Conclusie
1.Inleiding
Onderdeel 1betreft de vraag of de EU Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken dan wel art. 114 VWEU Pro eraan in de weg staat dat de Gemeente het opt-in-systeem invoert (hierna onder 3).
Onderdeel 2betreft de vraag of de Gemeente bevoegd is om het opt-in-systeem in te voeren in het licht van de Wet milieubeheer en de Gemeentewet (hierna onder 4).
Onderdeel 3stelt aan de orde of de invoering van het opt-in-systeem strijd oplevert met het recht op eigendom als bedoeld in art. 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna onder 5).
Onderdeel 4betreft de vraag of het besluit tot invoering van het opt-in-systeem toetsing aan algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan doorstaan (hierna onder 6). Ik kom in deze conclusie tot de slotsom dat de klachten van het cassatiemiddel niet slagen.
ongeadresseerd reclamedrukwerk”) van de Afvalstoffenverordening, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van 2 juli 2009 en in werking getreden op 1 november 2009 (hierna: Afvalstoffenverordening 2009), luidde voorheen als volgt:
Deskstudie Afvalpreventie, Het stimuleren van consumenten om minder afval te produceren” uitgebracht. Deze deskstudie bespreekt de consumenten- en gedragsinzichten rondom afvalpreventie, en hoe deze inzichten ingezet kunnen worden om consumenten te stimuleren tot afvalverminderend gedrag. Op pagina 39 van dit rapport (in hoofdstuk 9: “
Pijler 3: Afvalarme varianten kiezen”, paragraaf 9.2 “
huidig gedrag en houding”) staat:
Het gebruik en de effecten van online folders, inzicht in effectiviteit van online folders, ook onder sticker bezitters” uitgebracht. Zij hebben onderzoek gedaan naar de populariteit van reclamedrukwerk in Amsterdam. Uit het onderzoek blijkt dat volgens de verspreiders van het drukwerk 45% van de huishoudens een sticker heeft geplakt en dus ongeveer 55% van de huishoudens in Amsterdam ongeadresseerd reclamedrukwerk ontvangt (pagina 26). Uit dit onderzoek blijkt verder dat in ieder geval 22% van de mensen die nog geen sticker hebben geplakt ongeadresseerd reclamedrukwerk niet op prijs stelt en geen JA/JA-sticker zal plakken, dat 50% wel een JA/JA sticker zal plakken en dat 28% van de mensen zonder sticker zegt nog niet te weten of zij een JA/JA sticker zal plakken. Omgerekend zegt 27% van alle Amsterdamse boodschappers van 20-49 jaar een JA/JA-sticker te zullen nemen, 16% van deze groep zegt expliciet dit niet van plan te zijn, 12% zegt het (nog) niet te weten (pagina 30).
Folderonderzoek Amsterdam” uitgebracht. Het onderzoek van Direct Research was toegespitst op het leesgedrag van de Amsterdamse bevolking met betrekking tot folders en de effecten van de invoering van het opt-in-systeem op dit gedrag. In het rapport staat onder meer dat van degenen die nu een folder ontvangen 32% aangeeft geen JA/JA-sticker te zullen plakken als het opt-in-systeem wordt ingevoerd (pagina 11). Daarmee wordt het bereik van folders in deze groep met een derde beperkt. Dit komt bovenop de (42% van de) Amsterdammers die, met een NEE/NEE of NEE/JA-sticker al hebben aangegeven geen folders te willen ontvangen.
samplesdie gratis huis aan huis woorden verspreid zonder vermelding van naam, adres of postbus en woonplaats van de ontvanger, niet zijnde:
3.Procesverloop
primaireen verklaring voor recht dat het opt-in-systeem onrechtmatig is, een verbod voor de Gemeente om dit systeem te handhaven, veroordeling om € 292.307,-- aan MailDB c.s. te betalen alsmede om schade nog op te maken bij staat te vergoeden en publicatie van de uitkomst;
subsidiairhetzelfde als primair is gevorderd met dien verstande dat slechts gedurende een termijn van vijf jaar handhaving van het opt-in-systeem wordt verboden;
meer subsidiaireen verklaring voor recht dat het opt-in-systeem onrechtmatig is voor zover niet aan MailDB c.s. schade wordt vergoed en veroordeling tot betaling aan MailDB c.s. van € 292.307,-- alsmede om schade op te maken bij staat te vergoeden;
nog meer subsidiairhetzelfde als meer subsidiair behoudens veroordeling om schade op te maken bij staat te vergoeden;
uiterst subsidiairdie maatregelen en vorderingen uit te spreken die geraden worden geacht. [7]
4.Bespreking van onderdeel 1 van het middel (het Unierecht)
subonderdelen 1.1. en 1.2over de wijze waarop het hof het doel van dit besluit heeft vastgesteld. Volgens
subonderdeel 1.3had dit besluit in ieder geval, ook als het niet onder de Richtlijn OHP zou vallen, op grond van art. 114 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) bij de Europese Commissie aangemeld moeten worden.
