Conclusie
II. De namens de verdachte voorgestelde middelen
Het eerste middel
1. subsidiair
aangever [aangeefster]:
Oordeel van het hof
Strafmaat
Opiumwet gerelateerde feiten”, maar dat dit hem er niet van heeft weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, is niet begrijpelijk. Daartoe wordt in de toelichting aangevoerd dat a) het uittreksel justitiële documentatie d.d. 3 juni 2020 waar het hof naar verwijst daarvoor geen steun biedt, en b) het hof heeft overwogen dat het bewezenverklaarde aanwezig hebben van GHB bij de bepaling van de op te leggen straf “voor het hof geen noemenswaardig gewicht in de schaal” legt;
onder meervoor Opiumwet gerelateerde feiten eerder onherroepelijk is veroordeeld, maar heeft bij de bepaling van de duur van de op te leggen straf aansluiting gezocht bij het rechterlijk oriëntatiepunt voor verkrachting; 24 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf aldus het hof (het hof heeft twee jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd). Zoals de steller van het middel ook zelf in de schriftuur opmerkt heeft het hof voorts overwogen dat het bewezenverklaarde aanwezig hebben van GHB bij de strafbepaling “voor het hof geen noemenswaardig gewicht in de schaal” heeft gelegd. Wel heeft het hof het de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 3 juni 2020 [3] in die zin in ogenschouw genomen, dat het in algemene bewoordingen overweegt dat de eerdere onherroepelijke veroordelingen de verdachte er niet van hebben weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Deze overweging is op zich zelf juist. Uit dat uittreksel kan namelijk worden opgemaakt dat de verdachte voorafgaand aan de tenlastegelegde pleegperiode wél onherroepelijk is veroordeeld voor (onder meer) wederrechtelijke vrijheidsberoving [4] , diefstal in vereniging [5] , (partner)mishandeling [6] , gekwalificeerde diefstal [7] en winkeldiefstal [8] . Deze veroordelingen kunnen dit onderdeel van de strafmotivering zelfstandig dragen voor zover het hof heeft aangegeven te hebben gelet op eerdere onherroepelijke veroordelingen. Daaraan doet niet af dat het hof kennelijk per abuis in dat verband ook Opiumwet gerelateerde feiten noemt. Dit alles brengt mee dat de eerste deelklacht geen doel treft.
met name” heeft gedaan “door zich door haar te laten pijpen wetende dat zij onder invloed was van GHB en alcohol en, kort gezegd,
in een staat van onmacht verkeerde” (cursiveringen door mij, AG). Dit impliceert volgens de steller van het middel dat het hof bij de strafbepaling meer en/of andere misbruikhandelingen voor ogen heeft gehad dan bewezenverklaard en kennelijk is uitgegaan van een staat van lichamelijke onmacht bij het slachtoffer, terwijl het hof daarvan heeft vrijgesproken.
bij ‘lichamelijke onmacht’ is men niet in staat zich voldoende lichamelijk te verweren, terwijl ‘verminderd bewustzijn’ ook ruimte laat voor de omstandigheid dat men weliswaar in staat is zich te verweren, maar dat dit achterwege wordt gelaten omdat door het gebrekkige bewustzijn de strekking van de handeling niet goed wordt beseft.” [10] De Hoge Raad oordeelde in deze zaak: “Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de aangeefster heeft verkeerd in een toestand van lichamelijke onmacht doet – anders dan het middel kennelijk betoogt – niet af dat het hof ook vaststellingen heeft gedaan die het “passend” acht “bij een staat van verminderd bewustzijn”. [11]
bewustde mobiele telefoon van het slachtoffer bij zich heeft gehouden, maar heeft – zoals ik het lees – enkel de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer tot uitdrukking willen brengen in de strafmaat, door mede te overwegen dat het slachtoffer ontredderd is achtergelaten door de verdachte terwijl hij haar telefoon nog had. Of de verdachte zich daarvan bewust is geweest doet in dit kader niet ter zake. De derde deelklacht treft dan ook geen doel bij gebrek aan feitelijke grondslag.
NJ1991/839, m.nt. Van Veen. Uit dit arrest volgt dat het oordeel dat uit de houding van de verdachte blijkt van het ontbreken van elk schuldbesef ten aanzien van het bewezenverklaarde feit als van feitelijke aard niet met vrucht in cassatie kan worden bestreden. Daaraan doet niet af dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep de verdachte aldaar onder meer heeft verklaard als in de toelichting op het middel is aangehaald.
Het tweede middel
bijlagebij deze schadestaat gevoegd.”
