Conclusie
(hierna:
[eiseres])
(hierna:
[verweerder])
1.De feiten
hof). [1]
[A]) hield 20% van de aandelen in [eiseres] en BF-Services B.V. (hierna:
BF-Services) hield 80% van de aandelen in [eiseres] . De aandelen in [A] werden gehouden door [B] S.A. te België. [verweerder] was bestuurder van [A] . BF-Technologies Holding GmbH te Oostenrijk was “economisch eigenaar” van de aandelen in BF-Services. [verweerder] was de “juridisch eigenaar” van deze aandelen en bestuurder van BF-Services. Op grond van een trustovereenkomst naar Duits recht met BF-Technologies Holding GmbH van 7 mei 2001 diende [verweerder] het stemrecht op de aandelen in [eiseres] uit te oefenen volgens aanwijzingen van BF-Technologies Holding GmbH.
MoU) getekend, waarvan art. II als volgt luidt:
[C]) opgericht. Hij heeft op 29 oktober 2008 [D] B.V. (hierna:
[D]) opgericht.
In aanmerking nemende dat:
Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:
perceel) voor € 216.637,50. [verweerder] heeft als verhuurder een huurovereenkomst gesloten met [eiseres] , vertegenwoordigd door [verweerder] , als huurder. De huurovereenkomst is aangegaan voor de tijd van vijf jaren, ingaande bij oplevering van het casco bouwwerk. De huurprijs bedraagt bij de aanvang van de looptijd € 65.000,-- per jaar exclusief omzetbelasting.
ASAP), een commerciële belegger in vastgoed, voor een koopprijs van € 377.000,--.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
[verweerder] c.s.) ingesteld. De vorderingen sub 1, 5, 6 en 7 doen, zoals onder 2.2 en 2.5 hierna blijkt, niet meer ter zake. [eiseres] vordert verder nog dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
rechtbank) van 8 juli 2009 is de vordering van [eiseres] sub 1, betreffende een verzoek tot voorlopige voorziening (het weer op naam van [eiseres] stellen van het mobiele telefoonnummer als bedoeld onder 2.1 sub 2(iv) hiervoor), afgewezen. [2]
eerste tussenvonnis) is een comparitie van partijen bevolen. [3] De comparitie heeft plaatsgevonden op 16 april 2010. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. De vorderingen in conventie sub 5, 6 en 7 (vgl. onder 2.1 hiervoor) zijn door [eiseres] op de comparitie ingetrokken.
tweede tussenvonnis) heeft de rechtbank: [eiseres] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot het doen opheffen van de op 20 april 2009 ten laste van [D] en [C] onder vijf banken gelegde conservatoire derdenbeslagen, op straffe van een dwangsom; de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een akte zowel aan de zijde van [eiseres] als aan de zijde van [verweerder] c.s. met betrekking tot in het vonnis genoemde punten, waarna partijen over en weer in de gelegenheid zullen worden gesteld tot het nemen van een antwoordakte; en iedere verdere beslissing aangehouden. [4] Aan die beslissing liggen, samengevat, de volgende overwegingen ten grondslag.
In rov. 7.7 oordeelt de rechtbank onder meer dat tegenover de door [verweerder] geschetste context waarin het besluit om de huurovereenkomst van 31 oktober 2008 te sluiten is genomen, [eiseres] haar stelling dat dit besluit als zodanig onrechtmatig is geweest, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het besluit om de huurovereenkomst aan te gaan op zichzelf niet onrechtmatig is geweest, maar de vraag rijst wel of het contract op marktconforme voorwaarden is gesloten, gemeten naar de omstandigheden op 31 oktober 2008. De rechtbank heeft op dit punt behoefte aan een deskundigenbericht.
In rov. 7.8 overweegt de rechtbank dat de beslissing over de proceskosten in conventie wordt aangehouden.
“Uit het memorandum of understanding (MOU) blijkt klip en klaar dat partijen het er over eens waren dat [verweerder] een extra winstaandeel van 22,5 % zou krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een afspraak waarvan zonder meer nakoming kan worden gevraagd. Over de vorm waarin het extra winstaandeel van [verweerder] zou moeten worden vormgegeven, zijn partijen het weliswaar niet eens geworden, althans een en ander is niet geëffectueerd, kennelijk als gevolg van het conflict dat [verweerder] begin 2009 tot opstappen noopte, maar dat neemt niet weg dat er door vaststelling van het winstdelingspercentage in essentie overeenstemming is bereikt. Door het opstappen van [verweerder] begin 2009 is het niet meer mogelijk althans niet zinvol om het extra winstaandeel te regelen via een aandelentransactie, [verweerder] zal daarom genoegen moeten nemen met uitvoering van de winstdelingsregeling op de voor [eiseres] minst bezwarende wijze, te weten uitkering in geld, ook als dit voor [verweerder] wellicht fiscaal minder gunstig uitpakt.
[verweerder] c.s. heeft eveneens een akte uitlating ingediend, waarin, met overlegging van producties, wordt ingegaan op de door de rechtbank in het tweede tussenvonnis genoemde punten. Hierop heeft [eiseres] bij antwoordakte, met producties, gereageerd. [verweerder] c.s. heeft zich bij akte uitlating productie nog uitgelaten over deze aanvullende producties van [eiseres] .
derde tussenvonnis) heeft de rechtbank partijen de bevoegdheid verleend om tussentijds hoger beroep tegen dat vonnis open te stellen. [5] De rechtbank overweegt hiertoe, samengevat, als volgt.
“De rechtbank heeft in het tussenvonnis uitdrukkelijk overwogen dat weliswaar in essentie overeenstemming over het winstaandeel van [verweerder] was bereikt, maar dat partijen het over de vormgeving niet eens zijn geworden, althans dat een en ander niet is geëffectueerd, kennelijk als gevolg van het conflict dat [verweerder] begin 2009 tot opstappen noopte. Bij het oordeel dat tussen partijen in essentie overeenstemming bestond over de winstdeling heeft de rechtbank het volgende meegewogen. Het MoU is door beide partijen ondertekend. De advocaat van [eiseres] , Diederichs, spreekt in een mail van 27 augustus 2008 (productie 12 bij conclusie van antwoord, 3e blad) over een “agreement” tussen [verweerder] en [betrokkene 1] : “
In the memorandum of understanding of the agreement you found with [betrokkene 1] on the 19th. December 2007 we agreed upon the following: “ [verweerder] will become shareholder of BF Services BV, NL, with a participation of 1 % of the nominal capital, but with a priviliged status that gives him the right to participate in the profits of the company by 22,5%.”
As far as I understand your memorandum for discussion purposes your tax advisor has proposed a participation of your [C] BV in the company BV-Services BV by 28%. I'm afraid, that [betrokkene 1] - for the reasons he explained to us - will not be able to accept such a participation. You might remember that there was a lot of discussions about the participations and we found the compromise after long discussions that a participation could be with 1 % and the privilege right to participate in the profits by 22,5%”. Diederichs adviseert [verweerder] vervolgens om voor de volgende bespreking met [betrokkene 1] contact op te nemen met zijn belastingadviseur. Indien een koppeling van de winstdeling aan andere elementen van de MoU was voorzien, zoals [eiseres] stelt, is naar het oordeel van de rechtbank niet begrijpelijk waarom uit de stukken blijkt dat partijen zich zoveel moeite hebben getroost om de fiscale uitwerking van de winstdeling op te lossen. Evenmin valt in te zien waarom Diederichs door notaris [betrokkene 2] een discussiestuk zou moeten laten opstellen in een geval waarin de vormgeving van de afspraken afhankelijk was van wijziging in het Nederlandse fiscale regime, waarvoor de Nederlandse belastingadviseurs van [verweerder] reeds input aan het leveren waren, nota bene mede op instigatie van Diederichs zelf. De rechtbank gaat er dan ook vanuit (zoals ook in rechtsoverweging 7.12 van het tussenvonnis is verwoord) dat in de brief van Diederichs aan notaris [betrokkene 2] de notaris wordt opgedragen de beoogde aandelentransactie op te stellen en niet een discussiestuk over de hoogte van het aan [verweerder] toe te kennen winstpercentage.
[cursivering in origineel, A-G]
eerste tussenarrest) verwijst het hof de zaak naar de rol voor uitlating bij akte door beide partijen als bedoeld in rov. 3.16 van dat tussenarrest en houdt het iedere verdere beslissing aan. [6] Het hof oordeelt in het eerste tussenarrest, samengevat, als volgt.
tweede tussenarrest) beslist het hof onder meer als volgt: dat [verweerder] wordt toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat [verweerder] als bestuurder van [eiseres] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van zijn besluiten tot beëindiging van de huurovereenkomst van 19 juni 2008 en tot het sluiten van de huurovereenkomst van 31 oktober 2008; dat een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. J.W.M. Tromp, daartoe tot raadsheer-commissaris benoemd; dat een onderzoek door een deskundige wordt bevolen ter beantwoording van de vragen: 1. Is het juist dat de in de jaarrekening over 2007 vastgestelde winst met een bedrag van € 660.000,-- dient te worden verlaagd?; 2. Zo ja, wat is daarvan de oorzaak?; en 3. Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?; dat drs. P.J. Schimmel RA, werkzaam bij Grant Thornton, wordt benoemd tot deskundige om dit onderzoek te verrichten; dat de zaak met betrekking tot het getuigenverhoor en het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen; en dat iedere verdere beslissing wordt aangehouden. [9]
eindarrest) vernietigt het hof het tweede en derde tussenvonnis en, opnieuw rechtdoende: veroordeelt het [verweerder] tot betaling van € 130.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente over de jaarlijkse schade van € 13.000,--; veroordeelt het [verweerder] tot betaling van € 310.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente, verklaart het voor recht dat [eiseres] geen partij is bij het MoU en dat daaruit derhalve geen verplichtingen voor haar kunnen voortvloeien; verklaart het voor recht dat de gecorrigeerde jaarcijfers over 2007 (het werkelijke resultaat na belasting van € 1.970.144 bruto te verminderen met het hierover verschuldigde bedrag aan belastingen) de basis dienen te zijn voor de berekening van de winstdeling van [verweerder] ; veroordeelt het, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] in de kosten van het geding in beide instanties aan de zijde van [eiseres] en [eiseres] in de kosten van het geding in beide instanties aan de zijde van [C] en [D] ; wijst het af het meer of anders in conventie gevorderde; en verwijst het de zaak naar de rechtbank om de vorderingen in reconventie, voor zover daarop nog niet beslist, af te doen. [10] Aan deze beslissing ligt, samengevat, de volgende beoordeling ten grondslag.
(...) The Department of the Treasury had “adjusted” the balance due to pay by [eiseres] to an amount of 2,366,056.30 USD. You are aware that PCI suffered severe losses on the project Gary 14 and has no further business. Pci had no funds and therefore is not able to make any payments. (...)"
