niet beschikt over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden benodigde vergunning.
(iii) Op 6 februari 2006 heeft Dexia aan [verweerder] een eindafrekening verzonden met daarop een negatief saldo van € 3.384,29. Volgens opgave van Dexia heeft [verweerder] op grond van de overeenkomst in totaal een bedrag van € 6.270,85 aan maandtermijnen en een bedrag van € 3.384,29 aan restschuld aan Dexia betaald, en heeft [verweerder] een bedrag van € 863,11 aan dividenden ontvangen.
(iv) [verweerder] heeft tijdig een opt-out-verklaring ingediend zodat hij niet gebonden is aan de WCAM-regeling die door het hof Amsterdam verbindend is verklaard.
(v) Bij brief van 23 november 2018 heeft Dexia aan [verweerder] meegedeeld dat Dexia het geschil wil afwikkelen en dat daarvoor noodzakelijk is dat aan de hand van alle van belang zijnde gegevens dient te worden bekeken of [verweerder] nog recht heeft op een schadevergoeding. Dexia heeft [verweerder] verzocht mee te delen of Dexia aan al haar verplichtingen jegens [verweerder] heeft voldaan en, zo niet, mee te delen en te onderbouwen welk schadebedrag Dexia nog verschuldigd zou zijn. Dit verzoek is herhaald bij brief van 4 januari 2019.
(vi) [verweerder] heeft op beide brieven niet gereageerd.
- De begrippen ‘advies’ en ‘order’ worden in de rechtspraak verschillend ingevuld, terwijl de vaststelling of sprake is geweest van een zodanig advies en/of order in zeer veel effectenleasezaken doorslaggevend kan zijn.
- De relevante arresten van de Hoge Raad bevatten weinig aanknopingspunten voor de beoordeling of sprake was van een advies.
- In rechterlijke uitspraken worden uiteenlopende maatstaven gehanteerd bij de beoordeling of sprake is van een vergunningplichtig advies door een cliëntenremisier.
- De prejudiciële vragen worden gesteld tegen de achtergrond dat nog circa 8.000 tot 9.000 soortgelijke maar in detail soms verschillende tussenpersoonzaken wachten op goede afdoening.
- De overeenkomsten waaruit de geschillen zijn ontstaan zijn circa twintig jaar geleden gesloten, waardoor bewijslevering steeds problematischer wordt, zodat het belang bij duidelijkheid over welke feiten relevant zijn stijgt.
- De rechtspraak heeft behoefte aan duidelijke en praktisch hanteerbare maatstaven voor de juridische kwalificatie van het advies van de tussenpersoon, althans voor de vaststelling of grond bestaat voor toepassing van de billijkheidscorrectie.
- Gelet op het grote aantal zaken en (door het verstrijken van de tijd steeds grotere) bewijsproblemen heeft de rechtspraak grote behoefte aan duidelijkheid welke feiten en omstandigheden het meest zwaarwegend zijn bij de beoordeling of de tussenpersoon een ‘order’ heeft geplaatst.
- Tegen de achtergrond dat de voor de ‘order’-kwalificatie relevante feiten, anders dan de inhoud van de adviezen die een tussenpersoon twintig jaar geleden heeft gegeven, veelal blijken uit schriftelijke stukken is het voor een zo efficiënt mogelijke afdoening van de grote hoeveelheid resterende zaken nodig te onderzoeken in hoeverre kan worden beslist op basis van de beschikbare stukken.
- Het is van belang of, en zo ja in welke gevallen de ‘advies’- of ‘order’-benadering invloed heeft op de uiteindelijke uitkomst van de zaak.
3.Samenvatting van de relevante rechtspraak van de Hoge Raad
De cliëntenremisier mag dus niet beroeps- of bedrijfsmatig adviseren c.q. aanprijzen om bijvoorbeeld een specifiek aandeel, een specifiek beleggingsfonds of een bepaalde obligatie of een specifiek effectenleaseproduct te kopen.” [13] Voor orderremsiers gold geen (relevante) vrijstelling. [14]
cold calling. Uit rov. 4.3.4 van dit arrest volgt, kort gezegd, dat de schadeverdeling volgens het arrest [… 1] /Dexia niet ziet op het geval dat de belegger jegens de aanbieder van de effectenleaseovereenkomst belangstelling heeft getoond voor het aangaan van een dergelijke overeenkomst waarna adviseurs van Dexia hem hebben geadviseerd om effectenleaseproducten van Dexia af te nemen. Hier is immers niet sprake van de situatie waarin particuliere beleggers zich wenden tot een onafhankelijke beleggingsadviseur voor het verkrijgen van een op hun specifieke situatie toegesneden advies.
Volgens dit arrest moet het HvJEU uiteindelijk de vraag beantwoorden of aan de kwalificatie van het formulier als ‘order’ in de weg staat dat de transacties pas zullen worden uitgevoerd, of pas definitief voor rekening van de cliënt zullen komen, als de cliënt de daartoe strekkende effectenleaseovereenkomst heeft getekend en teruggezonden.
4.De prejudiciële vragen
(i) Er is behoefte aan meer duidelijkheid over de vraag wanneer sprake is van advisering in de zin van HR 2 september 2016 ( [… 1] /Dexia). Hierop zien de
vragen I-IV. Hoewel deze vragen wijzen op verschillende omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beoordeling of sprake is van een advies, is de kern ervan mijns inziens de maatstaf voor deze beoordeling. Gaat het bijvoorbeeld om hoe de tussenpersoon zich presenteert, hoe de afnemer de rol van de tussenpersoon heeft opgevat, of er een overeenkomst van opdracht (tot advisering) is of hoe het toezichtrecht adviseren omschrijft? In dit verband speelt onder meer de vraag of HR 12 oktober 2018 ( [… 2] /Dexia) heeft beslist dat schending van art. 41 NR Pro 1999 bepalend is voor toepassing van de regel dat Dexia de schade in adviesgevallen volledig dient te vergoeden.