Materiële schade
Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]
BESLISSING
€ 4.050,43 (vierduizend vijftig euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 1.050,43 (duizend vijftig euro en drieënveertig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
NJ2019/379, m.nt. Vellinga. Van rechtstreekse schade, zo vervolgt de Hoge Raad in dit overzichtsarrest, is sprake wanneer tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat. Dit dient te worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Voor het aannemen van zodanig verband is niet vereist dat de schade betrekking heeft op voorwerpen die in de bewezenverklaring zijn vermeld. Evenmin is vereist dat de benadeelde partij is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd.
NJ2019/379, m.nt. Vellinga onder meer:
NJ2021/284, m.nt. Lindenbergh heeft de Hoge Raad daaraan toegevoegd:
sanctiedie los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd. De verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in art. 51f, tweede lid, Sv, kan de rechter aan de verdachte opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Ook voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel is vereist dat sprake is van de genoemde ‘rechtstreekse schade’. [22]
eerste subklachtbestrijdt de steller van het middel allereerst het oordeel dat de telefoonkosten geen rechtstreekse schade zijn, nu het bewezenverklaarde een zedendelict en geen vermogensdelict betreft. Deze subklacht kan ik niet volgen. Een rechtsregel met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij in het strafproces die het recht op materiële vergoeding van schade beperkt tot vermogensdelicten, is mij niet bekend. Voorts miskent de klacht dat de geleden schade niet als zodanig in de tenlastelegging hoeft te zijn vermeld. Uit het hiervoor uiteengezette juridisch kader volgt dat voor rechtstreekse schade voldoende is de vaststelling dat de schade is voortgevloeid uit de in de tenlastelegging omschreven gedraging [23] en dat voor het aannemen van een zodanig verband niet vereist is dat de benadeelde partij is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd.
tweede subklachtricht zich tegen de toekenning van de gevorderde aanschafwaarde van de telefoon. De steller van het middel wijst erop dat in hoger beroep door de verdediging is betoogd dat uit de bij de vordering gevoegde aankoop-bon van de telefoon blijkt dat sprake was van een promodeal en er korting is verleend bij de aanschaf van de telefoon, zodat slechts € 651,08 is betaald in plaats van € 669,98, en voorts dat rekening moet worden gehouden met de economische afschrijving van de telefoon omdat deze 4,5 maanden oud was. In de toelichting op deze subklacht wordt aangevoerd i) dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de voor de telefoon betaalde aanschafprijs niet door de verdediging is bestreden en ii) dat ’s hofs oordeel dat het niet relevant is dat de telefoon al een aantal maanden oud was en was gekocht voor een actieprijs, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.
toelichting op de vordering van de benadeelde partij(zie randnummer 28) wordt betoogd dat en hoe het handelen van de verdachte de benadeelde partij ernstig heeft getraumatiseerd. Het hof heeft in het bestreden arrest onder het hoofd “Oplegging van straf en/of maatregel” overwogen dat de benadeelde partij langdurig psychisch nadelige gevolgen van het gebeurde zal ondervinden, zoals bij slachtoffers van zulke feiten vaak het geval is, en dat zij er na al die jaren nog niet overheen lijkt te zijn. Bezien tegen deze achtergrond en gelet op het toepasselijke juridisch kader, acht ik het in de overwegingen van het hof besloten liggend oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon van de benadeelde partij ‘op andere wijze’ en dat tussen deze schade en het bewezenverklaarde handelen van de verdachte voldoende verband bestaat geenszins onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. [26]
Het derde middel
III.Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
materiëleschadeposten. De steller van het middel meent met verwijzing naar de wetsgeschiedenis van art. 361, derde lid, Sv [27] dat het oordeel van het hof daarover in strijd is met het geldende recht en tevens onvoldoende is gemotiveerd.
Overige medische kosten voor eigen rekening (€ 500,-):
Verlies verdienvermogen/studievertraging/kosten re-integratie à € 26.472, bestaande uit:
bijlagebijgevoegde definitie van de Letselschade Raad.
bijlagebijgevoegde salaristabel behorende bij de CAO Primair Onderwijs blijkt dat een leerkracht een startsalaris heeft van € 2.563,- bruto, hetgeen netto een bedrag van € 2.007,58 per maand bedraagt (zie de eveneens als
bijlagetoegevoegde bruto-netto berekening). Er wordt aanspraak gemaakt op vergoeding van de netto schade van het mislopen van 3 maandsalarissen.
Kosten buitengerechtelijke bijstand inclusief verschotten (€ 114,95):
2.2 Overige medische kosten (€ 500,00)