Subonderdeel 1.4betreft het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU).
nr. 5dat het hof in rov. 3.7 ten onrechte de bewoordingen, althans een uitleg van het Initiatiefvoorstel bij zijn beoordeling centraal stelt. Het hof had moeten beoordelen of de invoering van het opt-in-systeem
de factoals doel heeft om economische belangen van consumenten te behartigen. Door MailDB c.s. is uiteengezet dat het opt-in-systeem
de factotot doel heeft de economische belangen van consumenten beschermen. Het oordeel is althans ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof heeft nagelaten deze feitelijke gevolgen van het opt-in-systeem voldoende kenbaar in zijn oordeel te betrekken, aldus het subonderdeel.
de factoals doel heeft de economische belangen van consumenten te beschermen en heeft het hof nagelaten deze feitelijke gevolgen van het opt-in-systeem voldoende kenbaar in zijn oordeel te betrekken. Gezien de stellingen van MailDB c.s. waarnaar de klacht verwijst, dient hieronder het volgende te worden verstaan. [18]
de facto’ of ‘daadwerkelijke’ [21] doel van het opt-in-systeem inhouden dat dit systeem (mede) tot doel heeft om economische belangen van consumenten te behartigen omdat dit volgens MailDB c.s. blijkt uit de kwalificaties van ongeadresseerd reclamedrukwerk als (voor een deel van de ontvangers ervan) ‘niet nuttig’, ‘ongevraagd’ of ‘ongewenst’ en dergelijke. Het hof verwijst naar deze stellingen in rov. 3.5. Het hof heeft vervolgens in rov. 3.7 de betekenis van dergelijke kwalificaties onderzocht. Het hof heeft daarmee dus, anders dan
subonderdeel 1.1in de procesinleiding
nr. 5aanvoert, de stellingen van MailDB c.s. beoordeeld die zagen op het
de factodoel c.q. de feitelijke gevolgen van het opt-in-systeem.
subonderdeel 1.1in de procesinleiding
nrs. 6 en 7aanvoert, kan naar mijn mening niet gesteld worden dat het oordeel in rov. 3.7 onjuist of onbegrijpelijk is omdat het hof daarin een onjuiste, onvoldoende gemotiveerde of onbegrijpelijke uitleg zou geven aan het begrip ‘economische belangen van consumenten’.
subonderdeel 1.1in de procesinleiding
nr. 8aanvoert, meen ik dat uit de wijze waarop het hof de in de klacht bedoelde stelling van MailDB c.s. in rov. 3.7 heeft weergeven, niet kan worden afgeleid dat het hof een onbegrijpelijke uitleg aan de stellingen van MailDB c.s. heeft gegeven. [31] Zoals hierboven is opgemerkt, heeft het hof gereageerd op de stellingen van MailDB c.s. over kwalificaties van ongeadresseerd reclamedrukwerk als ‘niet nuttig’ of ‘ongewenst’ en dergelijke.
nr. 9dat het hof in rov. 3.5 een onbegrijpelijke uitleg geeft aan de stellingen van MailDB c.s. omdat MailDB c.s., anders dan het hof overweegt, hun grief 2 niet hebben toegelicht met de stelling dat de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk een agressieve handelspraktijk is, en in de procesinleiding
nr. 10dat het hof het toepassingsbereik van de Richtlijn OHP ten onrechte heeft vastgesteld op basis van art. 8 Richtlijn Pro OHP.
nr. 10berust op een onjuiste lezing van het arrest en faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het oordeel in rov. 3.7 dat de Richtlijn OHP niet van toepassing is, wordt zelfstandig gedragen door de overweging, kort gezegd, dat niet blijkt dat het opt-in-systeem strekt tot bescherming van een economisch belang van de consument. Het hof heeft het toepassingsbereik van de Richtlijn OHP dus niet vastgesteld op basis van art. 8 Richtlijn Pro OHP, waarin agressieve handelspraktijken worden omschreven. Het hof overweegt weliswaar in rov. 3.7 ook dat geen sprake is van regulering van een agressieve handelspraktijk – kennelijk in reactie op zijn lezing van de stellingen van MailDB c.s. op dit punt −, maar dit is een overweging ten overvloede die niets toevoegt aan het oordeel dat de Richtlijn OHP gezien het doel van het besluit tot invoering van het opt-in-systeem niet van toepassing is.
