Uitspraak
1.Geding in cassatie
4.Beslissing
6 november 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de vervangende hechtenis die door het hof was opgelegd, de duur van de niet tenuitvoergelegde voorwaardelijke gevangenisstraf mocht overschrijden. De verdachte was veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf dagen, die het hof had omgezet in een taakstraf van 52 uren met een subsidiaire vervangende hechtenis van 26 dagen.
De Hoge Raad herhaalde de relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie dat de rechter niet vrij staat om een vervangende hechtenis op te leggen die langer is dan de niet tenuitvoergelegde straf. De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onmiddellijk kenbare fout had gemaakt door een te lange vervangende hechtenis op te leggen.
De Hoge Raad verminderde daarom zelf de duur van de vervangende hechtenis tot twaalf dagen. Tevens gaf de Hoge Raad aan dat een dergelijke fout bij voorkeur door de lagere rechter(s) kan worden hersteld, conform eerdere arresten, om duidelijkheid te scheppen over de strafoplegging.
Het beroep van de verdachte werd voor het overige verworpen en de rest van het hofarrest bleef in stand.
Uitkomst: De vervangende hechtenis wordt beperkt tot twaalf dagen, gelijk aan de niet tenuitvoergelegde straf.