(ii) Er is voorts behoefte aan meer duidelijkheid over de toepassing van de schadeverdelingsregel in een adviesgeval, namelijk dat de billijkheid in beginsel vereist dat de vergoedingsplicht van de aanbieder van het effectenleaseproduct geheel in stand blijft. Hierop zien de
vragen V-VI en X-XIIvoor zover deze zien op adviesgevallen. De schadeverdelingsregel in een adviesgeval laat als in beginsel-regel de mogelijkheid van een afwijkende toepassing open, maar mijns inziens hebben de gestelde vragen geen betrekking op de mogelijkheid van een op de bijzondere omstandigheden van het geval gebaseerde uitzondering op de regel. De vragen veronderstellen namelijk dat sprake kan zijn van een adviesgeval, óók indien de afnemer had kunnen begrijpen dat de tussenpersoon met name een bepaald effectenleaseproduct wenste te verkopen (zoals vraag V het formuleert). Om deze vragen te kunnen beantwoorden, dient dus eerst duidelijk te zijn aan de hand van welke maatstaf de aanwezigheid van een advies dient te worden beoordeeld.
(iii) De belangrijkste kwestie in verband met ordergevallen betreft naar mijn mening de toepassing van art. 6:101 BW Pro. Hierover gaan de
vragen X-XIIvoor zover deze zien op ordergevallen. Over deze kwestie heeft de Hoge Raad zich nog niet uitgesproken. Voor het antwoord is, zoals de vragen X-XII ook veronderstellen, de rechtspraak van de Hoge Raad over de schadeverdelingsregel bij advies relevant. Immers, indien HR 12 oktober 2018 ( [… 2] /Dexia) heeft beslist dat schending van art. 41 NR Pro 1999 bepalend is voor toepassing van de regel dat Dexia de schade in adviesgevallen volledig dient te vergoeden, dan lijkt het op zichzelf voor de hand te liggen om hetzelfde te oordelen ten aanzien van een schending door Dexia van art. 41 NR Pro 1999 in ordergevallen. Indien echter HR 12 oktober 2018 ( [… 2] /Dexia) anders gelezen moet worden, ligt de toepassing van art. 6:101 BW Pro in ordergevallen nog open, en kan bijvoorbeeld worden aangehaakt bij het hofmodel of een eigen schadeverdelingsregel voor ordergevallen worden geformuleerd.
(iv) Overigens is er ook ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van een order behoefte aan meer duidelijkheid. Hierop zien de
vragen VII-IX. Mocht in ordergevallen eenzelfde regel over de toepassing van art. 6:101 BW Pro gelden als in adviesgevallen, dan zal vermoedelijk ook een behoefte bestaan aan een grote mate van duidelijkheid omtrent de vraag wanneer sprake is van een order. De orderkwestie zou in de praktijk de advieskwestie wel eens kunnen gaan verdringen, met name indien vaak kan worden geconcludeerd dat sprake was van een order. [24] De verwijzende rechter overweegt immers dat in adviesgevallen vaak getuigenbewijs nodig is, wat problematisch kan zijn gezien het tijdsverloop, maar dat in ordergevallen vaak met schriftelijke stukken kan worden volstaan. [25] Mocht in ordergevallen een eigen schadeverdelingsregel gelden, dan is te verwachten dat in de praktijk vaak beoordeeld zal moeten worden of sprake is van (primair) een advies dan wel (subsidiair) een order. Mocht in ordergevallen het hofmodel gelden, dan is te verwachten dat de vraag of sprake is van een order veelal geen praktisch belang meer zal hebben.
5.Bespreking van de vragen met betrekking tot adviseren
- 2.1) Er is reden voor afwijking van het hofmodel in de door HR 2 september 2016 (B./Dexia) bedoelde adviessituatie.
- 2.2) In deze situatie gaat het om het advies van een onafhankelijke beleggingsadviseur.
cold calling. [38] Voor de schadeverdeling is dus als zodanig niet bepalend of het contact tussen de afnemer en Dexia is gelegd door de afnemer, door Dexia of door een tussenpersoon. [39]
Voor een advies als bedoeld in HR 12 september 2016 ( [… 1] /Dexia) is vereist dat een advies is gegeven en wel door iemand die de hoedanigheid van adviseur heeft. (SO nrs. 7 en 14). De hoedanigheid van adviseur ontbreekt wanneer de afnemer is geadviseerd door een adviseur van Dexia zelf, zoals volgt uit HR 12 april 2019 ( [… 5] /Dexia) en HR 30 oktober 2020 ( [… 4] /Dexia). (SO nr. 14) Een onafhankelijke tussenpersoon wordt in de rechtspraak als adviseur beschouwd. (SO nr. 15, slot)
De omschrijving van advies is niet meer dan een raamwerk. Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen over advies komt het erop aan of, en zo ja hoe concreet, individueel, gedetailleerd en beredeneerd dit raamwerk moet worden ingevuld. (SO nr. 22) De vraag of sprake is van een aanbeveling die als advies in de zin van HR 2 september 2016 ( [… 1] /Dexia) kan worden gekwalificeerd, moet beantwoord worden in het licht van alle omstandigheden van het geval. (SO nr. 23)
De enkele aanbeveling van een specifiek effectenleaseproduct kwalificeert als een advies. (SO nr. 25).