Colpitt), en te vermeerderen met wettelijke rente. [verweerder] betwist dat [eiseres] schade heeft geleden, althans de gehanteerde berekeningswijze van de schade. (rov. 2.11)
Het hof overweegt als volgt over de omvang van de schade: (rov. 2.12)
€ 55.893,03
3.De bespreking van de cassatiemiddelen
Inleidende opmerkingen
NJ1997/360, rov. 3.3.1, geciteerd onder 3.2 hiervoor, A-G] een ernstig verwijt:
tweedegrond, inzake een tegenstrijdig belang van [verweerder] bij het aangaan van de huurovereenkomst van 19 juni 2008, bestreden. Daaromtrent overweegt het hof in rov. 3.7 eerste tussenarrest mede:
Art. 2:256, eerste zin (oud) BW is van regelend recht en biedt de mogelijkheid om het tegenstrijdig belang in de statuten ‘weg te schrijven’ in de zin dat het bestuur ook bij het bestaan van een tegenstrijdig belang bevoegd blijft de vennootschap te vertegenwoordigen. [25] De statuten van [eiseres] heb ik in het procesdossier niet aangetroffen. In een vonnis in kort geding van 20 oktober 2009 tussen ASAP en [eiseres] heeft [eiseres] zich op het standpunt gesteld dat het tegenstrijdige belang in de statuten van [eiseres] is weggeschreven. [26] In de memorie van antwoord zijdens [verweerder] c.s. wordt dat eveneens gesteld: [27]
checks and balancesontnomen, daarmee in strijd gehandeld met de op hem rustende verplichting tot zorgvuldigheid en daardoor effectief voorkomen dat sprake kon zijn en was van een juiste en in elk geval zorgvuldige besluitvorming waarbij het belang van [eiseres] voorop bleef staan. Een en ander mondt uit in de klacht dat het hof daarom, desnoods met toepassing van art. 25 Rv Pro en met inachtneming van het voorgaande, had moeten oordelen of sprake was van belangenverstrengeling en deze belangenverstrengeling had moeten meewegen in het oordeel over de verwijtbaarheid van het handelen van [verweerder] .
De subonderdelen draaien om de door [eiseres] ingenomen stellingname in de memorie van grieven inzake de ter zake van [verweerder] vereiste transparantie en het ontbreken daarvan, [38] neerkomend op het volgende: [39]
Gezien het voorgaande geeft dit oordeel van het hof geen blijk van een onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken, in het bijzonder voornoemde stellingname van [eiseres] . Voor zover onderdeel (i) uitgaat van een andere lezing van rov. 3.7 eerste tussenarrest, strandt het op een gebrek aan feitelijke grondslag. [45] Aldus oordelend miskent het hof dus ook niet dat het een dergelijke strijd met art. 2:256, tweede zin (oud) BW - waarmee interne bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:9 BW Pro of art. 6:162 BW Pro van [verweerder] dus nog niet zonder meer vaststaat - moet meewegen in het contextuele oordeel over de verwijtbaarheid van het handelen van [verweerder] ter zake als bestuurder van [eiseres] in het kader van art. 2:9 BW Pro en art. 6:162 BW Pro, waarbij het hof ermee heeft kunnen volstaan, zoals het doet, te veronderstellen dat van een dergelijke strijd sprake is zonder dit laatste ook daadwerkelijk vast te stellen, nu dat voor zulk meewegen niet noodzakelijk is (art. 25 Rv Pro noopt daartoe ook niet). Hierop stuit subonderdeel (i)(A) (de rechtsklacht) af, waarbij zij aangetekend dat het subonderdeel verder niet (kenbaar) aanvoert, met feitelijke grondslag, dat en waarom dit oordeel van het hof niettemin blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op een en ander kan dus evenmin worden gezegd dat ’s hof oordeel onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is vanwege het daarbij niet kenbaar betrekken van voornoemde stellingname van [eiseres] , zoals het hof deze verstaat en heeft kunnen verstaan, nu het hof die stellingname dus kenbaar betrekt in zijn oordeel. Hierop stuit subonderdeel (i)(B) (de motiveringsklacht) af, waarbij zij aangetekend dat daarin verder niet (kenbaar) wordt uiteengezet, met feitelijke grondslag, dat en waarom ’s hofs oordeel niettemin ontoereikend gemotiveerd zou zijn en dat, zo het subonderdeel al zou klagen over een onbegrijpelijke uitleg door het hof van de gedingstukken zoals hiervoor uiteengezet (wat daar ook niet staat), ik daarvoor dus hoe dan ook geen grond zie gelet ook op het door [eiseres] aan vindplaatsen aangevoerde. Bij deze stand van zaken kan ik laten rusten of [eiseres] belang heeft bij onderdeel (i), zoals zijdens [verweerder] nog ter discussie is gesteld. [46] Hierop stuiten de subonderdelen af.
voortbouwklachtvoert aan dat de vernietiging van de eindbeslissing in rov. 3.7 eerste tussenarrest ook rov. 2.12 en het dictum van het eindarrest vitieert.
(ii): “Ongeoorloofde aanvulling van partijstellingen, verrassingsbeslissing en treden buiten partijdebat; vermindering toegekend schadebedrag in verband met verrekenbare btw”
Uit de in cassatie vaststaande feiten blijkt dat de huurprijs in de huurovereenkomst van 19 juni 2008 € 65.000,--
exclusiefbtw per jaar bedraagt en dat de huurprijs in de huurovereenkomst van 31 oktober 2008 € 78.000,--
exclusiefbtw per jaar bedraagt (zie onder 1.6 en 1.8 hiervoor). [47] Het hof neemt in rov. 2.12 eindarrest het verschil tussen deze beide bedragen ad € 13.000,-- over een looptijd van tien jaar als schade in aanmerking, hetgeen resulteert in een schadepost van in hoofdsom € 130.000,--, die in het dictum van het eindarrest, telkens te vermeerderen met wettelijke rente over de jaarlijkse schade, wordt toegewezen. Dat sluit in zoverre aan op het door [eiseres] berekende schadebedrag van in totaal € 1.053.546,03 zoals weergegeven door het hof in rov. 2.12 eindarrest. Dat schadebedrag bestaat immers mede uit de post “Huurprijs na oplevering casco (10 jaar x € 78.000) € 780.000”, hetgeen dus ook is gebaseerd op de jaarlijkse huurprijs
exclusiefbtw over een looptijd van tien jaar. In zoverre faalt het onderdeel reeds bij gebrek aan belang, omdat het oordeel van het hof geen gevolgen voor het dictum heeft gehad. Het hof heeft, in lijn met het op dit punt gevorderde, een bedrag
exclusiefbtw toegewezen.
Mogelijkerwijs is het totaalbedrag aan door [eiseres] berekende schade van in hoofdsom € 1.053.546,03, waarop volgens haar de reeds ontvangen huuropbrengsten van Colpitt ad € 35.000,-- per jaar in mindering kunnen worden gebracht, [48] wel deels
inclusiefbtw. Het hof geeft de wijze waarop het bedrag van € 1.053.546,03 tot stand is gekomen weer in rov. 2.12 eindarrest. Deze weergave door het hof is kennelijk ontleend aan de memorie van grieven zijdens [eiseres] : [49]
€ 72.509
(…)
[eiseres] heeft inmiddels - ter beperking van haar schade - een huurovereenkomst kunnen sluiten met Colpitt B.V. (…). De huuropbrengsten zullen EUR 35.000 per jaar bedragen. Om het pand echter te kunnen (onder-)verhuren, heeft [eiseres] eerst kosten moeten maken ad EUR 55.893,03 (…). [eiseres] meent dat de door haar op het moment van het wijzen van het arrest reeds ontvangen (!) huuropbrengsten in mindering zullen kunnen worden gebracht op het door haar gevorderde schadebedrag, maar dat aan de geleden schade eerst dient te worden toegevoegd de door [eiseres] gemaakte kosten om de verhuur te kunnen bewerkstelligen.”
Het hof overweegt in rov. 2.12 eindarrest dat “enkel het verschil in de te betalen huurprijs tussen deze beide huurovereenkomsten [dus een bedrag van jaarlijks € 13.000,-- over een looptijd van tien jaar, A-G] als schadepost wordt aangemerkt, waarbij aangetekend wordt dat de door [eiseres] betaalde btw over dat verschil voor [eiseres] geen schadepost is nu die btw een verrekenpost voor haar is.” Dat oordeel van het hof heeft dus geen betrekking op overige schadeposten, voor zover die inclusief btw zouden zijn, hetgeen kennelijk de kosten aannemer en installateur vanwege de afbouw van het casco ad € 122.644,-- en € 72.509,-- (althans € 69.509,--) betreft. [52] Die schadeposten zijn immers door het hof niet toegewezen en die bedragen zijn overigens in de gecorrigeerde tabel ook niet langer opgenomen. [53] Ten overvloede wijs ik erop dat de omvang van de schade in beginsel dient te worden bepaald met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval en dat het uitgangspunt daarbij volledige vergoeding is van de werkelijk geleden schade die het gevolg is van de schadeveroorzakende gebeurtenis, wat mede insluit dat overcompensatie - het ontvangen van schadevergoeding die het voorgaande overstijgt - vermeden dient te worden. [54] Ik wijs er voorts op dat aan de feitenrechter bij de het bepalen van de omvang van de schade, dus bij de schadebegroting ex art. 6:97 BW Pro, een grote mate van vrijheid toekomt, dat de rechter bij de begroting van de schade niet (strikt) gebonden is aan de regels omtrent stelplicht en bewijslast en hiervan kan afwijken en dat het feit dat de eiser een bepaald bedrag aan schadevergoeding vordert, er bijvoorbeeld ook niet aan in de weg staat dat de rechter schadevergoeding tot een lager bedrag toewijst. [55] Indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat de door [eiseres] betaalde btw voor haar een verrekenpost is, zou toewijzing van een schadebedrag inclusief btw leiden tot overcompensatie. [56] Dit alles komt echter pas aan de orde indien het hof constateert dat door [eiseres] gevorderde schadeposten inclusief btw zouden zijn, wat met betrekking tot de huurprijs van € 78.000,-- (en in het logisch verlengde daarvan met de huurprijs van € 65.000,--) niet het geval is.
Hierop stuit het onderdeel af.
onder 1) dat het hof de partijautonomie als bedoeld in art. 23 Rv Pro heeft miskend door “ultra petitum” te oordelen in rov. 3.10, 3.11, 3.13 t/m 3.16 eerste tussenarrest, rov. 3.2 t/m 3.4, 3.6 en 4 tweede tussenarrest alsmede rov. 2.1, 2.2, 2.6 t/m 2.10, 2.13 en 3 eindarrest, omdat het hof daar heeft geoordeeld over rechtsoverwegingen van de rechtbank waarvan in het petitum van de memorie van grieven zijdens [eiseres] niet de vernietiging is gevorderd en daarmee iets anders heeft toegewezen dan is gevorderd dan wel wat in het gevorderde besloten ligt. [57] Volgens het onderdeel heeft [eiseres] in het petitum van haar memorie van grieven niet een algehele vernietiging van het tweede en derde tussenvonnis gevorderd, maar heeft zij haar petitum expliciet beperkt tot vernietiging van rov. 7.7 tweede tussenvonnis (petitum onder 1), rov. 7.4 tweede tussenvonnis (petitum onder 2) alsmede rov. 7.12 tweede tussenvonnis en rov. 2.4 en 2.10 derde tussenvonnis (petitum onder 3 en memorie van grieven onder 7.8).