nr. 9aanvoert, overigens inderdaad niet op die manier gesteld. [32] Deze klacht over de lezing van de stellingen van MailDB c.s. slaagt dus weliswaar, maar kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
nr. 11van de procesinleiding dat het hof miskent dat invoering van het systeem in strijd is met art. 114 VWEU Pro omdat het niet bij de Europese Commissie is aangemeld, althans dat het hof in zoverre een onbegrijpelijk oordeel geeft. Het subonderdeel klaagt in
nr. 12van de procesinleiding dat het hof een onbegrijpelijke uitleg aan de stellingen van MailDB c.s. geeft, omdat deze stellingen inhielden dat zelfs als het opt-in-systeem niet onder het toepassingsbereik van de Richtlijn OHP valt, dit bij de Europese Commissie aangemeld had moeten worden.
5.Bespreking van onderdeel 2 het middel (bevoegdheid van de Gemeente)
Subonderdeel 2.1betreft het oordeel dat het ongeadresseerde reclamedrukwerk een afvalstof is.
Subonderdeel 2.2stelt dat art. 10.23 Wm geen grondslag biedt omdat dit niet ziet op het voorkomen van afvalstoffen.
Subonderdeel 2.3betreft de verwijzing naar het LAP.
Subonderdeel 2.4betreft het oordeel dat uit art. 9.5.2 Wm niet volgt dat het Rijk exclusief bevoegd is. Volgens
subonderdeel 2.5biedt art. 149 Gemeentewet Pro geen basis voor de invoering van een opt-in-systeem omdat dit geen gemeentelijk belang als bedoeld in art. 108 Gemeentewet Pro dient. Aansluitend bestrijdt
subonderdeel 2.6de overweging over art. 121 Gemeentewet Pro.
“gelet op de tekst en strekking niet tot doel heeft om het Rijk de exclusieve bevoegdheid te geven tot het stellen van regels ter preventie van afvalstoffen en (…) in dat opzicht ook niet uitputtend [is] bedoeld.”
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter stimulering van (…) preventie (..) regels worden gesteld met betrekking tot het (..) aan een ander ter beschikking stellen, in ontvangst nemen (..) van bij de maatregel aangewezen stoffen (..) of producten of afvalstoffen.”
subonderdeel 2.2, waar het klaagt (in de
nrs. 21 en 22van de procesinleiding) dat het hof ten onrechte oordeelt in (rov. 3.16) dat de invoering van het opt-in-systeem binnen de reikwijdte van art. 10.23 Wm valt.
nrs. 23 en 24van de procesinleiding) tegen het oordeel (in rov. 3.19) dat de Gemeente in het licht van art. 21.7 Wm een autonome regelgevende bevoegdheid toekomt.
subonderdeel 2.4(in de
nrs. 27 en 28van de procesinleiding) tegen het oordeel (in rov. 3.18) dat art. 9.5.2 Wm niet tot doel heeft om aan het Rijk de exclusieve bevoegdheid toe te kennen tot het stellen van regels ter preventie van afvalstoffen.
subonderdeel 2.3(in
nr. 25van de procesinleiding) aanvoert, heeft het hof niet geoordeeld dat een gemeente een bevoegdheid kan ontlenen aan het LAP. Voor het overige oordeelt het hof in rov. 3.14 terecht dat de Gemeente volgens art. 10.14 lid 1 Wm rekening moet houden met het LAP.
nr. 26van de procesinleiding) op de stellingen van MailDB c.s. (i) over het verschil tussen regels en maatregelen in het LAP en (ii) over de verwijzing in het LAP naar het Afvalpreventieprogramma. Volgens het subonderdeel zijn in het licht van deze stellingen onjuist dan wel onbegrijpelijk het oordeel (in rov. 3.14) dat art. 17 Afvalstoffenverordening uitvoering geeft aan de doelstelling afvalpreventie en in zoverre overeenstemt met het LAP, (in rov. 3.20) dat MailDB c.s. onvoldoende hebben toegelicht dat art. 17 Afvalstoffenverordening in strijd is met de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelingen, (in rov. 3.21) dat MailDB c.s. onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt waarom LAP 2 en LAP 3 zich zouden verzetten tegen art. 17 Afvalstoffenverordening, en (in rov. 3.35 (1)) dat de invoering van het opt-in-systeem past binnen het gemeentelijk beleid en dat die bovendien aansluit op LAP 2 en LAP 3.