De rechtspraak oordeelt dat Dexia in algemene zin wist of behoorde te weten dat haar cliëntenremisiers bij de verkoop van effectenleaseproducten op ruime schaal ook individueel adviseerden. (SO nr. 34) Dit was de kurk waarop de verkoop door middel van tussenpersonen dreef en is daarom een relevant gegeven bij de beoordeling of (voldoende aannemelijk is dat) in een concreet geval is geadviseerd. (SO 36)
Van advisering moet worden uitgegaan als een cliëntenremisier een specifiek product heeft genoemd als geschikt voor het realiseren van het door de afnemer nagestreefde en aan de adviseur kenbare doel, binnen de − mede met behulp van de cliëntenremisier berekende − financiële mogelijkheden van de afnemer. (SO nr. 41)
Steeds dient te worden beoordeeld of sprake is van een op de specifieke situatie van de afnemer toegesneden advies. Bij deze beoordeling spelen alle feitelijke omstandigheden waarbinnen het vermeende advies werd gegeven een rol, zoals het kader waarbinnen het vermeende advies werd gegeven, de wijze van advies, de mate waarin het vermeende advies gepersonaliseerd is, in hoeverre het advies is toegespitst op de concrete wensen en belangen van de individuele afnemer, de mate waarin de afnemers persoonlijke financiële situatie en persoonlijke beleggingsdoelstellingen zijn meegewogen en de onderbouwing van het vermeende advies (is er een beredeneerde aanbeveling voor het specifieke product gedaan, waarbij is onderbouwd waarom het gekozen product geschikter was voor de betreffende afnemer dan andere beleggings- en spaarvormen/producten?). (SO nr. 13)
Zo is in HR 12 april 2019 ( [… 5] /Dexia), rov. 4.3.4, sprake van een belegger die jegens de aanbieder van de effectenleaseovereenkomst belangstelling heeft getoond voor het aangaan van een dergelijke overeenkomst “waarna adviseurs van Dexia hem hebben geadviseerd om effectenleaseproducten van Dexia af te nemen”; in deze situatie geldt de schadeverdeling volgens het hofmodel.
Aan de andere kant kan men benadrukken dat art 41 NR Pro 1999 Dexia verbood in zee te gaan met een afnemer die was geadviseerd door een cliëntenremisier zonder de daartoe vereiste vergunning. Dan ligt de nadruk meer op het toezichtrecht om de reikwijdte te bepalen van de schadeverdelingsregeling in adviesgevallen.
de kernvan het arrest [… 1] /Dexia de omstandigheid betreft dat art. 41 NR Pro 1999 Dexia verbood om een leaseovereenkomst aan te gaan; dat in zo’n geval
voorop staatdat Dexia contracteerde in weerwil van een wettelijk verbod; dat het
contracteren in weerwil van dit verbodDexia bij de toepassing van art. 6:101 BW Pro zwaar moet worden aangerekend; en dat Dexia de afnemer
hoe dan ook had moeten weigeren.
vraag Vontkennend moet worden beantwoord en dat
vraag VIgeen beantwoording behoeft. Om deze reden is ook de vraag naar de beschermingsstrekking van art. 41 NR Pro 1999 niet van belang, moet
vraag X.abevestigend worden beantwoord en komt men niet toe aan beantwoording van de
vragen XI en XII.
Het gaat hier immers om een geval waarin een professionele financiële instelling een complex financieel product aan het beleggend publiek aanbiedt zonder eigen specifieke voorlichting aan de potentiële particuliere belegger. Juist in een zodanige verhouding moet de particuliere belegger kunnen vertrouwen op de (deskundigheid en) onpartijdigheid van de door hem ingeschakelde beleggingsadviseur.” [51] Het handelen in strijd met art. 41 NR Pro 1999 overschaduwt daarom de omstandigheid dat ook de geadviseerde afnemer kon weten dat werd belegd met geleend geld en dat het ging om een rentedragende geldlening die moest worden terugbetaald.
kunnen vertrouwen op de (deskundigheid en) onpartijdigheid van de door hem ingeschakelde beleggingsadviseur).
Met deze overweging wordt mijns inziens uitgelegd wáárom de kwaliteit van het advies geen rol speelt en waarom de schadeverdelingsregel in adviesgevallen dus ook geldt indien de afnemer na een inhoudelijk goed advies wel waakzaam was ten aanzien van de risico’s van beleggen met geleend geld dat met rente zou moeten worden terugbetaald.
Met deze overweging wordt mijns inziens niet iets gezegd over de afbakening van de gevallen waarop deze schadeverdelingsregel ziet (voor die afbakening geldt hetgeen in HR 2 september 2016 ( [… 1] /Dexia) is uiteengezet). Daarom kan uit HR 12 oktober 2018 ( [… 2] /Dexia) naar mijn mening niet worden afgeleid dat het voor de schadeverdelingsregeling in adviesgevallen slechts aankomt op de vraag of Dexia art. 41 NR Pro 1999 heeft geschonden of op de vraag of sprake is van ‘adviseren c.q. aanprijzen’ in toezichtrechtelijke zin als bedoeld in de beleidsbrief van de STE van 5 februari 2002.