Het onderdeel klaagt voorts (
onder 2) dat voor zover het hof dit niet heeft miskend, diens oordeel onvoldoende gemotiveerd althans onbegrijpelijk is, omdat hieruit niet (steeds) blijkt waarom het hof aldus heeft kunnen oordelen in weerwil van voormeld petitum en de vaststaande rechtsoverwegingen van de rechtbank. De specifieke en overduidelijke beperkingen in het petitum van de memorie van grieven tot vernietiging van louter enkele rechtsoverwegingen zijn volgens het onderdeel niet voor meerderlei uitleg vatbaar en deze beperkingen zijn in rov. 1 eerste tussenarrest ook expliciet door het hof onderkend. Het onderdeel wijst er verder nog op dat deze ongebruikelijke beperking van het petitum een expliciete keuze van [eiseres] is geweest en dat in de appeldagvaarding nog een algehele vernietiging van het tweede en derde tussenvonnis werd gevorderd.
Ik geef eerst weer wat [eiseres] in hoger beroep heeft gevorderd. Het petitum van de appeldagvaarding zijdens [eiseres] luidt voor zover relevant als volgt: [58]
in conventiebehoort het gerechtshof de bestreden vonnissen van 9 juni 2010 en 9 maart 2011 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende,
(i) gedaagde sub (1), hierna: “ [verweerder] ”, te veroordelen aan appellante, hierna “ [eiseres] ”, € 310.000 te betalen inzake de door [verweerder] als bestuurder van [eiseres] aan zichzelf verstrekte geldlening van 28 oktober 2008, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 oktober 2008, althans vanaf 30 mei 2009;
(vi) deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor zover mogelijk.
Voor zover het gerechtshof zou oordelen dat de zaak niet in appel kan worden afgedaan, maar dat terugverwijzing naar de rechtbank nodig is, behoort het gerechtshof te verstaan dat de hiervóór omschreven vorderingen toewijsbaar zijn en de rechtbank te instrueren de zaak verder af te doen met inachtneming van de tot toewijzing nopende beslissingen van het gerechtshof.
in reconventiebehoort het gerechtshof de bestreden vonnissen van 9 juni 2010 en 9 maart 2011 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te beslissen als volgt:
(i) De vorderingen van gedaagden sub (2) en (3) worden afgewezen.
(ii) De vorderingen van [verweerder] inzake de winstdelingsregeling zoals voorzien in [verweerder] ’ arbeidsovereenkomst (5% van de jaarwinst van [eiseres] over het jaar 2007) is in beginsel toewijsbaar, maar [eiseres] heeft zich bevoegd beroepen op verrekening met haar vorderingen jegens [verweerder] die in conventie aan de orde zijn, zodat per saldo geen vorderingen van [verweerder] resteert.
(iii) De vordering van [verweerder] tot betaling van € 7.670,64 wegens niet-genoten vakantiedagen is in beginsel toewijsbaar, maar [eiseres] heeft zich bevoegd beroepen op verrekening met haar vorderingen jegens [verweerder] die in conventie aan de orde zijn, zodat per saldo geen vordering van [verweerder] jegens [eiseres] resteert.
Voor zover het gerechtshof de vorderingen in reconventie niet zelf kan afdoen, behoort het gerechtshof te verstaan dat de hiervóór omschreven vorderingen moeten worden afgewezen en de rechtbank te instrueren de zaak verder af te doen met inachtneming van de tot afwijzing nopende beslissingen van het gerechtshof.”
Grief I - huurovereenkomst
klip en klaar is dat partijen het erover eens waren dat [verweerder] een extra winstdeel van 22,5% zou krijgen en dat van die afspraak zonder meer nakoming kan worden gevraagd”. Volgens de rechtbank zou dit blijken uit het MoU. De rechtbank heeft echter een aantal relevante feiten over het hoofd gezien, althans de relevantie daarvan onjuist beoordeeld. In hoofdstuk 4 zijn de gronden voor deze grief uitgewerkt.
7.5 Ten eerste heeft de rechtbank miskend dat [eiseres] geen partij is bij het MoU, maar dat het MoU ziet op de verhouding tussen [verweerder] en BF-Services B.V., zoals toegelicht in paragrafen 4.6 en verder.
7.6 De rechtbank is er in rechtsoverweging 2.7 van het tweede vonnis ten onrechte van uitgegaan dat er geen koppeling tussen de winstdeling en de andere elementen van de MoU was voorzien. De uitdrukkelijke bedoeling van partijen was echter dat de winstdeling waarop [verweerder] recht zou krijgen, een beloning vormde voor de uitbreiding van zijn werkzaamheden ten behoeve van het [betrokkene 1] -concern (vgl. paragraaf 4.16).
van [eiseres]aan [verweerder] zou toekomen. Dit is uitgewerkt in paragrafen 4.20 en verder.
het uw Hof behage bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren,
1. rechtsoverweging 7.7 van het eerste vonnis van de rechtbank te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [verweerder] te veroordelen tot betaling van EUR 1.053.546,03 aan [eiseres] op grond van onbehoorlijk bestuur en/of onrechtmatige daad, te verminderen met de daadwerkelijk door [eiseres] ontvangen huuropbrengsten uit de huurovereenkomst met Colpitt B.V. tot aan de datum waarop Uw Gerechtshof arrest zal wijzen, te vermeerderen met de wettelijke als bedoeld in art. 6:119 BW Pro met ingang van 31 oktober 2008, althans 18 maart 2009, althans 1 april 2009, althans met ingang van de dag waarop de dagvaarding in eerste aanleg is uitgebracht;
Tegen deze achtergrond bezie ik nu het bepaalde in art. 23 Rv Pro. Art. 23 Rv Pro luidt: “De rechter beslist over al hetgeen partijen hebben gevorderd of verzocht.” Uit de bepaling volgt, voor zover hier van belang, dat de rechter niet iets mag toewijzen dat niet is gevorderd of verzocht; de rechter mag, anders gezegd, niet
ultra petitagaan. [67] Om te beoordelen of het hof iets meer of anders heeft toegewezen dan is gevorderd of in het gevorderde besloten ligt, [68] moet eerst beoordeeld worden wat het hof in hoger beroep heeft toegewezen. In het dictum eindarrest vernietigt het hof het tweede en derde tussenvonnis en, opnieuw rechtdoende: veroordeelt het, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] tot betaling van € 130.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente over de jaarlijkse schade van € 13.000,--; veroordeelt het, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] tot betaling van € 310.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente; verklaart het voor recht dat [eiseres] geen partij is bij het MoU, dat daaruit derhalve geen verplichtingen voor haar kunnen voortvloeien en dat de gecorrigeerde jaarcijfers over 2007 de basis dienen te zijn voor de berekening van de winstdeling van [verweerder] ; veroordeelt het, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] in de kosten van het geding in beide instanties aan de zijde van [eiseres] [69] ; wijst het af het meer of anders in conventie gevorderde; en verwijst het de zaak naar de rechtbank om de vorderingen in reconventie, voor zover daarop nog niet beslist, af te doen (zie ook onder 2.16 hiervoor).
Daarmee heeft het hof niet iets meer of anders toegewezen dan [eiseres] heeft gevorderd of in het gevorderde besloten ligt. Met de veroordeling van [verweerder] tot, kort gezegd, betaling van € 130.000,-- te vermeerderen met wettelijke rente blijft het hof binnen het gevorderde in het petitum van de memorie van grieven zijdens [eiseres] , onder 1. Met de veroordeling van [verweerder] tot, kort gezegd, betaling van € 310.000,-- te vermeerderen met wettelijke rente blijft het hof binnen het gevorderde in het petitum van de memorie van grieven zijdens [eiseres] , onder 2. Met, kort gezegd, de verklaringen voor recht blijft het hof binnen het gevorderde in het petitum van de memorie van grieven zijdens [eiseres] , onder 3. Met, kort gezegd, de proceskostenveroordeling blijft het hof binnen het gevorderde in het petitum van de memorie van grieven zijdens [eiseres] , onder 4. Van miskenning door het hof van de partijautonomie in art. 23 Rv Pro is aldus geen sprake.
Het onderdeel gaat uit van een te enge uitleg van het petitum in de memorie van grieven en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. Volgens het onderdeel blijkt uit de verwijzing naar specifieke rechtsoverwegingen in het petitum van de memorie van grieven dat niet langer een algehele vernietiging van beide vonnissen wordt gevorderd, maar is de gewijzigde eis expliciet beperkt tot enkel de daar genoemde rechtsoverwegingen, waaruit het onderdeel de gevolgtrekking maakt dat de overige rechtsoverwegingen tussen partijen vaststaan en kracht van gewijsde hebben. Deze - niet door het hof gevolgde - uitleg valt moeilijk vol te houden, mede in het licht van het volgende:
Hierop stuit het onderdeel af.
onder 3) dat het hof art. 24 Rv Pro heeft miskend door in rov. 3.10-3.13, 3.15 en 3.16 eerste tussenarrest, rov. 3.3 t/m 3.6 en 4 tweede tussenarrest en rov. 2.6 t/m 2.10, 2.14 en het dictum eindarrest buiten de grieven om te oordelen. Volgens het onderdeel heeft [eiseres] niet gegriefd tegen rov. 2.5 t/m 2.10 en 2.18 derde tussenvonnis. Volgens het onderdeel blijkt uit de memorie van grieven zijdens [eiseres] , onder 4.1 dat de grief tegen rov. 7.12 tweede tussenvonnis en rov. 2.4 derde tussenvonnis is beperkt tot de overweging “dat klip en klaar [is] dat partijen het er over eens waren dat [verweerder] een extra winstaandeel van 22,5% zou krijgen en dat van die afspraak zonder meer nakoming kan worden gevraagd.” [verweerder] heeft dat volgens het onderdeel ook zo mogen begrijpen en heeft zijn antwoord op de grieven niet op deze latere oordelen, in het bijzonder rov. 2.6 en 2.7 derde tussenvonnis, gericht. Deze oordelen vallen volgens het onderdeel niet in het door de grieven ontsloten gebied. Volgens het onderdeel is geen sprake van oordelen waartegen is gegriefd of die voortbouwen op of onverbrekelijk samenhangen met het vernietigde oordeel en hun kracht verliezen omdat daaraan de grondslag is ontvallen. [70] Het onderdeel klaagt voorts (
onder 4) dat voor zover het voorgaande niet is miskend, het hof onvoldoende gemotiveerd, althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de grieven zich ook tegen rov. 2.5 t/m 2.10 en 2.18 derde tussenvonnis hebben gericht, mede in het licht van hetgeen in het onderdeel onder (i) t/m (iv) wordt opgemerkt.