subonderdeel 2.5is onjuist dat voor art. 17 Afvalstoffenverordening een wettelijke grondslag kan worden gevonden in art. 108 en Pro 149 Gemeentewet, omdat deze bepaling geen gemeentelijk belang dient, maar een publiek belang, namelijk milieubescherming.
nr. 30van de procesinleiding) verwijst naar de onderdelen 1, 3 en 4 van het middel, faalt het in het voetspoor van die onderdelen.
nrs. 31 en 32van de procesinleiding) klaagt dat het hof heeft miskend dat het opt-in-systeem in strijd is met de Dienstenrichtlijn, de vrijheid van ondernemerschap of de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM Pro, art. 11 Handvest Pro van de Grondrechten van de Europese Unie of art. 7 Grondwet Pro, [94] faalt het, omdat deze argumenten in feitelijke instanties niet onderbouwd zijn aangevoerd. Ik verwijs hiervoor naar mijn bespreking van de subonderdelen 4.1 en 4.4 (hierna in 7.11.2 en 7.28).
onderdeel 2(in
nr. 15van de procesinleiding) ten onrechte klaagt dat het hof niet (kenbaar) in zijn oordeel heeft betrokken het betoog van MailDB c.s. dat door invoering van het opt-in-systeem inbreuk is gemaakt op fundamentele rechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM Pro) en het gelijkheidsbeginsel (art. 14 EVRM Pro en 12e Protocol bij het EVRM), althans dat het hof heeft miskend dat vanwege deze schending van fundamentele rechten sprake moet zijn van een voorzienbare wettelijke basis.
subonderdeel 2.6(in
nr. 33van de procesinleiding), kort gezegd, dat het hof in rov. 3.19, 3.20 en 3.35 heeft miskend dat het opt-in-systeem in strijd is met de wil van de wetgever, omdat de centrale wetgever mede in het licht van het recht op vrijheid van meningsuiting (uitdrukkelijke) bezwaren heeft tegen het opt-in-systeem. Zoals eerder besproken, is het landelijke beleid gericht op voortzetting van het opt-out-systeem. Uit de vindplaatsen in de processtukken waarnaar de klacht verwijst, kan naar mijn mening niet worden afgeleid dat MailDB c.s. specifiek hebben gesteld dat de centrale wetgever mede in het licht van het recht op vrijheid van meningsuiting (uitdrukkelijke) bezwaren heeft tegen het opt-in-systeem. De klacht mist daarom feitelijke grondslag.
eerste klacht, in
nr. 16van de procesinleiding, is onjuist het oordeel dat de grondslag voor het opt-in-systeem in art. 10.23 Wm kan worden gevonden omdat ongeadresseerd reclamedrukwerk als afval moet worden aangemerkt, omdat dit niet strookt met de definitie van afval in art. 1 lid 1 Wm Pro en art. 3 Kaderrichtlijn Pro afvalstoffen 2008. Van een afvalstof is pas sprake wanneer de houder zich van deze stof ontdoet of wil ontdoen. Daarvan is in ieder geval nog geen sprake als het ongeadresseerd reclamedrukwerk bezorgd wordt, aldus de klacht.
tweede klacht, in
nr. 17van de procesinleiding, betoogt dat voor zover het hof in rov. 3.15 van oordeel is dat ongeadresseerd reclamedrukwerk als afval moet worden aangemerkt omdat het (op den duur) − al dan niet na gebruik − wordt weggegooid, dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is. Indien het oordeel juist zou zijn, dan zou de Gemeente bevoegd zijn alle stoffen preventief te reguleren aangezien
allestoffen op den duur een afvalstof worden.
derde klacht, in
nr. 18van de procesinleiding, berust op de veronderstelling dat het hof in rov. 3.15 van oordeel is dat ongeadresseerd reclamedrukwerk al tijdens het bezorgen als afval kan worden aangemerkt.
wanneerzij een recyclingsbehandeling hebben ondergaan (zie de definitie van recycling in art. 3 lid 17 Kaderrichtlijn Pro 2008 en de regeling van de einde-afvalfase in art. 6 lid 1 van Pro deze richtlijn). [107]
vierde en vijfde klacht, in de
nrs. 19 en 20van de procesinleiding, betreffen de overweging dat een aanzienlijk deel van het ongeadresseerd reclamedrukwerk ongelezen wordt weggegooid. Volgens de klachten is onjuist dan wel onbegrijpelijk dat het hof het ongelezen weggooien van ongeadresseerd reclamedrukwerk door een deel van de ontvangers centraal stelt zonder het aanzienlijke belang voor adverteerders en/of de populariteit onder ontvangers in aanmerking te nemen (nr. 19) en is onbegrijpelijk de vaststelling dat niet in geschil is dat een aanzienlijk deel van het ongeadresseerd reclamedrukwerk ongelezen wordt weggegooid (nr. 20).