De afbakening van het toepassingsbereik van de schadeverdelingsregel van HR 12 september 2016 ( [… 1] /Dexia) dient te worden bepaald aan de hand van het bestaan van een adviesrelatie in privaatrechtelijke zin. Indien daarvan sprake is, kan worden aangenomen dat ook sprake is van ‘adviseren c.q. aanprijzen’ in toezichtrechtelijke zin zodat, indien de tussenpersoon niet beschikt over de voor advisering vereiste vergunning, het verbod van art. 41 NR Pro wordt geactiveerd.
Maar er kunnen ook gevallen zijn waarin wel sprake is van ‘adviseren c.q. aanprijzen’ in de zin van het toezichtrecht, maar niet van adviseren in de zin van HR 12 september 2016 ( [… 1] /Dexia). Uit de (naar mijn mening juiste lezing van de) rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat deze groep (rest)gevallen niet relevant is met het oog op de toepassing van art. 6:101 BW Pro in effectenleasezaken.
Dit zal in beginsel impliceren dat er (uitdrukkelijk of stilzwijgend) [52] een overeenkomst tot advisering tussen de tussenpersoon en de afnemer bestaat. [53] In dat geval kan verklaard worden waarom de aldus geadviseerde afnemer anders wordt behandeld dan de afnemer die zich rechtstreeks heeft gewend tot Dexia (althans niet op de zojuist bedoelde wijze is geadviseerd).
Dat het bestaan van een dergelijke adviesrelatie, voor wat betreft de toepassing van art. 6:101 BW Pro, relevant is in de verhouding tussen Dexia en de afnemer en dat in die verhouding de kwaliteit van het advies er niet toe doet, volgt uit art. 41 NR Pro 1999.
vragen V-VI en X.a-XIIvoor zover die zien op advies.
vraag Vbedoelde geval is daarom niet relevant voor de toepassing van de schadeverdelingsregel. Vraag V behoeft daarom geen beantwoording, evenals de daarop voortbouwende
vraag VI.
vergunningplichtigadvies door een cliëntenremisier die niet over een vergunning beschikte, reeds volgt dat (indien Dexia daarvan wist of behoorde te weten) door toepassing van de billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW Pro alle schade door Dexia moet worden gedragen. Hiervoor is vereist dat sprake is van een adviesrelatie in de zin van HR 2 september 2016 ( [… 1] /Dexia). De schadeverdelingsregel in adviesgevallen van HR 2 september 20216 ( [… 1] /Dexia) is, gezien de gronden waarop deze is gebaseerd, van toepassing indien het gaat om een geval waarin een tussenpersoon (dat wil zeggen een ander dan de aanbieder van het effectenleaseproduct of iemand die de particuliere belegger voor deze aanbieder hield) jegens de particuliere belegger de zorgplicht van een adviseur had, wat impliceert dat de particuliere belegger redelijkerwijs mocht verwachten dat de tussenpersoon als dienstverlener diende te handelen in zijn belang. Ik verwijs naar mijn bespreking van de verschillende lezingen van de rechtspraak van de Hoge Raad in 5.14.1 e.v.
Voor het geval vraag X.a ontkennend wordt beantwoord, vraagt
vraag XIof er bijkomende omstandigheden mogelijk zijn waaronder de afnemer in dat geval wel een dergelijk beroep op de billijkheidscorrectie kan doen en zo ja, welke deze zijn. Indien vraag XI wordt losgezien van de hiervoor (in 5.25) bedoelde veronderstelling, resteert een vraag die – zoals volgt uit een na het stellen van de vragen gewezen prejudiciële beslissing van de Hoge Raad [56] − te open is geformuleerd om bij wijze van prejudiciële beslissing te worden beantwoord. Een korte beantwoording in algemene zin zou overigens kunnen volstaan met een verwijzing naar HR 2 september 2016 ( [… 1] /Dexia).
Het antwoord op
vraag XIIluidt dat het enkele feit dat de tussenpersoon heeft gehandeld op een wijze die vergunningplichtig was zonder over de daarvoor krachtens de Wte 1995 vereiste vergunning te beschikken geen gevolg heeft voor de schadeverdeling in effectenleasezaken tussen de aanbieder van het effectenleaseproduct en de afnemer daarvan volgens het hofmodel, behoudens indien is voldaan aan de vereisten voor toepassing van de schadeverdelingsregel van HR 2 september 2016 ( [… 1] /Dexia).
V-VI en X.a-XIImet betrekking tot adviesgevallen kunnen worden beantwoord.
vragen I-IV. Deze vragen betreffen de toepassing van de maatstaf om te bepalen of sprake is van een advies als bedoeld in HR 2 september 2016 ( [… 1] /Dexia).
vragen II en IVnoemen omstandigheden die relevant zouden kunnen zijn bij de beoordeling of sprake is van een adviesrelatie in de zin van HR 2 september 2016 ( [… 1] /Dexia). Omdat dit moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, kunnen alle door de kantonrechter genoemde omstandigheden een rol spelen en zijn ook andere relevante omstandigheden denkbaar.
Met een verwijzing naar de omstandigheden van het geval, is de praktijk vermoedelijk niet in het bijzonder gediend. Toch is het lastig om veel concreter te worden. Ik plaats hierna enkele algemene opmerkingen over de door de kantonrechter opgesomde omstandigheden. Ik meen dat niet bij wijze van prejudiciële beslissing kan worden aangegeven bij welke combinaties van de verschillende door de kantonrechter genoemde omstandigheden al dan niet sprake is van een adviesrelatie als bedoeld in HR 2 september 2016 ( [… 1] /Dexia). Wel kan worden bezien in hoeverre het mogelijk is om aan te geven of een bepaalde omstandigheid in beginsel eerder zal pleiten voor dan wel tegen het aannemen van een dergelijke adviesrelatie. Hoewel ook dat laatste slechts met het nodige voorbehoud kan worden gedaan, geeft het hopelijk een beter beeld van hoe de maatstaf is bedoeld (zo lees ik ook de door de kantonrechter in rov. 19 omschreven drie categorieën van gevallen). Ik benadruk dat steeds alle omstandigheden in de beoordeling moeten worden betrokken.