Voor de wijze waarop [verweerder] c.s. de grieven heeft begrepen, wordt niet verwezen naar een vindplaats in de gedingstukken zijdens [verweerder] c.s. [71] Het onderdeel verwijst uitsluitend naar vindplaatsen in de memorie van grieven zijdens [eiseres] . Het onderdeel beoogt kennelijk aansluiting te zoeken bij de volgende passage uit de memorie van antwoord zijdens [verweerder] c.s.: [72]
De uitleg die het hof aan de grieven heeft gegeven is overigens ook geenszins onbegrijpelijk. Met de hiervoor geciteerde passage uit de memorie van antwoord wordt kennelijk mede gerespondeerd op de volgende passage uit de memorie van grieven zijdens [eiseres] :
Deze uiteenzettingen sluiten in zoverre aan op grief II als gespecificeerd in de memorie van grieven zijdens [eiseres] , onder 7.1, 7.4-7.9 (zie onder 3.18 hiervoor) en daarin nader uitgewerkt onder 4.1-4.63. Dat hiermee niet gegriefd zou zijn tegen rov. 2.5 t/m 2.10 en 2.18 derde tussenvonnis gaat aldus, zoals ook blijkt uit rov. 3.15, eerste zin eerste tussenarrest, uit van een verkeerde lezing van de memorie van grieven en mist daarmee feitelijke grondslag.
Uit het gegeven dat in hoofdstuk 4 van de memorie van grieven zijdens [eiseres] slechts eenmaal (uitdrukkelijk) naar een rechtsoverweging uit het derde tussenvonnis wordt verwezen, [73] kan niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat voor het overige niet zou zijn gegriefd tegen rov. 2.5 t/m 2.10 en 2.18 derde tussenvonnis. Ik wijs in de eerste plaats erop dat uit hoofdstuk 4 van die memorie van grieven blijkt dat het mede betrekking heeft op die rechtsoverwegingen uit het derde tussenvonnis, ook als niet naar specifieke overwegingen wordt verwezen. In rov. 2.7 derde tussenvonnis, waar het onderdeel zich in het bijzonder op richt, overweegt de rechtbank bijvoorbeeld: “Het MoU is door beide partijen ondertekend.” In die memorie van grieven, onder 4.10 wordt in dit verband geconcludeerd:
Ook in het verdere partijdebat is grief II in verbinding gebracht met onjuiste eindbeslissing I, waarover rov. 7.12 tweede tussenvonnis én rov. 2.7 derde tussenvonnis, onjuiste eindbeslissing II, waarover rov. 7.12 tweede tussenvonnis én rov. 2.8 derde tussenvonnis, en onjuiste eindbeslissing IV, waarover rov. 7.2 en/of 7.11 tweede tussenvonnis én rov. 2.10 derde tussenvonnis. [74] De rechtspraak van de Hoge Raad waarop het onderdeel zich beroept, [75] is niet ter zake dienend. [76] Ik kom tot de slotsom dat het hof art. 24 Rv Pro niet miskent en niet buiten de grieven om oordeelt. Het oordeel van het hof is evenmin onvoldoende gemotiveerd althans onbegrijpelijk “mede in het licht van” de omstandigheden genoemd in het onderdeel onder (i) t/m (iv). Deze omstandigheden betreffen, kort gezegd, (i) rov. 7.12 tweede tussenvonnis, (ii) hetgeen in de grieven is aangevoerd onder 4.1-4.63, en (iii en iv) de volgens het onderdeel met deze grieven niet aangevallen oordelen in rov. 2.7-2.10 derde tussenvonnis. Deze omstandigheden gaan, zoals hiervoor is uiteengezet, uit van een te beperkte lezing van grief II, die feitelijke grondslag mist en door het hof niet is gevolgd.
Hierop stuit het onderdeel af.
onder 5) dat het hof in rov. 3.10 eerste tussenarrest heeft miskend dat een verplichting van een partij niet reeds komt te vervallen als partijen het voornemen hebben die verplichting via een gelieerde vennootschap te laten lopen, maar dit vervolgens niet wordt vormgegeven. Het onderdeel klaagt dat voor zover het hof in rov. 3.10 eerste tussenarrest is uitgegaan van schuldoverneming of contractsoverneming (of enige andere rechtsfiguur waarbij de verplichting is overgegaan), het hof heeft miskend dat [eiseres] niet heeft gesteld dat sprake is van een dergelijke rechtsfiguur, noch dat aan de voorwaarden hiervoor is voldaan, althans dat onvoldoende is gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is waarom van overdracht van een verplichting gezien het voorgaande wel sprake zou zijn.
Het onderdeel klaagt verder (
onder 6) dat voor zover het hof in rov. 3.10 eerste tussenarrest ervan is uitgegaan dat “
ab initio” de verplichting van de 22,5%-winstdeling niet op [eiseres] rustte, maar op BF-Services dan wel diens aandeelhouder, dat oordeel onjuist is dan wel onvoldoende gemotiveerd althans onbegrijpelijk is. Volgens het onderdeel heeft [eiseres] dat niet gesteld en is niet gegriefd tegen de oordelen in rov. 7.12 tweede tussenvonnis en rov. 2.7 derde tussenvonnis dat de verplichtingen zien op [eiseres] , maar dat de vorm waarin dit zou plaatsvinden nog niet definitief was, en is evenmin gegriefd tegen het oordeel in rov. 2.5 derde tussenvonnis dat [verweerder] heeft aangedrongen op een
groterwinstaandeel, te weten een
aanvullendewinstdeling van 25%,
bij voorkeurdoor verkrijging van aandelen in BF-Services en dat vervolgens het MoU is getekend.
Het onderdeel klaagt voorts (
onder 7) dat voor zover het hof bij zijn oordeel in rov. 3.10 eerste tussenarrest is uitgegaan van de stelling van [eiseres] dat een verbintenis met de strekking tot levering van BF-Services aandelen per definitie slechts afkomstig kan zijn van een partij die zeggenschap heeft over BF-Services, [77] dit oordeel onjuist is. Volgens het onderdeel ontstaat een verplichting door aanbod en aanvaarding en als de verplichting niet kan worden nagekomen door een partij is die partij in beginsel schadeplichtig; wet noch jurisprudentie eist dat een partij pas een verplichting kan aangaan indien zij deze kan nakomen.
Het onderdeel beroept zich er verder (
onder 8) op dat uit de ondertekening van het MoU door [betrokkene 1] zou volgen dat in dit geval juist blijkt dat in verband met een tegenstrijdig belang van [verweerder] afstemming heeft plaatsgevonden met [betrokkene 1] . Volgens het onderdeel heeft [eiseres] niet gesteld dat zij initieel de 22,5% winstdelingsafspraak niet is aangegaan, maar enkel dat zij deze zelf onmogelijk kon nakomen, zodat het hof in rov. 3.10 eerste tussenarrest niet aldus had kunnen oordelen. Voor zover het hof in de stellingen van [eiseres] wel had mogen lezen dat zij initieel de verplichting niet is aangegaan, heeft het hof volgens het onderdeel verzuimd af te wegen of de ondertekening door [betrokkene 1] en Diederichs inhield dat het MoU door [eiseres] is aangegaan of dat deze ondertekening door hen inhoudt dat het MoU is aangegaan door BF-Services dan wel diens aandeelhouder. Dit geldt volgens het onderdeel ook voor het beroep van [verweerder] op het bestaan van de mondelinge overeenkomst.
Het onderdeel klaagt ten slotte (
onder 9) dat de oordelen in rov. 3.10 eerste tussenarrest dat nadere toelichting ontbreekt en dat geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, onvoldoende gemotiveerd althans onbegrijpelijk zijn, in het licht van de oordelen in rov. 7.12 tweede tussenvonnis en rov. 2.5 en 2.7 derde tussenvonnis, zoals verkort weergegeven in het onderdeel en onder 4(iii).
Ik geef eerst het procesverloop, voor zover relevant, weer.
Het oordeel van het hof in rov. 3.10 eerste tussenarrest, waartegen het onderdeel is gericht, heeft betrekking op grief II van [eiseres] (zie ook onder 3.18 hiervoor): [78]
klip en klaar is dat partijen het erover eens waren dat [verweerder] een extra winstdeel van 22,5% zou krijgen en dat van die afspraak zonder meer nakoming kan worden gevraagd”. Volgens de rechtbank zou dit blijken uit het MoU. De rechtbank heeft echter een aantal relevante feiten over het hoofd gezien, althans de relevantie daarvan onjuist beoordeeld. In hoofdstuk 4 zijn de gronden voor deze grief uitgewerkt.
7.5 Ten eerste heeft de rechtbank miskend dat [eiseres] geen partij is bij het MoU, maar dat het MoU ziet op de verhouding tussen [verweerder] en BF-Services B.V., zoals toegelicht in paragrafen 4.6 en verder.
4.8 BF-Services was eigenaar van 80% van de aandelen in [eiseres] . Zoals hiervóór uiteengezet was [verweerder] op grond van een
Treuhandvertragjuridisch eigenaar van alle aandelen in BF-Services. Daarnaast was [verweerder] enig bestuurder van BF-Services. De economisch eigenaar en begunstigde bij het
Treuhandvertragwas BF-Technologies Holding GmbH. Alle aanwezigen bij de bespreking op 19 december 2007 wisten dat de verhoudingen zó lagen.
4.9 Het MoU is ondertekend door [betrokkene 1] , [verweerder] en de advocaat van [betrokkene 1] , de heer Diederichs. Laatstgenoemde is geen partij bij het MoU maar enkel de notulist van de bespreking op 19 december 2007. [betrokkene 1] was niet bevoegd [eiseres] of BF-Services te vertegenwoordigen. [verweerder] als bestuurder van beide vennootschappen was daartoe in beginsel wél bevoegd, maar hij had een evident tegenstrijdig belang met BF-Services. Bovendien kon [eiseres] , zoals gezegd, onmogelijk een verbintenis aanvaarden om aandelen uit te geven in haar eigen moedervennootschap.
4.9 De conclusie is dat het MoU geen rechtshandeling inhoudt waarvan [eiseres] jegens [verweerder] kan zijn gebonden. Het MoU heeft - dus - geen verbintenis in het leven geroepen van [eiseres] jegens [verweerder] , zodat [verweerder] van [eiseres] geen nakoming of schadevergoeding kan verlangen. [verweerder] ’ vordering ligt alleen al om deze reden voor afwijzing gereed.”
5.67 Juist is dat [verweerder] (in privé)
jegens [eiseres]aanspraak maakt op het extra winstaandeel van 22,5%. Zoals onomstotelijk blijkt uit de vaststaande feiten en omstandigheden is in essentie overeengekomen dat [verweerder] per 1 januari 2007 dan wel (minimaal) per 1 juli 2007 een extra winstaandeel in [eiseres] zou ontvangen van 22,5%. Over de vorm waarin het extra winstaandeel zou worden gegoten, zijn partijen het uiteindelijk niet eens geworden, althans een en ander is niet geëffectueerd als gevolg van het (alsmaar oplopende) conflict dat [verweerder] begin 2009 tot opstappen noopte. Het MoU kan [eiseres] dienaangaande niet vrijpleiten. Althans met de eerste nu ineens (in appèl) aangehaalde stelling zet [eiseres] de wereld werkelijk op zijn kop.