6.Bespreking van onderdeel 3 van het middel (recht op eigendom)
onderdeel 3in twee subonderdelen.
niethebben aangeven dat zij
geenprijs stellen op de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk.
nr. 37) nog specifiek dat het hof is voorbijgegaan aan de stellingen van MailDB c.s. dat leden een vast klanten/opdrachtgeversbestand hebben
.
nr. 37van de procesinleiding berust daarom op een onjuiste lezing van het arrest voor zover zij veronderstelt dat het hof de stellingen van MailDB c.s. over het adverteerder/opdrachtgeverbestand niet in zijn oordeel heeft betrokken. De klacht faalt ook voor zover wordt geklaagd dat het hof dit onvoldoende heeft gedaan. In het bijzonder behoefde het hof niet afzonderlijk in te gaan op de stellingen van MailDB c.s. dat de klanten/opdrachtgevers per bezorgde folder betalen en dat het adverteerder/opdrachtgeverbestand door invoering van het opt-in-systeem niet benut kan worden. Een opt-in-systeem staat als zodanig immers niet in de weg aan bezorging van ongeadresseerd drukwerk, al zal de invoering van dit systeem (mogelijk) tot minder omzet (benutting van de kring van bestaande opdrachtgevers) leiden [122] en daarmee van invloed zijn op de waarde van de onderneming. [123] Een opgebouwd klantenbestand dat voor een ondernemer een krachtens art. 1 EP Pro beschermd recht met (economische) waarde vertoont, moet worden onderscheiden van toekomstig inkomen. Toekomstig inkomen geldt slechts als eigendom in de zin van art. 1 EP Pro als het, kort gezegd, een rechtsgeldige aanspraak op nog te ontvangen inkomen betreft. [124] Art. 1 EP Pro beschermt niet de enkele hoop of verwachting om inkomen te verwerven.
nr. 35van de procesinleiding dat het hof geen waarde heeft toegekend aan de investeringen van MailDB c.s. als het uitgeven van stickers en het bijhouden van het adressen- en adverteerdersbestand op basis waarvan de distributiebedrijven hun bedrijfsvoering voeren en waaraan zij marktwaarde ontlenen.
nr. 36van de procesinleiding aanvoert, niet onbegrijpelijk.
nr. 36van de procesinleiding) de overweging dat reclamedrukwerk zonder klantgegevens ongeadresseerd wordt bezorgd, geen toereikende motivering. Een klantenbestand in de zin van art. 1 EP Pro kan bestaan uit het bijhouden van het aantal adressen per bezorgingsgebied zonder de specifieke adressen te gebruiken, aldus de klacht.
zonder nadere uitleg door MailDB c.s.niet kan worden vastgesteld waarom de mogelijkheid om ongeadresseerd reclamedrukwerk te (laten) bezorgen op adressen waarvan de brievenbus niet is voorzien van een NEE/JA- of NEE/NEE-sticker geldt als een vast klantenbestand of door MailDB c.s. opgebouwde clientèle, is niet onbegrijpelijk.
niethebben aangeven dat zij
geenprijs stellen op de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk. Dat MailDB c.s. moeite (investeringen) hebben gedaan om deze adressen te kennen, heeft het hof niet miskend, maar onvoldoende geacht (rov. 3.31).
nr. 38van de procesinleiding wordt geklaagd over de overweging in rov. 3.30 dat een aanzienlijk aantal Amsterdammers zonder NEE/NEE- of NEE/JA-sticker geen prijs stelt op ongeadresseerd reclamedrukwerk.