Indien de tussenpersoon zich niet of nauwelijks heeft verdiept in dergelijke omstandigheden, of slechts in algemene zin daarnaar heeft geïnformeerd, wijst dat eerder in de richting dat er geen adviesrelatie is. Ik verwijs voorts naar hetgeen is opgemerkt in 5.31.3.
Dat de tussenpersoon gehouden kan zijn om bepaalde informatie over de afnemer in te winnen ook zonder dat sprake is van een adviesrelatie, [59] staat als zodanig niet in de weg aan de mogelijkheid dat een dergelijke relatie is ontstaan, omdat het van de omstandigheden zal afhangen hoe de afnemer het inwinnen van informatie door de tussenpersoon heeft opgevat en redelijkerwijs mocht opvatten.
vragen II enIV zou als volgt kunnen luiden. Of tussen de particuliere belegger en de tussenpersoon een adviesrelatie tot stand is gekomen die leidt tot toepassing van de schadeverdelingsregel van HR 2 september 2016 ( [… 1] /Dexia), moet worden beantwoord aan de hand van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien, zoals de wijze waarop het contact tussen partijen tot stand is gekomen, de aard en intensiteit van het contact tussen partijen en de mate waarin de tussenpersoon zich heeft verdiept in de persoonlijke omstandigheden van de particuliere belegger en een (of meer) daarop afgestemde en cijfermatig onderbouwde aanbeveling(en) heeft gegeven.
6.Bespreking van de vragen met betrekking tot een order doorgeven
vragen X.b-XIIover de toepassing van art. 6:101 BW Pro. Hoewel deze vragen analytisch pas aan de orde komen nadat is geconcludeerd dat in verband met het aangaan van effectenleaseovereenkomsten sprake is geweest van het doorgeven van een order, gaat het praktisch gezien om de belangrijkste kwestie in verband met de orderproblematiek. Het antwoord op vraag X.b kan voorts meebrengen dat de vragen VII-IX niet meer relevant zijn.
Indien wel is geadviseerd door een (cliënten)remisier, dan is volgens de beleidsbrief van de STE van 5 februari 2002 in feite sprake van orderremise waarvoor een vergunning is vereist. [60] Voor een adviesgeval in de zin van HR 2 september 2016 ( [… 1] /Dexia) geldt de in dat arrest bedoelde schadeverdelingsregel. Indien is geadviseerd, is de toezichtrechtelijke kwalificatie dat feitelijk sprake is van orderremise, daarom met het oog op de schadeverdeling verder niet meer relevant.
vraag X.bal volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad over de schadeverdeling in adviesgevallen.
vraag X.bbevestigend te worden beantwoord en komt men niet toe aan de
vragen XI en XII.
vraag X.b.
vraag X.bkan worden afgeleid uit de methodiek die door de Hoge Raad is gebruikt in zijn rechtspraak over adviesgevallen. Dit wil zeggen dat wordt uitgegaan van de schadeverdeling volgens het hofmodel en vervolgens wordt bezien of er reden is om daarvan af te wijken in een bepaalde groep gevallen, thans de ordergevallen.
In haar noot onder HR 24 april 2020 ( [… 3] /Dexia) vraagt Lieverse zich af of het wenselijk is om met het oog op de schadeverdeling onderscheid te maken tussen de klant die het aanvraagformulier zelf heeft ingestuurd en de klant die dat heeft overgelaten aan een tussenpersoon die geen vergunning had als orderremisier. [71] Het antwoord op die vraag luidt mijns inziens ontkennend.
Vraag X.bdient ontkennend te worden beantwoord. Uit de overwegingen 3.4.1-3.4.5 van HR 12 oktober 2018 ( [… 2] /Dexia) volgt niet dat uit het enkele feit dat er sprake was van het accepteren door Dexia van een overeenkomst die tot stand is gekomen na een order die is aangebracht door een tussenpersoon die niet beschikte over de daarvoor benodigde vergunning, volgt dat (indien Dexia daarvan wist of behoorde te weten) door toepassing van de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW Pro alle schade door Dexia moet worden gedragen. In een dergelijk geval is er onvoldoende reden om af te wijken van het hofmodel.
Ten aanzien van
vragen XI en XIIkan worden volstaan met een verwijzing naar het hiervoor (in 5.27) gegeven antwoord.
vragen VII-IX. De aan- of afwezigheid van het doorgeven van een order is dan immers niet van invloed op de schadeverdeling in effectenleasezaken op voet van art. 6:101 BW Pro. Zo bezien, is het antwoord op de vragen VII-IX niet nodig om de kantonrechter in staat te stellen op de vordering te beslissen (art. 392 lid 1 Rv Pro), al heeft de Hoge Raad wel de vrijheid om de vragen toch te beantwoorden (art. 392 lid 9 Rv Pro). Volledigheidshalve bespreek ik deze vragen.
bepaald(specifiek) is. Wil een aanvraagformulier een order kunnen zijn, dan moet het voldoende concrete gegevens bevatten (waar relevant in samenhang met de gegevens die overigens tussen partijen zijn uitgewisseld) over de soort transactie en de effecten, zowel naar soort als naar aantal of naar het met de transactie in één bepaald effect gemoeide bedrag.
bindendis voor degene die de order heeft gegeven. Het HVJEU zal volgens de Hoge Raad uitsluitsel moeten geven of het relevante Unierecht al dan niet vereist dat het aanvraagformulier, indien daarin de concreet te verrichten effectentransacties voldoende bepaald zijn, een bindende opdracht inhoudt tot het (laten) verrichten van de transacties voor rekening van de cliënt dan wel dat voldoende is dat het formulier de transacties omschrijft die uiteindelijk tot stand komen of kunnen komen.