5.68 Overigens, stelt [verweerder] zich aanvullend op het standpunt dat het MoU er inmiddels feitelijk niet (eens) meer zo toe doet. (…) Inmiddels is reeds genoegzaam aangetoond dat
tussen [betrokkene 1] en [verweerder]-
dan wel [verweerder] als zelfstandig bestuurder, doch voor zover vereist met goedvinden van [betrokkene 1] en zelfs diens rechtsgeldig vertegenwoordiger c.q. schijngemachtigde heer Diederichs- is afgesproken dat [verweerder] per genoemde datum in aanmerking zou komen voor een extra winstaandeel van 22,5%. Het betreft derhalve tevens een mondeling overeenkomst. [verweerder] betwist overigens hetgeen [eiseres] (onder punt 4.8 MvG) stelt (…).
5.69 [verweerder] acht een en ander tekenend voor deze procedure. [eiseres] (veronder-)stelt wel heel veel, maar laat telkens na een en ander gedocumenteerd te bewijzen. De verschillende stellingen vanuit [eiseres] dienen alleen al om die reden te worden gepasseerd.”
37. [verweerder] ’ pretense vordering
op [eiseres]ontbeert echter een grondslag. Vooraleerst citeer ik de MoU (…)
De misvattingen van [verweerder] zijn de volgende:
(i) er bestaat
geen vordering op [eiseres]op grond van het MoU, eenvoudigweg omdat
geen partij is bij deze overeenkomsten
slechts is gesproken over een participatie van [verweerder] in BF-Services B.V.(dat erkent [verweerder] zelf ook: zie bijvoorbeeld artikel 3 van Pro de overeenkomst van geldlening). Die participatie zou slechts door de aandeelhouder van BF-Services B.V. aan [verweerder] kunnen worden verschaft; en dat was [verweerder] zelf (maar met inachtneming van zijn verplichtingen uit hoofde van het Treuhandvertrag, op grond waarvan BF Technologies Holding GmbH juridisch en economisch gerechtigd was tot de aandelen in BF-Services B.V.)
(…)
38. (…) [betrokkene 1] is geen partij in deze procedure. De aanname van [verweerder]
dat [betrokkene 1] bij het ondertekenen van de MoU [eiseres] zou hebben vertegenwoordigd, dan wel dat hij die schijn gerechtvaardigd bij [verweerder] zou hebben gewerkt, snijdt logisch noch juridisch hout. Wellicht zou nog kunnen worden gediscussieerd of [betrokkene 1] in deze
BF Technologies Holding GmbHheeft vertegenwoordigd - op grond van het Treuhandvertrag stond die vennootschap in een bijzondere relatie tot de aandelen in BF-Services B.V. en tot [verweerder] . Maar: het MoU is nooit bedoeld als meer dan een besprekingsverslag, en deze ongerijmdheden zijn het gevolg als aan dat document een ander gewicht wordt toegekend.”
[onderstreping in origineel, A-G]
Het onderdeel gaat onder 5 uit van een verkeerde lezing van rov. 3.10 eerste tussenarrest en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof miskent met zijn oordeel niet dat een verplichting van een partij niet reeds komt te vervallen als partijen het voornemen hebben die verplichting via een gelieerde vennootschap te laten lopen, maar dit vervolgens niet wordt vormgegeven. Het hof overweegt niet dat de verplichting tot betaling aan [verweerder] van een winstrecht van 22,5% die eventueel uit het MoU zou kunnen voortvloeien zou zijn vervallen, maar overweegt dat [eiseres] niet aan het MoU is gebonden. Dat het hof in rov. 3.10 eerste tussenarrest zou zijn uitgegaan van schuldoverneming of contractoverneming (of enige andere figuur waarbij de verplichting is overgegaan) gaat eveneens uit van een verkeerde lezing van ’s hofs oordeel, zodat ook dit feitelijke grondslag mist.
Het onderdeel gaat onder 6 uit van een te beperkte lezing van de memorie van grieven zijdens [eiseres] . Volgens het onderdeel zou [eiseres] niet hebben gesteld dat “
ab initio” de verplichting van de 22,5% niet op [eiseres] rustte, maar op BF-Services dan wel diens aandeelhouder. Ik memoreer dat in de memorie van grieven zijdens [eiseres] , onder 7.5 is gesteld: “Ten eerste heeft de rechtbank miskend dat [eiseres] geen partij is bij het MoU, maar dat het MoU ziet op de verhouding tussen [verweerder] en BF-Services B.V., zoals toegelicht in paragrafen 4.6 en verder.” Voor zover het hof hiervan in rov. 3.10 eerste tussenarrest is uitgegaan, is dat oordeel dus niet onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Dat niet zou zijn gegriefd tegen oordelen in rov. 7.12 tweede tussenvonnis en rov. 2.7 derde tussenvonnis dat de verplichtingen zien op [eiseres] berust daarmee eveneens op een te beperkte lezing van de memorie van grieven zijdens [eiseres] . Dat niet zou zijn gegriefd tegen de feiten die zijn vastgesteld in rov. 2.5 tweede tussenvonnis, hetgeen op zichtzelf juist is (zie ook rov. 2 eerste tussenarrest), maakt het voorgaande evenmin anders.
Uit rov. 3.10 eerste tussenarrest blijkt evenmin, zoals door het onderdeel onder 7 wordt geklaagd, dat het hof zou miskennen dat een verplichting ontstaat door aanbod en aanvaarding, dat als de verplichting niet kan worden nagekomen door een partij die partij in beginsel schadeplichtig is, en dat wet noch jurisprudentie eist dat een partij pas een verplichting kan aangaan indien zij deze kan nakomen. Dragend in het oordeel van het hof is dat [eiseres] geen partij was bij het MoU (daaraan niet gebonden was). Dat [eiseres] de verplichting ook niet zou kunnen nakomen, is slechts een bijkomende omstandigheid.
Voor het overige berust hetgeen onder 7 (aan het slot) wordt aangevoerd op een te beperkte lezing van de memorie van grieven zijdens [eiseres] .
Voor zover het onderdeel onder 8 wederom aanvoert dat [eiseres] enkel zou hebben gesteld dat zij de 22,5% winstdelingsafspraak zelf onmogelijk kan nakomen, berust dat ook op een te beperkte lezing van de memorie van grieven zijdens [eiseres] . Dat [eiseres] zich er steeds op heeft beroepen dat besluiten met een tegenstrijdig belang dienden te worden afgestemd met [betrokkene 1] , en dat uit de ondertekening van het MoU door [betrokkene 1] zou volgen dat dit in dit geval juist ook is gedaan, kan evenmin worden gevolgd. Deze lezing van [verweerder] is, mede in het licht van de huurovereenkomsten (waarover ook het principale cassatieberoep hiervoor) en de leningovereenkomst (waarover ook onderdeel 5 hierna), volstrekt ongeloofwaardig, nu hij zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat afstemming met [betrokkene 1] niet vereist was. Zo wordt in de memorie van antwoord zijdens [verweerder] c.s (onder 5.40-5.41) “de stelling van [eiseres] , (…) inhoudende dat [verweerder] niet op eigen houtje belangrijke strategische of operationele beslissingen zou mogen nemen (…) naar het land der fabelen [verwezen]” en wordt aldaar gesteld dat “ [eiseres] nu in hoger beroep [ten onrechte doet] voorkomen alsof het te allen tijde te doen gebruikelijk zou zijn dat [eiseres] ‘altijd’ de goedkeuring van de concernleiding zou behoeven.” Het verbaast in dat kader ook niet dat het onderdeel niet verwijst naar vindplaatsen in de gedingstukken zijdens [verweerder] c.s. Aan ’s hofs oordeel in rov. 3.10 eerste tussenarrest kan dit betoog in het onderdeel derhalve niet af doen. De klacht aan het slot (“Voor zover” etc.) mist feitelijke grondslag.
De motiveringsklacht aan het slot van het onderdeel onder 9 strandt reeds, omdat deze niet duidelijk maakt waarom ’s hofs oordeel in rov. 3.10 eerste tussenarrest onvoldoende gemotiveerd althans onbegrijpelijk zou zijn (wat het overigens ook niet is) in het licht van door het onderdeel bedoelde oordelen in rov. 7.12 tweede tussenvonnis en rov. 2.5 en 2.7 derde tussenvonnis.
Hierop stuit het onderdeel af.
De klachten van het onderdeel zijn uitgewerkt in randnummers 10 t/m 18.
Volgens het onderdeel (
onder 10) bevat de opdracht aan de deskundige geen oordeel over bewuste kunstmatigheid en heeft de deskundige hierover ook geen oordeel gegeven. [81] In rov. 2.10 eindarrest oordeelt het hof dat “[u]it het in rov. 2.9 genoemde e-mailverkeer volgt dat [verweerder] zich bewust is geweest, dan wel had moeten zijn van het feit dat hij door geen voorziening op te nemen de cijfers over 2009 [bedoeld zal zijn: 2007, [82] A-G] kunstmatig hoog hield.” Volgens het onderdeel is bewustheid die blijkt uit het e-mailverkeer in rov. 2.9 eindarrest “dat [A] Inc. geen geld had om betalingen te verrichten” niet hetzelfde als de in rov. 2.10 eindarrest vermelde bewustheid dat [verweerder] zich bewust is geweest dan wel had moeten zijn van het feit dat hij door geen voorziening op te nemen de cijfers over 2007 kunstmatig hoog hield. Volgens het onderdeel kunnen beide bewustheden pas hetzelfde zijn, als komt vast te staan (i) dat enig ander winstbedrag zoals door de deskundige berekend, in casu niet mogelijk althans niet toegestaan is, (ii) dat [verweerder] had moeten weten dat een dergelijk e-mailbericht dat wegens gebrek aan liquide middelen geen betalingen kunnen worden verricht, moet leiden tot het opnemen van een voorziening, en (iii) dat [verweerder] had moeten weten dat de “ontvangst van een dergelijk bericht in 2008” in de (nog niet opgemaakte) jaarrekening over 2007 had moeten worden opgenomen in plaats van in de jaarrekening over 2008.
Het onderdeel klaagt verder (
onder 11) dat het hof geen van deze drie elementen (onder (i) t/m (iii) hiervoor) heeft beoordeeld en daarmee in rov. 2.10 eindarrest ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat aan de in rov. 3.13 eerste tussenarrest geformuleerde criteria is voldaan, zulks te meer nu het hof ook niet anderszins heeft geoordeeld waarom de ene bewustheid gelijk zou zijn aan de andere, en gezien de hiernavolgende klachten in dit onderdeel. Voor zover het hof wel heeft bedoeld dat deze drie elementen vaststaan, blijkt uit het procesdossier niet dat bewijs voor deze drie elementen (of voor enige andere motivering dat de ene bewustheid gelijk is aan de andere) is geleverd, zodat art. 150 Rv Pro is miskend.