nr. 39van de procesinleiding, dat de beoordeling (in rov. 3.1) of sprake is van een verleend recht of verleende vergunning en (in rov. 3.35) of door een toezegging van het bevoegd gezag gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt, miskent dat de economische belangen van MailDB c.s. ook geschaad kunnen worden door wijziging van een gemeentelijke verordening die een landelijk ingevoerd systeem doorkruist en gemaakte investeringen en economische belangen van een onderneming teniet maakt of schaadt. Het oordeel van het hof is volgens het subonderdeel in ieder geval onbegrijpelijk omdat de Gemeente steeds heeft meegewerkt aan het landelijke opt-out-systeem en MailDB c.s. dat landelijke systeem hebben uitgerold.
nr. 40van de procesinleiding, dat het oordeel in rov. 3.31 onjuist dan wel onbegrijpelijk is omdat het hof bij zijn oordeel over art. 1 EP Pro centraal stelt of MailDB c.s. een exclusieve aanspraak hebben op de bezorgingsmogelijkheid en of het bestaan van de bezorgingsmogelijkheid de verdienste van MailDB c.s. is. Het oordeel is onbegrijpelijk in het licht van de essentiële stellingen van MailDB c.s. dat met betrekking tot het opt-out-systeem gerechtvaardigde verwachtingen bestaan ten aanzien van het gebruik van de (gedane en/of voortdurende) investeringen.
7.Bespreking van onderdeel 4 van het middel (algemene beginselen)
subonderdelen 4.2 tot en met 4.6betreffen de toetsing door het hof aan de verschillende beginselen.
nr. 43dat de toetsing door het hof ten onrechte geen blijk heeft gegeven van een intensieve toetsing aan algemene rechtsbeginselen zoals die geboden is blijkens CRvB 1 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2016) en de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Widdershoven (ECLI:NL:RVS:2017:3557), en dat een meer intensieve toetsing tot gevolg zou hebben gehad dat het opt-in-systeem in strijd met de algemene rechtsbeginselen was bevonden;
nr. 44dat het hof heeft miskend dat de rechterlijke toetsing van algemeen verbindende voorschriften aan algemene rechtsbeginselen intensiever moet zijn als fundamentele rechten en internationale rechtsbeginselen aan de orde zijn, althans
Landbouwvliegers) was de vraag aan de orde of de burgerlijke rechter een algemeen verbindend voorschrift niet zijnde een wet in formele zin [126] (dus: materiële wetgeving) aan algemene rechtsbeginselen mag toetsen. Volgens de Hoge Raad luidde het antwoord op die vraag in zoverre bevestigend (rov. 6.1): [127]
Binnenvaartarrest): [130]
the proof of the pudding in the eating. Zoals vermeld, betwijfelt (een deel van) de literatuur of de nieuwe maatstaf van CRvB en ABRvS daadwerkelijk tot een intensiever toetsing zal leiden.
subonderdeel 4.1daartoe naar mijn mening niet noopt. Ik stel voorop dat het hof heeft getoetst aan een maatstaf die overeenstemt met de rechtspraak van de Hoge Raad (het middel klaagt ook niet, dat het hof een van die rechtspraak afwijkende maatstaf heeft gehanteerd). De inzet van het middel is dat de maatstaf volgens de rechtspraak van de Hoge Raad afwijkt van de nieuwe maatstaf van CRvB en ABRvS en dat toepassing van de nieuwe maatstaf zou hebben geleid tot een andere uitkomst. Ik zie dan de volgende mogelijkheden.
subonderdeel 4.1in
nr. 43van de procesinleiding naar mijn mening af.
subonderdeel 4.1in
nr. 44van de procesinleiding af
de eerste klacht, in
nr. 45van de procesinleiding, is onbegrijpelijk dat het hof dit oordeel in rov. 3.37 heeft gebaseerd op door de Gemeente verricht onderzoek en de rapporten van Milieu Centraal, Team Vier en Reclame.nl, en Direct Research, aangezien (i) het partijdebat geen steun biedt voor het oordeel dat de Gemeente (zorgvuldig) onderzoek heeft verricht en (ii) het hof voorbij gaat aan de door MailDB c.s. aangevoerde redenen waarom de rapporten het raadsbesluit niet kunnen dragen.