Uit deze overweging blijkt voorts dat de Hoge Raad niet het standpunt van de conclusie onder 4.84-4.86 heeft gevolgd, dat in verband met de te sluiten effectenleaseovereenkomst het inzenden van het aanvraagformulier door de tussenpersoon niet kan worden aangemerkt als ‘het doorgeven van een order’.
vragen VII-IXvertrekken vanuit een in rov. 26 en 27 door de kantonrechter beschreven feitelijke gang van zaken bij de totstandkoming van een effectenleaseovereenkomst. Partijen bestrijden dat deze beschrijving overeenstemt met de werkelijkheid.
Volgens [verweerder] werden de aandelen op basis van het aanvraagformulier meteen gekocht; waren de aandelen vanaf de aankoopdag voor rekening en risico van de afnemer; kwam de overeenkomst uiterlijk tot stand op de aankoopdatum van de effecten; was de orderdatum de aankoopdatum; werden de aandelen onmiddellijk na ontvangst van het aanvraagformulier op naam van de afnemer gesteld en kwamen zij vanaf dat moment voor diens rekening en risico. [72] Volgens Dexia bevatten de verschillende aanvraagformulieren niet steeds de in rov. 26 van het vonnis vermelde gegevens; kocht Dexia de betreffende aandelen in bulk en op eigen naam aan, voor of na ontvangst van het aanvraagformulier; en was het de beleidskeuze van Dexia om (eerder in bulk aangekochte) aandelen aan te bieden tegen een koers die op het moment van sluiten van de overeenkomst in het verleden lag nu het praktisch niet goed mogelijk was overeenkomsten tegen actuele koersen aan te bieden, omdat er altijd enige tijd zat tussen het – per post – aanbieden van de schriftelijke overeenkomst door Dexia en het (door ondertekening en terugzending) – per post – aanvaarden door de afnemer ervan. [73]
vragen VII-IXook aan de orde te stellen hoe dit beoordelingskader zich verhoudt tot de (in rov. 13 onder B en C bedoelde) beleidsopvatting van de STE over hetgeen een cliëntenremisier was toegestaan.
“...het met de klant invullen van een aanvraagformulier (waarbij vanzelfsprekend een fondskeuze aangekruist moet worden indien het product die mogelijkheid kent) en het opsturen van dit aanvraagformulier namens de klant naar de instelling waarvoor cliëntenremisieractiviteiten worden verricht …”
Naar aanleiding van uw brief van 12juni 2002 bevestigen wij u hierbij da[t] de door u genoemde activiteiten door cliëntenremisiers zijn toegestaan, met inachtneming van het gestelde in onze brief van 5 februari 2002 (zie bijlage).
“[h]et bemiddelen ten behoeve van die activiteiten [niet] werd (…) gezien als rechtstreekse opdracht tot het kopen van effecten” verklaart, als ik het goed zie, hetgeen is vermeld in de in rov. 13 onder B en C weergegeven correspondentie met SpaarSelect. Het gaat steeds om de afbakening van de activiteiten van de orderremisier en die van de cliëntenremisier. De kern van deze correspondentie is dat “
het met de klant invullen van een aanvraagformulier (waarbij vanzelfsprekend een fondskeuze aangekruist moet worden indien het product die mogelijkheid kent) en het opsturen van dit aanvraagformulier namens de klant naar de instelling waarvoor cliëntenremisieractiviteiten worden verricht”behoort tot de (niet vergunningplichtige) cliëntenremisier activiteiten. Zoals volgt uit de beleidsbrief van 5 februari 2002 van de STE, diende de cliëntenremisier er voor te zorgen zich niet bezig te houden met activiteiten die feitelijk neerkomen op vergunningplichtige orderremisier activiteiten.
[verweerder] [76] meent verder dat de in rov. 3.5.3 van HR 24 april 2020 ( [… 3] /Dexia) bedoelde noodzaak tot het stellen van een prejudiciële vraag niet bestaat, omdat het enkele bestaan van de ontbindende voorwaarde van art. 9 van Pro de overeenkomst − dit wil zeggen de enkele mogelijkheid dat de overeenkomst door het niet tijdig terugzenden van de ondertekende overeenkomst wordt ontbonden − niets kan afdoen aan de kwalificatie van het aanvraagformulier als order. [77]
uitvoerbaar moet zijn, hetgeen meebrengt dat de inhoud daarvan zodanig specifiek is dat daarop een of meer concrete transacties in bepaalde financiële instrumenten kunnen worden gebaseerd die voor rekening van de cliënt komen” (rov. 3.4.2) en dat daartoe het aanvraagformulier “
zo nodig in samenhang met de gegevens die overigens tussen partijen zijn uitgewisseld, een voldoende duidelijke specificatie [moet] bevatten van het soort transactie dat moet worden verricht en van de effecten waarop de voorgenomen transactie betrekking heeft, zowel naar soort als naar aantal of naar het met de transactie in één bepaald effect gemoeide bedrag” (rov. 3.5.2).