Het onderdeel klaagt voorts (
onder 12) dat het hof met zijn oordeel in rov. 2.10 eindarrest art. 2:384 lid 2 BW Pro heeft miskend. Volgens het onderdeel blijkt uit die bepaling niet een verplichting tot het opnemen van een voorziening en is “in acht nemen” als bedoeld in die bepaling ook mogelijk door een toelichting in de jaarrekening op te nemen. De keuzevrijheid die volgens het onderdeel sinds 2005 door de wet wordt geboden om al dan niet mogelijke verliezen in acht te nemen, brengt nog niet mee dat een vordering dient te worden afgewaardeerd als ernstig rekening moet worden gehouden met de kans dat verhaal geheel of gedeeltelijk onmogelijk zal zijn. [83] Volgens het onderdeel blijkt uit de e-mail waar het hof in rov. 2.9 eindarrest naar verwijst enkel dat [A] Inc. geen liquide middelen (“no funds”) meer had en daarom (“therefore”) geen betalingen meer kon verrichten, maar niet dat [A] Inc. geen verhaal meer bood (wat [eiseres] ook niet onderbouwd heeft gesteld). Volgens het onderdeel is verder nog relevant dat [verweerder] heeft verklaard dat [A] Inc. een gelieerd bedrijf uit de [groep] is en dat zij van financiële steun van de moeder of van of namens de familie [betrokkene 1] verzekerd kon zijn. [84] “Enige verplichting tot het opnemen van een voorziening bestond op grond van dit alles dus niet, zodat er van bewust kunstmatig hooghouden geen sprake kan zijn”, aldus nog steeds de klacht.
Het onderdeel klaagt (
onder 13) dat voor zover ’s hofs oordeel in rov. 10 eindarrest is gebaseerd op in rov. 2.8 eindarrest vermelde Richtlijnen voor de jaarverslaggeving 222.201 en 160.102 het hof heeft miskend, kort gezegd, dat deze Richtlijnen voor de jaarverslaggeving niet bindend zijn en geen kracht van wet hebben en dat afwijken daarvan mogelijk is. [85] Gelet daarop, en op de redelijke ruimte waarin de rechtspersoon de waardering kan vaststellen, betekent het feit dat volgens de deskundige bekende informatie moet worden verwerkt (rov. 2.8 eindarrest) nog niet dat aldus een voorziening moet worden opgenomen. Voor zover de niet-wettelijke Richtlijnen voor de jaarverslaggeving een strengere norm zouden hanteren dan art. 2:384 lid 2 BW Pro, had het hof volgens het onderdeel dienen te motiveren waarom deze Richtlijnen in casu toch dienen te prevaleren althans de ruimte van art. 2:384 lid 2 BW Pro inperken.
Het onderdeel klaagt (
onder 14) dat het hof in rov. 2.10 eindarrest, mede gelet op art. 2:384 lid 2 BW Pro (dat keuzevrijheid biedt) en de RJ-richtlijnen (die niet-bindend zijn), ten onrechte heeft geoordeeld dat het hof het deskundigenbericht overneemt, dat de winst over 2007 zal worden verlaagd en dat er (wegens bekendheid met de e-mail) door het niet opnemen van een voorziening sprake is van het kunstmatig hooghouden van de cijfers. Voor zover dit niet is miskend, is ’s hofs oordeel onvoldoende althans onbegrijpelijk gemotiveerd, gelet op, kort gezegd, die keuzevrijheid (tevens geldende voor de desbetreffende RJ-richtlijnen) en dat niet-bindende karakter. [86] Het onderdeel klaagt (
onder 15) dat het hof ten onrechte de norm voor waarderingen in de jaarrekening heeft toegepast op de hoge drempel die geldt voor het voor de berekening van het winstrecht voor [verweerder] afwijken van de vastgestelde jaarrekening over 2007 (de in rov. 2.10 eindarrest vermelde maatstaf dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [verweerder] (op grond van zijn arbeidsovereenkomst) bij de berekening van het winstrecht profiteert van kunstmatig hoog gehouden winst uit de vastgestelde jaarrekening over 2007, en aldus aanspraak heeft op meer dan 5% van de werkelijk gemaakte winst). [87] Volgens het onderdeel heeft het hof zich voor het bestaan van kunstmatig hooggehouden cijfers louter gebaseerd op het oordeel van de deskundige en maakt het feit dat een deskundige tot een ander winstbedrag komt, nog niet dat ‘dus’ sprake is van kunstmatig hooghouden. Volgens het onderdeel heeft het hof niet daadwerkelijk op basis van die hoge drempel geoordeeld.
Het onderdeel klaagt voorts (
onder 17) dat ’s hofs oordeel in rov. 2.10 eindarrest, voor zover niet onjuist (zoals bedoeld
onder 16), [88] onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is, “zulks mede in het licht” van een achttal omstandigheden, die zijn genummerd als (iv) t/m (xi) [89] en ruim twee pagina’s aan tekst beslaan, waarnaar ik kortheidshalve verwijs.
Het onderdeel klaagt ten slotte (
onder 18) dat de correctie van de winst met € 259.576,-- in rov. 2.10 eindarrest onbegrijpelijk is. Het onderdeel wijst erop dat dat bedrag is gebaseerd op een vijftal correcties, waarbij de vordering op [A] Inc. € 308.000,-- op een totale correctie van € 348.424,-- betreft (beide bedragen voor vpb-aftrek). [90] Volgens het onderdeel is voor de overige vier correcties niet gebleken van enige bewustheid, waarmee voor die correcties niet wordt voldaan aan het door het hof in rov. 3.13 eerste tussenarrest bepaalde vereiste van bewustheid, en dient de eventuele correctie niet € 259.576,-- maar “een fractie” daarvan, namelijk € 229.460,--, te zijn. [91]
Het oordeel van het hof houdt verband met grief II van [eiseres] . In de memorie van grieven zijdens [eiseres] wordt bij grief II, voor zover relevant, aangevoerd:
productie 34en het vermoeden van de onregelmatigheden wordt onder andere gevoed, omdat Berk Accountants (…) zich, blijkens haar verklaringen (zie laatste twee pagina’s van productie 34 hiervoor), destijds heeft onthouden van een oordeel over de jaarrekening. Berk Accountants zegt in haar verklaring namelijk onvoldoende controle-informatie ontvangen te hebben van [verweerder] om voldoende zekerheid te krijgen over met name de intragroepsvorderingen (zie laatste twee pagina’s van productie 34 hiervoor).
2.43 Bij het onderzoek van [E] naar de oude jaarrekening 2007 is gebleken dat de nettowinst van [eiseres] maar liefst plusminus EUR 660.000 lager uitkomt, dan de nettowinst zoals die in de oorspronkelijke jaarrekening van Berk Accountants naar voren kwam.
2.44 [eiseres] legt als
productie 35een overzicht over waarop te zien is welke posten [E] heeft bij- c.q. heeft afgeboekt ten opzicht[e] van de jaarrekening 2007 van Berk Accountants en onder het kopje “onderbouwing” staat aangegeven waarom de desbetreffende correctie dient te worden doorgevoerd. Blijkbaar op aangeven van [verweerder] had Berk Accountants bijvoorbeeld vorderingen op groepsmaatschappijen [A] Inc. en [A] B.V. op de balans van [eiseres] gezet, terwijl die vorderingen in werkelijkheid niet bestonden en/of de betreffende groepsmaatschappij niet zou kunnen betalen, zodat een voorziening moest worden opgenomen.
(…)
2.46 [E] heeft vervolgens namens [eiseres] contact opgenomen met Berk Accountants en verzocht dat Berk Accountants alsnog de betreffende bij- c.q. afboekingen zou maken in haar jaarrekening 2007 en deze aangepaste jaarrekening 2007 zou deponeren in plaats van de oude. Berk Accountants heeft echter niet op dit verzoek gereageerd.
2.47 Aldus zat er voor [E] niets anders op dan in de jaarrekening 2008 de daarin weergegeven eindbalans voor 2007 te corrigeren. Als
productie 37wordt de jaarrekening 2008 van [eiseres] overgelegd. Uw Rechtbank dient uit te gaan van de in deze jaarrekening weergegeven nettowinst in 2007 van EUR 1.018.730 en niet van het door [verweerder] gepretendeerde resultaat.”
In rov. 3.13 eerste tussenarrest stelt het hof [eiseres] , overeenkomstig haar aanbod, in de gelegenheid te bewijzen, eventueel door middel van een onderzoek door (een) door het hof te benoemen deskundige(n) waarvan het voorschot dan ten laste van [eiseres] zal worden gebracht, “dat [verweerder] de cijfers over 2007 bewust kunstmatig hoog heeft gehouden [met kunstmatig bedoelt het hof, blijkens rov. 3.13, eerste zin eerste tussenarrest: “dus in strijd met de werkelijkheid”, A-G] alsmede de hoogte van het bedrag waarmee de werkelijk gemaakte winst over 2007 aldus is verhoogd.” Een en ander moet worden bezien ook in het licht van ‘s hofs vooropstelling in rov. 3.13, eerste zin eerste tussenarrest dat, indien juist is de stelling van [eiseres] dat [verweerder] bewust de cijfers over 2007 kunstmatig (dus in strijd met de werkelijkheid) hoog heeft gehouden, het dan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij daarvan profiteert “in de zin dat hij (op grond van zijn arbeidsovereenkomst) aanspraak heeft op meer dan 5% van de werkelijk gemaakte winst.” In het tweede tussenarrest komt het hof onder meer tot het bevelen van zo’n onderzoek door een deskundige, ter beantwoording van de vragen (i) of het juist is dat de in de jaarrekening over 2007 vastgestelde winst met een bedrag van € 660.000,-- dient te worden verlaagd, (ii) zo ja, wat daarvan de oorzaak is, en (iii) of de deskundige nog opmerkingen heeft die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn.