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.” [166] De formuleringen “de nodige kennis” en “de relevante feiten en de af te wegen belangen” brengen tot uitdrukking dat de reikwijdte van deze kennisvergaringsplicht sterk afhangt van het desbetreffende besluit: zowel de nauwkeurigheid als de omvang en de diepgang van de kennisvergaringsplicht kunnen van geval tot geval verschillen. [167] Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt voorts mee dat alle belangen worden gewogen en dat de nadelige gevolgen voor een individu niet onevenredig mogen zijn tegenover de met het besluit te dienen doelen (het evenredigheidsbeginsel), zie art.3:4 Awb Pro. [168]
de gemeente onderzoek heeft laten doen”. Het hof volgt dus de stellingen van de Gemeente dat zij voorafgaand aan het invoeren van het opt-in-systeem kennis over de daarvan te verwachten milieueffecten heeft vergaard door het raadplegen van de in deze overweging genoemde rapporten. [170] De klacht dat het partijdebat geen steun biedt voor het oordeel dat de Gemeente (zorgvuldig) onderzoek heeft verricht, stuit reeds hierop af.
tweede klacht van subonderdeel 4.2, in
nr. 46van de procesinleiding, is onbegrijpelijk dat volgens het hof in rov. 3.35 onvoldoende is toegelicht dat de voordelen van de opt-in-regeling te niet zullen gaan doordat meer reclame in huis-aan-huisbladen zal worden opgenomen, aangezien MailDB c.s. onderbouwd met een deskundigenrapport hebben gesteld dat een aanzienlijk deel van de reclame via huis-aan-huisbladen terugkomt (het ‘waterbedeffect’), en een ander deel digitaal zal worden verspreid terwijl digitale reclame niet beter is voor het milieu en papier recyclebaar is.
derde klacht van subonderdeel 4.2, in
nr. 47van de procesinleiding, kan de overweging in rov. 3.37 dat uit het rapport van Direct Research blijkt dat 20% van de mensen die nu ongeadresseerd reclamedrukwerk ontvangt geen sticker zullen plakken bij invoering van het opt-in-systeem, het oordeel van het hof niet dragen omdat dit niets zegt over de ongewenstheid van het drukwerk, mede in het licht van de stellingen van MailDB c.s. over het ‘default bias-effect’.
eerste klacht, in
nr. 48van de procesinleiding, is onbegrijpelijk het oordeel van het hof in rov. 3.39 dat de Gemeente de belangen van MailDB c.s. bij de voorbereiding en vaststelling van het raadsbesluit heeft meegewogen. Uit de bestuurlijke reactie op het raadsbesluit, waarnaar het hof verwijst, valt niet (zonder nadere motivering) op te maken dat de Gemeente de belangen van MailDB c.s. of andere grafische bedrijven en distributeurs van drukwerk heeft meegewogen omdat deze reactie slechts brancheverenigingen, lokale ondernemers, de digitale advertentiebranche en kleine ondernemers noemt, maar niet grafische bedrijven of distributeurs.
Brancheverenigingen hebben al vaker kenbaar gemaakt kritisch tegenover een opt-in-systeem voor ongeadresseerd reclamedrukwerk te staan.” Aangezien MailDB en KVGO brancheverenigingen zijn (zie rov. 2.2 en 2.3 van het bestreden arrest) is niet onbegrijpelijk dat het hof ervan is uitgegaan dat de overwegingen in deze passage mede op MailDB c.s. betrekking hebben. Bovendien wordt in de bestuurlijke reactie overwogen dat het invoeren van de maatregel niet zonder impact is, maar dat alle deelnemers aan de economie een medeverantwoordelijkheid dragen voor de overgang naar een duurzame stad. Ook daarmee worden MailDB c.s. aangesproken.
tweede klacht van subonderdeel 4.3, in
nr. 49van de procesinleiding, is onbegrijpelijk het oordeel in rov. 3.39 dat de Gemeente ook de zwaarte van het belang van MailDB c.s. heeft betrokken bij de vaststelling van het raadsbesluit, omdat dit eveneens op de bestuurlijke reactie is gebaseerd, en omdat het hof ongemotiveerd voorbij gaat aan de essentiële stelling dat vijftien grote gemeenten ook het opt-in-systeem zullen invoeren en dit cumulatieve effect in de belangenafweging moet worden betrokken.
derde klacht van subonderdeel 4.3, in
nr. 50van de procesinleiding, miskent het hof in rov. 3.41 dat de Gemeente diende te onderzoeken of er minder ingrijpende alternatieven zijn waarmee de milieudoelstellingen ook gerealiseerd kunnen worden. Indien het hof dit niet heeft miskend dan schiet de gegeven motivering tekort omdat het onderzoek en de rapporten waarop het hof zijn oordeel in rov. 3.41 baseert geen kenbare analyses bevatten van alternatieve beleidsopties (zoals het actiever onder de aandacht brengen van de NEE/JA-sticker). Althans is het oordeel van het hof onjuist dan wel onbegrijpelijk omdat het hof bij zijn oordeel over de evenredigheid niet de concurrentie van huis-aan-huisbladen heeft meegewogen, aldus de klacht.