uitgewisseld. [verweerder] voert aan dat bij deze beoordeling gekeken moet worden naar de productbrochure, het aanvraagformulier, en de Bank Labouchere Effecten Lease Handleiding (hierna: Handleiding) waarin op p. 28 de administratieve routing is vermeld, en de bevestigingsbrief. [80] Volgens [verweerder] wist Dexia op basis van het aanvraagformulier, de Handleiding en de productbrochure precies hoeveel effecten van welke soort de afnemer wenste. Daartoe hanteerde Dexia twee methoden. Bij de eerste methode werd van elk fonds een gelijk aantal effecten gekocht, bij de tweede methode werd voor elk fonds een gelijk bedrag ingezet. Uit de brochure bleek steeds om welke fondsen het ging, en ook in de aanvraagformulieren werden ze volgens [verweerder] vaak genoemd. Bij de eerste methode was de naam van het product en het gekozen maandbedrag/vooruitbetaling, met het in de brochure opgenomen rentepercentage, voldoende om de hoofdsom, het rentedeel en, met inachtneming van de dagkoersen (aankoopkoersen), het gelijke aantal aandelen per fonds te berekenen. Bij de tweede methode waren dezelfde gegevens voldoende om de hoofdsom, het rentedeel en het ongelijke aantal aandelen per fonds te berekenen. [81] Volgens [verweerder] dient met deze stukken rekening te worden gehouden, zo begrijp ik, ook indien niet vaststaat dat de afnemer deze had ontvangen of daarmee bekend was. De door Dexia gevolgde werkwijze dient volgens [verweerder] te prevaleren. [82]
voldoende duidelijke specificatievan de transactie bevat.
Deze gegevens zijn gezien de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf onvoldoende om te kunnen concluderen dat het aanvraagformulier een order inhoudt.
De uiteindelijke samenstelling van dit pakket is immers afhankelijk van de beslissing van Dexia over de aanwending van het ter beschikking staande bedrag. Dexia bepaalt het aantal effecten van elke soort en het met de transactie in één bepaald effect gemoeide bedrag. Dit volgt ook uit de in 6.31 weergegeven stellingen van [verweerder] die onder meer inhouden dat Dexia, met inachtneming van de dagkoersen (aankoopkoersen), [84] het gelijke aantal aandelen per fonds (in de eerste methode) dan wel het ongelijke aantal aandelen per fonds (in de tweede methode) berekende.
De afnemer kan de ontbrekende informatie over aantal en/of prijs per soort effect eerst afleiden uit de gegevens in de door Dexia toegezonden leaseovereenkomst.
Naar mijn mening kan niet meer worden gesproken van een ‘voldoende duidelijke specificatie’ als bedoeld in rov. 3.5.2 van HR 24 april 2020 ( [… 3] /Dexia) indien Dexia aan de hand van het aanvraagformulier in combinatie met een niet aan de aanvrager bekende bedrijfsinterne wijze van afhandeling van aanvragen, kan bepalen
hoeveelvan welke aandelen zij voor een − met inachtneming van de dagkoersen (aankoopkoersen) − bepaalde
prijsten behoeve van de betreffende aanvrager zal aanschaffen dan wel toewijzen, en de aanvrager nog onbekend is met het resultaat van zijn aanvraag in termen van het ‘aantal of (…) het met de transactie in één bepaald effect gemoeide bedrag’ totdat hij de effectenleaseovereenkomst ontvangt. [85]
effectenleaseovereenkomst– al dan niet in combinatie met het aanvraagformulier (en de productbrochure) – het doorgeven van een order oplevert. Rov. 3.5.2 gaat over het vereiste dat een order voldoende
bepaald(specifiek) is. Rov. 3.5.3 gaat over de vraag of vereist is dat een order
bindendis voor degene die de order heeft gegeven.
moet worden verrichten van de effecten waarop de
voorgenomen transactiebetrekking heeft”.
Nu gaat de kantonrechter er in het verwijzingsvonnis vanuit dat Dexia de leaseovereenkomst verzond
nadatde effecten waren verworven (rov. 27). Ook [verweerder] [86] en Dexia [87] gaan daarvan uit. Dit betekent dat het retourneren van de door de afnemer getekende leaseovereenkomst (door de tussenpersoon) aan Dexia niet meer tot gevolg kon hebben dat door Dexia nog een effectentransactie zou moeten worden uitgevoerd. [88] Bij deze stand van zaken kan het retourneren van de getekende effectenleaseovereenkomst geen rol meer spelen bij de beantwoording van de vraag of het aanvraagformulier in samenhang met de gegevens die overigens tussen partijen zijn uitgewisseld, een voldoende duidelijke specificatie van de transactie (‘order’) bevat.
bindendis voor degene die de order heeft gegeven. Indien het antwoord van het HvJEU op die vervolgvraag bevestigend luidt, gaat het retourneren van de getekende effectenleaseovereenkomst pas een rol spelen. Of de order bindend was, moet dan immers in het licht van de effectenleaseovereenkomst worden beoordeeld.
De partijafspraak over dit moment kan niet, achteraf, van invloed zijn op het antwoord op de vraag of, kort gezegd, het aanvraagformulier een order inhoudt.
Rov. 3.5.3 van HR 24 april 2020 ( [… 3] /Dexia) ziet niet op deze kwestie. Hetgeen daarin wordt overwogen over wanneer de transacties zullen worden uitgevoerd of pas definitief voor rekening van de cliënt zullen komen, betreft uitsluitend de vraag of voor het bestaan van een order vereist is dat het aanvraagformulier een bindende opdracht inhoudt tot het (laten) verrichten van de transacties voor rekening van de cliënt.