De in het tweede tussenarrest benoemde deskundige heeft in eerste instantie “ [eiseres] verzocht om haar stellingen met betrekking tot de onterechte verhoging met € 660.000 van de winst in de jaarrekening over 2007 nader te concretiseren en te onderbouwen met bescheiden die de onterechte verhoging van de winst zouden kunnen verklaren.” [92] Vervolgens is hij “aan de hand van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving met betrekking tot jaarverslaggeving nagegaan of inderdaad sprake is van een onjuiste winst danwel te hoog verantwoorde winst in de jaarrekening 2007.” [93] In zijn conceptdeskundigenbericht van 26 februari 2018 is een door de deskundige berekende verlaging van de winst 2007 opgenomen van € 30.118,--. Beide partijen zijn door de deskundige in de gelegenheid gesteld te reageren op het conceptdeskundigenbericht. De deskundige heeft als volgt opvolging gegeven aan de reactie van [eiseres] op het conceptdeskundigenbericht: [94]
bijlage 7voor de reactie van [eiseres] B.V. In deze bijlage wordt ingegaan op paragraaf 7.4 van het concept deskundigenbericht. In deze paragraaf is onder meer beschreven waarom [eiseres] B.V. onvoldoende heeft gesteld en aangetoond dat op 30 januari 2009 [de datum waarop de jaarrekening 2007 door het bestuur is opgemaakt en door de aandeelhouders is vastgesteld, A-G] duidelijk was dat de vorderingen op [A] Inc. niet konden worden geïnd en dat om die reden geen voorziening oninbaarheid van € 308.000 in de jaarrekening 2007 behoefde te worden verwerkt. Daarbij was voorts opgemerkt dat een voorziening voor oninbaarheid in de jaarrekening 2008 dient te worden verantwoord.
bijlage 7en met inachtneming van de antwoorden van 2 maart 2018 van [verweerder] , concludeer ik dat er voldoende informatie was op basis waarvan de directie van [eiseres] B.V. inderdaad op 30 januari 2009 op de hoogte moet zijn geweest van het onvermogen van [A] Inc. om de openstaande facturen van [eiseres] B.V. te betalen. Als voorbeeld hiervan verwijs ik naar e-mailverkeer in Annex van
bijlage 7[dat betreft de e-mail van Martin Diederichs van 15 september 2008, die in cc aan [verweerder] is verzonden, en waaruit het hof in rov. 2.9 eindarrest citeert, A-G]. Daarin is zichtbaar dat de heer Diederichs van de [betrokkene 1] organisatie op 15 september 2008 aan de belastingadviseur van [A] Inc., de heer Bill Westland, een e-mail stuurt in cc aan [verweerder] , waarin wordt aangegeven dat [A] Inc. geen middelen heeft om betalingen te doen. Naast dit concrete voorbeeld voert [eiseres] B.V. naar mijn mening ook overigens alsnog voldoende onderbouwde argumenten aan om te veronderstellen dat [verweerder] op 30 januari 2009 op de hoogte moet zijn geweest van het onvermogen van [A] Inc. om facturen aan [eiseres] B.V. te betalen. Ik baseer dit op het door [eiseres] B.V. overlegde e-mailverkeer waaruit blijkt dat dit e-mailverkeer vóór 30 januari 2009 heeft plaatsgevonden en [verweerder] zelf de e-mail heeft gezonden, al dan niet door middel van doorsturen van de oorspronkelijke e-mail van een derde, ontvanger is van de e-mail, of de e-mail in cc heeft ontvangen.
Onder verwijzing naar de relevante normen zoals beschreven in paragraaf 7.4.4, waarin is aangegeven dat een voorziening wegens oninbaarheid in acht dient te worden genomen indien de noodzaak hiertoe vóór het opmaken van de jaarrekening bekend is geworden, concludeer ik dat ten aanzien van aspect Ad E6 - Betwiste vordering op [A] Inc. een voorziening van € 308.000 had moeten worden gevormd in de jaarrekening 2007.”
[vetgedrukt in origineel, A-G]
Tegen deze achtergrond bezie ik nu ’s hofs oordeel over het deskundigenbericht in rov. 2.6-2.10 eindarrest.
In rov. 2.6 eindarrest constateert het hof dat de door de deskundige berekende verlaging van de winst over 2007 € 259.576,-- bedraagt en wordt, onder verwijzing naar het definitieve deskundigenbericht, weergegeven hoe dat bedrag is opgebouwd. In rov. 2.7 eindarrest geeft het hof een deel van de bezwaren/verweren van [verweerder] c.s. weer, zoals die blijken uit zijn memorie na enquête tevens houdende akte uitlating deskundigenbericht. [98] In rov. 2.8 eindarrest geeft het hof, onder verwijzing naar het deskundigenbericht, weer op welke wijze de gewraakte verlaging van de winst over 2007 in het definitieve deskundigenbericht, ten opzichte van het conceptdeskundigenbericht, tot stand is gekomen. In rov. 2.9-2.10 eindarrest komt het hof toe aan zijn beoordeling, die neerkomt op het volgende:
De deskundige heeft, conform zijn opdracht, in het deskundigenbericht (uitvoerig weergegeven in rov. 2.6 en 2.8 eindarrest) onder meer een oordeel gegeven over wat de werkelijke winst van [eiseres] over 2007 zou moeten zijn. Het hof neemt in rov. 2.10 eindarrest (volgend op rov. 2.6-2.9 eindarrest) het oordeel van de deskundige, dat de winst over 2007 met een bedrag van € 259.576,-- verlaagd dient te worden, over. Daarmee staat, anders gezegd, vast dat de winst voor een bedrag van € 259.576,-- kunstmatig, dus in strijd met de werkelijkheid, te hoog werd gehouden in de jaarrekening over 2007 (aldus niet de werkelijke winst van [eiseres] over 2007 weergevend). Een andere vraag is of [verweerder] zich ervan bewust was, althans had moeten zijn, dat de in de jaarrekening over 2007 vermelde winst onjuist was. Het hof kan zich voor het oordeel daarover [100] (mede) baseren op feitelijke gegevens uit het deskundigenbericht, waarover partijen zich ook hebben kunnen uitlaten. Dat doet het hof (volgend op rov. 2.6-2.9 eindarrest) in rov. 2.10 eindarrest door te verwijzen naar “het in rov. 2.9 genoemde e-mailverkeer”, waaruit naar het oordeel van het hof blijkt dat [verweerder] (op 30 januari 2009, de datum waarop de jaarrekening door [verweerder] als bestuurder is opgemaakt, zie ook rov. 2.8 eindarrest) zich bewust is geweest, dan wel had moeten zijn, van het feit dat hij door geen voorziening op te nemen de cijfers over 2007 kunstmatig, dus in strijd met de werkelijkheid, hoog hield. Voor de bewustheid waarover het hof zich uitlaat in rov. 2.10 eindarrest (in verbinding met rov. 3.13 eerste tussenarrest) is naar zijn klaarblijkelijke oordeel niet vereist dat [verweerder] zich ervan bewust was, althans had moeten zijn, om welk (totaal)bedrag exact het ging bij de in de jaarrekening over 2007 onjuist vermelde winst of uit welke posten dat bedrag precies bestond, wat naderhand wel is gebleken uit het deskundigbericht. Het springende punt ter zake die bewustheid is in ’s hofs redenering dat [verweerder] zich ervan bewust was, althans had moeten zijn, dat de in de jaarrekening over 2007 vermelde winst onjuist was, wat dus gegeven is met voornoemd oordeel van het hof inzake (de correctie voor) de vordering van [eiseres] op [A] Inc. ad € 308.000,--, welke correctie bovendien veruit de hoofdmoot betreft van de “door deskundige berekende verlaging winst 2007” ad € 259.576,-- (waarover nader rov. 2.6 eindarrest). [101] Voorts is van belang dat uit “het in rov. 2.9 vermelde e-mailverkeer” waarop het hof doelt in rov. 2.10 eindarrest niet slechts blijkt dat [A] Inc. geen liquide middelen had (“no funds”) en om die reden (“therefore”) geen betalingen kon verrichten. Uit de desbetreffende e-mail, waaruit het hof in rov. 2.9 eindarrest citeert, blijkt immers ook dat die vennootschap “suffered severe losses on the project Gary 14 and has no further business.” Dat sprake was van een vennootschap die geen verhaal bood, blijkt ook overigens uit de desbetreffende bijlage 7 bij het deskundigenbericht, waarin onder meer de desbetreffende e-mail, waaruit het hof in rov. 2.9 eindarrest citeert, is opgenomen. Ik verwijs naar die bijlage en het hiervoor weergegeven citaat uit het deskundigenbericht over die bijlage. Uit rov. 2.6-2.10 eindarrest blijkt dat het hof het bezwaar van [verweerder] tegen het deskundigenbericht en ook diens overige verweren naar aanleiding daarvan (en in verband met de bewijsopdracht van [eiseres] ) zoals aangevoerd in de memorie na enquête tevens houdende akte uitlating deskundigenbericht zijdens [verweerder] c.s., onderkent, maar verwerpt [102] (zonder schending van enige rechtsregel en op basis van een daartoe strekkende eigen, goed navolgbare beoordeling, die wordt gestaafd door onderliggende stukken waarnaar het hof daar verwijst), [103] en tevens vaststelt dat geen van partijen ander bezwaren heeft aangevoerd en die het hof ook niet anderszins zijn gebleken. Aldus oordelend in rov. 2.7-2.10 eindarrest, daarbij ook kenbaar op basis van de door partijen aangevoerde stellingen vol toetsend of er aanleiding bestaat van het deskundigenbericht af te wijken (wat dus niet zo is), [104] komt het hof tot de slotsom dat is voldaan aan de door het hof in rov. 3.13 eerste tussenarrest geformuleerde voorwaarden (wat insluit dat [eiseres] is geslaagd in haar bewijsopdracht), in welk verband het hof dus wel degelijk redeneert vanuit, en toetst aan, de drempel die inherent is aan de ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’-maatstaf (vgl. art. 6:2 lid 2 BW Pro en art. 6:248 lid 2 BW Pro) zoals bedoeld in rov. 3.13, eerste alinea eerste tussenarrest en rov. 2.10, derde alinea eindarrest ter bepaling van datgene waarop [verweerder] gegeven de omstandigheden aanspraak kan maken in het kader van de 5%-regeling zoals vervat in zijn arbeidsovereenkomst, waaraan naar de aard (ook) niet afdoet, zoals het hof tevens onderkent in rov. 3.13, eerste alinea eerste tussenarrest en rov. 2.10, derde alinea eindarrest, dat de winst over 2007 “(formeel)” blijft zoals deze is vermeld in de niet-gecorrigeerde jaarrekening over 2007, [105] noch dat “het in rov. 2.9 genoemde e-mailverkeer” zoals bedoeld in rov. 2.10, tweede alinea eindarrest dateert van 2008 en die jaarrekening eerst daarna is opgemaakt (en vastgesteld), in 2009. [106] Bij deze stand van zaken kon het hof dit zo doen, [107] oftewel: is van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering door het hof geen sprake. Op dit een en ander lopen de rechts- en motiveringsklachten in het onderdeel onder 10 t/m 18 vast, ook voor zover deze wel feitelijke grondslag hebben. Daarbij zij wat betreft het deels repeterende betoog in het onderdeel onder 12 t/m 17 omtrent - kort gezegd - de werking van RJ-richtlijnen (222.201 en 160.102) en art. 2:384 lid 2 BW Pro in verbinding met de verwerking van een voorziening oninbaarheid in de jaarrekening nog aangetekend dat, waar in feitelijke instantie geen van partijen (ook [verweerder] niet) een daarop betrekking hebbend bezwaar heeft gericht tegen het deskundigenbericht [108] of anderszins ter zake een contraire stelling heeft ingenomen/verweer heeft gevoerd, en partijen in zoverre dus ook niet kenbaar een andere opvatting waren toegedaan dan de deskundige in het deskundigenbericht, er reeds daarom geen basis aanwezig kan worden geacht voor enig mistasten door het hof in (rov. 3.13 eerste tussenarrest en) rov. 2.9 en 2.10 eindarrest zoals daar bedoeld in het onderdeel, wat geen verdere toelichting behoeft. [109] Hierop stuit het onderdeel af.