vierde klacht van subonderdeel 4.3, in
nr. 51van de procesinleiding, is onbegrijpelijk dat volgens het hof de Gemeente niet gehouden was om MailDB c.s. schadeloos te stellen (rov. 3.43) dan wel een langere overgangstermijn te hanteren (rov. 3.44). Onbegrijpelijk is dat het hof zoveel waarde hecht aan de periode 20 mei 2015 tot 1 januari 2018 en voorbij gaat aan de essentiële stellingen van MailDB c.s. dat de Gemeente onvoldoende maatregelen heeft genomen ter voorbereiding van het opt-in-systeem nu de Gemeente pas op 18 december 2017 de burgers heeft ingelicht over de invoering van het opt-in-systeem en haar toezegging over het versturen van JA/JA-stickers niet is nagekomen. Bovendien ontbreekt een toereikende motivering in het licht van het betoog van MailDB c.s. dat drukkers en verspreiders aanzienlijke schade lijden door het opt-in-systeem en de wijze waarop de Gemeente dit systeem heeft ingevoerd.
eerste klachtvan het subonderdeel, in
nr. 52van de procesinleiding, kan de overweging in rov. 3.40 dat het onderscheid tussen huis-aan-huisbladen en ongeadresseerd reclamedrukwerk ook onder de oude Afvalstoffenverordening bestond, het gemaakte onderscheid niet rechtvaardigen.
tweede klacht van subonderdeel 4.4, in
nr. 53van de procesinleiding, miskent het hof dat het onderscheid tussen huis-aan-huisbladen en ongeadresseerd reclamedrukwerk ook op proportionele gronden gerechtvaardigd moet zijn. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat het onderscheid gerechtvaardigd is op de grond dat, zoals het hof in rov. 4.36 overweegt, huis-aan-huisbladen vanwege de redactionele inhoud een (wezenlijk) andere functie vervullen. Slechts 10% van de inhoud van een huis-aan-huisblad hoeft te bestaan uit informatie over en nieuws uit het eigen verspreidingsgebied en op jaarbasis leiden huis-aan-huisbladen en ongeadresseerd reclamedrukwerk tot evenveel afval, aldus de klacht.
ookzou worden ingevoerd om in meer algemene zin verspilling van papier te voorkomen. Dat kan volgens het hof niet als détournement de pouvoir worden aangemerkt omdat minder papierverspilling niet afdoet aan het doel waarvoor het opt-in-systeem is ingevoerd, namelijk het verminderen van afval en daarmee behalen van milieuwinst. Naar mijn mening geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
subonderdeel 4.6is voorts onbegrijpelijkheid de overweging dat het doel van de maatregel het verminderen van afval en het daarmee behalen van milieuwinst is. Daartoe verwijst de klacht naar het betoog van MailDB c.s. dat de indiener van het initiatiefvoorstel de gemeenteraad heeft voorgehouden dat 3 op de 10 folders ongelezen wordt weggegooid en dat het opt-in-systeem daardoor een geschikt middel is om verspilling te voorkomen, maar dat al deze informatie later onjuist bleek te zijn en dat het college is doorgegaan met de invoering van het opt-in-systeem zonder de gemeenteraad te vertellen dat zij heeft gestemd op basis van onjuiste informatie. De Gemeente stelt vervolgens dat het opt-in-systeem tot minder papier leidt, maar het louter verminderen van papier was niet het doel van het opt-in-systeem, aldus - nog steeds - het subonderdeel.
ookzou worden ingevoerd om in meer algemene zin verspilling van papier te voorkomen. De overige door de klacht aangevoerde stellingen zijn in hoger beroep niet aan het beroep op détournement de pouvoir ten grondslag gelegd. Bovendien stuiten deze stellingen af op de oordelen dat de onderzoeken die de Gemeente aan de invoering van het opt-in-systeem ten grondslag heeft gelegd de verwachting rechtvaardigen dat daarmee een positief effect zal worden bereikt (rov. 3.35, in cassatie niet bestreden) en dat uit de rapporten van Milieu Centraal, Team Vier en Reclame.nl en Direct Research voldoende blijkt dat met invoering van het opt-in-systeem de hoeveelheid drukwerk die (ongelezen) wordt weggegooid zal afnemen (rov. 3.37, in cassatie tevergeefs bestreden). Subonderdeel 4.6 treft dan ook geen doel.