Het accepteren van de door de tussenpersoon toegezonden (door de afnemer ondertekende) overeenkomst − waarin alle gegevens over aantallen effecten, koersen en prijzen staan vermeld – kan naar mijn mening op grond van de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaven niet worden aangemerkt als het plaatsen en accepteren van een order indien Dexia de leaseovereenkomst verzond nadat de effecten waren verworven Zie hiervoor in 6.36.1-6.36.5.
Daarmee is ook beantwoord of relevant is of de tussenpersoon een ondergeschikte positie inneemt bij het tot stand komen van een overeenkomst tussen een aanbieder van een standaard effectenleaseproduct en een consument (vgl. het in rov. 28 onder L genoemde arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8981).
Voor de vraag of sprake is van het doorgeven van een order is blijkens HR 24 april 2020 ( [… 3] /Dexia) niet van belang of sprake is van een door de tussenpersoon geadviseerde constructie (een combinatie met een ander financieel product), waardoor de afnemer minder snel bedacht hoeft te zijn op, en zich minder snel eigener beweging behoeft te verdiepen in, niet vermelde risico’s dan wanneer hij zich rechtstreeks tot de aanbieder van een effectenleaseproduct zou hebben gewend. Deze benadering hangt samen met de toepassing van art. 6:101 BW Pro in ordergevallen. Ik verwijs daarvoor naar 6.2-6.15 van deze conclusie.
vragen VII en VIIIkunnen gezamenlijk worden beantwoord. Het antwoord is mijns inziens tweeledig.
De vraag of het handelen van de tussenpersoon respectievelijk het inzenden van het aanvraagformulier aangemerkt kan worden als het ontvangen en doorgeven van een order in de zin van de Richtlijn Beleggingsdiensten en de Wte 1995, dient te worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval met inachtneming van de maatstaven die zijn geformuleerd in HR 24 april 2020 ( [… 3] /Dexia).
Het door de tussenpersoon opsturen van de door de afnemer getekende effectenleaseovereenkomst kan niet worden aangemerkt als het doorgeven van een order in de zin van de Richtlijn Beleggingsdiensten en de Wte 1995 order indien Dexia de leaseovereenkomst verzond nadat de effecten waren verworven.
7.Samenvatting van de beantwoording
vergunningplichtigadvies door een cliëntenremisier die niet over een vergunning beschikte, reeds volgt dat (indien Dexia daarvan wist of behoorde te weten) door toepassing van de billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW Pro alle schade door Dexia moet worden gedragen. Hiervoor is vereist dat sprake is van een adviesrelatie in de zin van HR 2 september 2016 ( [… 1] /Dexia). De schadeverdelingsregel in adviesgevallen van HR 2 september 20216 ( [… 1] /Dexia) is, gezien de gronden waarop deze is gebaseerd, van toepassing indien het gaat om een geval waarin een tussenpersoon (dat wil zeggen een ander dan de aanbieder van het effectenleaseproduct of iemand die de particuliere belegger voor deze aanbieder hield) jegens de particuliere belegger de zorgplicht van een adviseur had, wat impliceert dat de particuliere belegger redelijkerwijs mocht verwachten dat de tussenpersoon als dienstverlener diende te handelen in zijn belang. (5.27)
vraag XIIluidt dat het enkele feit dat de tussenpersoon heeft gehandeld op een wijze die vergunningplichtig was zonder over de daarvoor krachtens de Wte 1995 vereiste vergunning te beschikken geen gevolg heeft voor de schadeverdeling in effectenleasezaken tussen de aanbieder van het effectenleaseproduct en de afnemer daarvan volgens het hof-model, behoudens indien is voldaan aan de vereisten voor toepassing van de schadeverde-lingsregel van HR 2 september 2016 ( [… 1] /Dexia). (5.27 en 6.15)
vragen II en IVkunnen gezamenlijk worden beantwoord. Of tussen de particuliere belegger en de tussenpersoon een adviesrelatie tot stand is gekomen die leidt tot toepassing van de schadeverdelingsregel van HR 2 september 2016 ( [… 1] /Dexia), moet worden beantwoord aan de hand van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien, zoals de wijze waarop het contact tussen partijen tot stand is gekomen, de aard en intensiteit van het contact tussen partijen en de mate waarin de tussenpersoon zich heeft verdiept in de persoonlijke omstandigheden van de particuliere belegger en een (of meer) daarop afgestemde en cijfermatig onderbouwde aanbeveling(en) heeft gegeven. (5.35)
vragen V en VIbehoeven geen beantwoording. (5.26)
vragen VII en VIIIkunnen gezamenlijk worden beantwoord. De vraag of het handelen van de tussenpersoon respectievelijk het inzenden van het aanvraagformulier aangemerkt kan worden als het ontvangen en doorgeven van een order in de zin van de Richtlijn Beleggingsdiensten en de Wte 1995, dient te worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval met inachtneming van de maatstaven die zijn geformuleerd in HR 24 april 2020 ( [… 3] /Dexia). Het door de tussenpersoon opsturen van de door de afnemer getekende effectenleaseovereenkomst kan niet worden aangemerkt als het doorgeven van een order in de zin van de Richtlijn Beleggingsdiensten en de Wte 1995 indien Dexia de leaseovereenkomst verzond nadat de effecten waren verworven. (6.39)
vragen III, IX en XIlenen zich niet voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. (5.36, 6.40 en 5.27)