De klachten van het onderdeel zijn uitgewerkt onder 19 t/m 22.
Het onderdeel klaagt (
onder 19) dat de rechtbank in rov. 7.4 tweede tussenvonnis aansluiting heeft gezocht bij de vordering van [verweerder] inzake de winstdelingsregeling en dat, nu het hof ten onrechte heeft geoordeeld over de oordelen van de rechtbank dat [verweerder] wel recht had op winstdeling, [110] het hof ook niet had kunnen oordelen dat de lening per direct diende te worden terugbetaald, althans dat niet is gemotiveerd waarom dat wel zou kunnen.
Het onderdeel klaagt verder (
onder 20) dat het hof in rov. 3.14 eerste tussenarrest heeft miskend dat het laten prevaleren van eigen belangen niet een ernstig verwijt en daarmee aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW Pro constitueert, maar louter dat dit een voorshands oordeel daartoe is, waartegen [verweerder] tegenbewijs kan leveren. [111] Voor zover het hof zou hebben bedoeld dat [verweerder] niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs, is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd, althans onbegrijpelijk. Het onderdeel trekt een parallel met rov. 3.8 eerste tussenarrest (terzake van de huurovereenkomsten), waarin [verweerder] wel de gelegenheid wordt geboden tegenbewijs te leveren.
Het onderdeel voegt daar (
onder 21) aan toe dat uit een aantal feiten en omstandigheden met verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken zijdens [verweerder] c.s. [112] blijkt dat [verweerder] tegenbewijs heeft geleverd en dat het hof deze feiten en omstandigheden uitdrukkelijk in zijn oordeel had moeten betrekken. [113] Het onderdeel klaagt ten slotte (
onder 22) dat het oordeel van het hof in rov. 2.13 en dictum eindarrest dat de lening dient te worden terugbetaald onbegrijpelijk is, in het licht van rov. 2.5 eerste tussenarrest, waaruit blijkt dat in art. 3 van Pro de leningovereenkomst, kort gezegd, is bepaald dat de lening niet eerder zal worden afgelost dan op 1 juni 2030 en rov. 3.14 eerste tussenarrest, waaruit volgt dat er (los van rente) geen sprake is van schade zodra [verweerder] de lening heeft terugbetaald. Volgens het onderdeel kan van een verplichting tot schadevergoeding geen sprake zijn, zolang niet is gebleken dat de leningovereenkomst niet is nagekomen en staat vast dat de lening een looptijd heeft tot 2030.
Evenals terzake van het aangaan van de huurovereenkomsten (zie onder 3.3 hiervoor), heeft [eiseres] in haar memorie grieven terzake van het aangaan van de leningovereenkomst [114] drie gronden aangevoerd voor een aan [verweerder] te maken ernstig verwijt: [115]
(…)
21. (…) [verweerder] had snel geld nodig voor de afkoop van zijn alimentatie aan zijn ex-echtgenote, en hij besloot de gelden te onttrekken aan [eiseres] (nog voor het aangaan van de leningovereenkomst (!)). Het belang van [verweerder] liep niet parallel met dat van de vennootschap, en de handeling leidde zelfs tot benadeling van de vennootschap: met ieder ander dan [verweerder] - die het in zijn macht had om het zo te regelen voor zichzelf - zou een lening op deze voorwaarden nimmer tot stand zijn gekomen. Niet alleen was het risico op belangenvermenging reëel onder deze omstandigheden: het heeft zich ook gematerialiseerd.”
Na de overweging “dat [verweerder] het bedrag van de lening reeds aan zichzelf [had] verstrekt voordat de lening “op papier” werd gezet (…)” en een weergave van de voorwaarden van de lening, komt het hof tot de conclusie dat “ [verweerder] als bestuurder op voor [eiseres] onereuze voorwaarden een aanzienlijke lening aan zichzelf in privé [heeft] verstrekt, waarmee hij zichzelf ten detrimente van [eiseres] heeft bevoordeeld” en dat [verweerder] “[e]en verklaring voor deze ongerijmde lening (…) niet [heeft] gegeven.” (zie ook onder 2.12 hiervoor). Op grond hiervan komt het hof tot het oordeel dat [verweerder] als bestuurder van het aangaan van deze lening een ernstig verwijt kan worden gemaakt (wat mede aansluit bij de derde door [eiseres] aangevoerde grond, inzake de onzakelijke voorwaarden waaronder de leningovereenkomst is aangegaan), reden waarom het hof [verweerder] ex art. 2:9 BW Pro gehouden acht tot vergoeding van de als gevolg van deze lening door [eiseres] geleden schade. Uit rov. 3.14 eerste tussenarrest alsmede rov. 2.13 en dictum eindarrest blijkt dat het hof de schade begroot op het geleende bedrag van in totaal € 310.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van uitkering tot aan de dag van de terugbetaling door [verweerder] . De verschillende data waarop de transacties zijn aangegaan, blijken uit de vaststaande feiten: op 28 oktober 2008 een bedrag van € 260.000,-- en op 13 november 2008 een bedrag van € 50.000,-- (zie onder 1.5 hiervoor). [120] [verweerder] is volgens het hof dus vanaf 28 oktober 2008 wettelijke rente verschuldigd over € 260.000,-- en vanaf 13 november 2008 over € 50.000,--, tot aan de dag dat hij deze bedragen heeft terugbetaald.
Daarmee kom ik nu toe aan behandeling van de klachten in randnummers 19 t/m 22.
Voor zover onder 19 wordt voortgebouwd op de onderdelen 1, 2 en 3, [121] deelt de klacht in het lot van die onderdelen (zie onder 3.18, 3.20 en 3.22 hiervoor). Het onderdeel mist ook feitelijke grondslag voor zover (onder 19) wordt geklaagd dat het hof niet motiveert waarom het zou hebben kunnen oordelen dat de lening per direct diende te worden terugbetaald. Het moment waarop de lening door [verweerder] terugbetaald dient te worden, laat het hof in het midden; tot dat moment is [verweerder] wettelijke rente over het openstaande bedrag verschuldigd. De grondslag voor die veroordeling jegens [eiseres] is dus gelegen in art. 2:9 BW Pro, waarover hiervoor.
Het onderdeel mist eveneens feitelijke grondslag voor zover het onder 20-21 ervan uitgaat dat het hof een voorshands oordeel heeft gegeven over een aan [verweerder] te maken ernstig verwijt, waartegen [verweerder] tegenbewijs zou kunnen leveren en heeft geleverd. Het onderdeel gaat daarmee uit van een verkeerde lezing van rov. 3.14 eerste tussenarrest, nu het hof daarin geen voorshands oordeel heeft gegeven, waarmee het beroep op het Hoge Raad-arrest van 29 november 2002 [122] strandt. Het hof was, anders dan het in rov. 3.8 eerste tussenarrest heeft gedaan, ook niet gehouden [verweerder] nog gelegenheid te geven tot het leveren van tegenbewijs. Het onderdeel ziet eraan voorbij dat het hof, gelet op het partijdebat, reeds voldoende grond aanwezig acht (en overigens ook kon achten) om [verweerder] terzake een ernstig verwijt te maken en deswege zijn aansprakelijkheid ex art. 2:9 BW Pro aan te nemen. Met de overweging dat [verweerder] “[e]en verklaring voor deze ongerijmde lening [waarmee hij zichzelf ten detrimente van [eiseres] heeft bevoordeeld, A-G] (…) niet [heeft] gegeven”, brengt het hof tot uitdrukking dat [verweerder] geen verklaring heeft gegeven voor de “onereuze voorwaarden” waaronder hij als bestuurder van [eiseres] de lening aan zichzelf in privé heeft verstrekt. Op het punt van deze “onereuze voorwaarden” heeft [verweerder] , afgezien van een hiervoor geciteerde, niet te begrijpen (blote) stelling in de memorie van antwoord dat de belangen van [verweerder] en [eiseres] parallel liepen en dat het aangaan van de lening “niet ten nadele van de liquiditeit van [eiseres] ” was, geen verweer gevoerd. De feiten en omstandigheden waar het onderdeel zich verder onder 21 op beroept, [123] geven ook geen (afdoende) verklaring voor het aangaan van de lening onder deze voorwaarden. Het hof was dan ook niet gehouden deze feiten en omstandigheden nader in zijn oordeel te betrekken dan het doet met de overweging dat daarmee door [verweerder] geen verklaring voor deze ongerijmde lening is gegeven.
Het onderdeel ziet verder onder 22 eraan voorbij dat het hof geen oordeel geeft over het moment waarop [verweerder] het bedrag van de hoofdsom van de lening van € 310.000,-- dient terug te betalen (en dus ook niet dat de lening niet eerder dan op 1 juni 2030 dient te worden terugbetaald). Het onderdeel gaat in zoverre dus uit van een verkeerde lezing van ’s hofs oordeel en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het oordeel van het hof is ook niet in tegenspraak met een looptijd tot 1 juni 2030 zoals die uit de leningovereenkomst blijkt (zie onder 1.5 hiervoor). Indien [verweerder] niet eerder dan in 2030 de hoofdsom van de lening ad € 310.000,-- zou terugbetalen, dient hij over al die jaren, vanaf 28 oktober 2008 (over € 260.000,--) en vanaf 13 november 2008 (over € 50.000,--) tot 2030, wettelijke rente over de geleende som te betalen. Indien [verweerder] dan “daadwerkelijk het geleende heeft terugbetaald” en “de wettelijke rente vanaf de datum van uitkering van het betrokken bedrag tot aan de dag van de terugbetaling door [verweerder] ” heeft betaald, is er, naar het oordeel van het hof in rov. 3.14 eerste tussenarrest (waarbij het hof dus mede oordeelt dat [verweerder] op grond van art. 2:9 BW Pro gehouden is tot vergoeding van de als gevolg van de desbetreffende lening door [eiseres] geleden schade), wat de hoofdsom betreft “geen sprake” van schade en is de schade die bestaat uit de door [eiseres] “gederfde winst” vergoed door betaling van wettelijke rente over de looptijd van de lening. Indien [verweerder] eerder dan in 2030 overgaat tot terugbetaling van de geleende som aan [eiseres] , is hij over die (tussenliggende) jaren geen wettelijke rente verschuldigd. Het oordeel van het hof is aldus niet onbegrijpelijk. Van een innerlijke tegenstrijdigheid in het oordeel van het hof als door het onderdeel bedoeld, is in werkelijkheid geen sprake.
Hierop stuit het onderdeel af.
onder 23) dat gegrondbevinding van een of meer van de klachten in de vorige onderdelen meebrengt dat ook de voortbouwende overwegingen van het hof in rov. 3.15 en 3.16 eerste tussenarrest, rov. 3.1, 3.3, 3.6 en 4 tweede tussenarrest en rov. 2.13, 2.14, 2.16 en dictum eindarrest niet in stand kunnen blijven.