Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
2 november 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor verkrachting en mishandeling van de benadeelde partij. Het hof kende aan de benadeelde een immateriële schadevergoeding toe wegens de ernstige psychische en lichamelijke gevolgen van het delict.
Het hof stelde vast dat verdachte op 8 mei 2018 de benadeelde met geweld en bedreiging dwong tot verschillende seksuele handelingen en haar mishandelde. De bewezenverklaring steunt op diverse bewijsmiddelen die in de conclusie van de advocaat-generaal zijn vermeld. De benadeelde heeft een schadevergoeding van €3.000,- gevorderd wegens immateriële schade, onderbouwd met een verklaring van GGZ-behandeling en EMDR-therapie.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie omtrent de wettelijke norm van aantasting in persoon 'op andere wijze' zoals bedoeld in art. 6:106 lid Pro b BW. Het hof heeft geoordeeld dat de aard en ernst van de verkrachting zodanig zijn dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van een dergelijke aantasting. Dit oordeel is niet onjuist en voldoende gemotiveerd. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen.
De uitspraak bevestigt dat ernstige seksuele delicten met psychische gevolgen kunnen leiden tot toekenning van immateriële schadevergoeding op grond van art. 6:106 BW Pro. De Hoge Raad onderstreept het belang van concrete onderbouwing van geestelijk letsel, maar erkent dat bij ernstige normschendingen een aantasting in persoon ook zonder gedetailleerde bewijsvoering kan worden aangenomen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toewijzing van immateriële schadevergoeding aan de benadeelde na bewezenverklaarde verkrachting en mishandeling.