Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
“indien dat noodzakelijk mocht blijken”.Een eigen beoordeling van de bestuurder was dus vereist. Weliswaar stelt [eiser] dat Geocopter er sinds augustus al beroerd voorstond, maar hij heeft onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat de vennootschap in december 2011 materieel failliet was. Het hof heeft reeds geconstateerd dat gesteld noch gebleken is dat [eiser] navraag heeft gedaan naar de stand van de bankrekening, het betaald zijn van de salarissen en/of de situatie met de mogelijke klant in Brazilië. Door [eiser] is gesteld dat de aanvraag noodzakelijk was geworden vanwege het niet betalen van de salarissen (wat achteraf onjuist bleek) en het feit dat [betrokkene 2] in zijn mail van 22 december 2011 had aangegeven dat er geen geld meer zou komen (wat uiteindelijk toch geredresseerd is, gezien de betaling van 23 december 2011). Ten pleidooie gaf [eiser] aan dat voor hem doorslaggevend was dat [betrokkene 2] in zijn mail van 19 december 2011 aan de notaris opeens stelde dat de nieuwe vennootschap er voorlopig niet zou komen, waardoor hij, zo verklaarde hij, het vertrouwen verloor omdat de participanten hun afspraken niet nakwamen en hij de overtuiging kreeg dat het toch allemaal tot niks zou leiden. Dat uitstel van de oprichting van de nieuwe BV lag naar het oordeel van het hof echter al besloten in het op de AVA van 15 december 2011 besprokene, nu daar immers de beslissing over de nieuwe vennootschap tot de volgende AVA werd uitgesteld, zodat de mail daarover van [betrokkene 2] aan de notaris voor [eiser] toch niet als een verrassing heeft kunnen komen.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
Staleman/Van de Ven-arrest uit 1997 de ernstigverwijtmaatstaf in zijn rechtspraak voor interne bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:9 BW Pro introduceerde [18] , werd in het kader van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 lid 1 BW Pro al gesproken over ernstige verwijtbaarheid. [19] In het
Panmo-arrest uit 2001 [20] en nadien heeft de Hoge Raad voor bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:248 BW Pro vastgehouden aan een eigen criterium, althans niet de ernstigverwijtmaatstaf aanvaard. [21] Als verklaring daarvoor werd genoemd dat de Hoge Raad de eis van ernstige verwijtbaarheid heeft willen reserveren voor de interne bestuurdersaansprakelijkheid van art. 2:9 BW Pro. [22] Nu de ernstigverwijtmaatstaf vervolgens ook is aanvaard voor interne en externe aansprakelijkheid van bestuurders ex art. 6:162 BW Pro heeft die verklaring aan geldingskracht ingeboet.
Panmo-arrest dat daarmee wordt benadrukt dat sprake is van verschillende juridische contexten. [23] In art. 2:9 BW Pro – interne aansprakelijkheid, jegens de vennootschap – draait het in de kern om bescherming van het belang van de vennootschap. Bij art. 2:248 BW Pro – externe aansprakelijkheid jegens de boedel – gaat het om de belangen van de gezamenlijke crediteuren van de gefailleerde vennootschap. Er is bij zowel art. 2:9 BW Pro als art. 2:248 BW Pro sprake van een hoge drempel van aansprakelijkheid voor bestuurders. Door bij art. 2:248 BW Pro vast te houden aan een eigen formulering – de
Panmo-maatstaf in plaats van de ernstigverwijtmaatstaf – wordt benadrukt dat het onbehoorlijk bestuur in de zin van beide wetsbepalingen, los van de hoge drempel voor aansprakelijkheid in beide contexten, niet standaard samenvalt. [24] In de literatuur wordt in dit verband ook door verschillende schrijvers gewezen op het zelfstandige karakter van de art. 2:9 BW Pro-vordering naast de vordering ex art. 2:248 BW Pro. [25]
in de zin van art. 2:9 BW Pro en 2:248 BW(rov. 4.3.4) en dat [eiser] hoofdelijk aansprakelijk is te achten voor het boedeltekort (rov. 4.3.6). De rechtbank lijkt in dit oordeel overigens de stelling van de curator gevolgd te hebben die voor schade heeft volstaan met het vorderen van het boedeltekort. [32] Het boedeltekort in de zin van art. 2:248 lid 1 BW Pro is “het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan.” Voor aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de vennootschap ex art. 2:9 BW Pro wordt echter een ander schadebegrip gehanteerd: “Deze schade dient te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen de daadwerkelijk financiële positie van de rechtspersoon en de financiële positie die de rechtspersoon zou hebben gehad in de hypothetische situatie dat het ernstig verwijtbaar onbehoorlijk bestuur niet zou hebben plaatsgevonden.” [33]
waarvan aan [eiser] een ernstig verwijt kan worden gemaakt.In het commentaar bij deze uitspraak in de literatuur is opgemerkt dat dit oordeel van het hof “strikt genomen niet juist (of nodig) is”:
Panmo-maatstaf heeft verwezen, zolang gelet op de totaliteit van de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden, blijkt dat het hof de juiste (hoge) drempel voor aansprakelijkheid heeft toegepast. [36] Evenmin is bijvoorbeeld bij bestuurdersaansprakelijkheid uit hoofde van art. 6:162 BW Pro vereist dat het hof expliciet de woorden “ernstig verwijt” bezigt, zolang gelet op alle door het hof betrokken omstandigheden van het geval blijkt dat het hof de juiste (zware) maatstaf heeft gehanteerd. [37]
schuldeisersduperen en moet het besef van die benadeling op het moment van het handelen of nalaten bij het bestuur aanwezig zijn geweest. Bij art. 2:9 BW Pro gaat het daarentegen, zoals hiervoor opgemerkt, om interne aansprakelijkheid jegens de
vennootschap.
in de zin van art. 2:248 BW Pro– dient onderscheiden te worden van de vraag of het aanvragen van het eigen faillissement van de vennootschap onder omstandigheden onrechtmatig is
ten opzichte van derden in de zin van art. 6:162 BW Pro. Daarbij kan niet alleen gedacht worden aan de curator optredend namens de gezamenlijke schuldeisers, maar ook aan andere derden. Zo kan sprake zijn van misbruik van faillissementsrecht in arbeidsrechtelijk perspectief. In de rechtspraak van de Hoge Raad is aanvaard dat de bestuurder van een vennootschap onrechtmatig
jegens een werknemervan de vennootschap kan handelen door haar bevoegdheid tot het aanvragen van het eigen faillissement van de vennootschap uit te oefenen voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend, namelijk met als vooropgezet doel bewerkstelligen dat de onderneming feitelijk op de oude voet zou kunnen worden voortgezet zonder de werknemer en zonder dat de werknemer de normale arbeidsrechtelijke bescherming werd geboden. [38] Ik meen dat het door de bestuurder aanvragen van het eigen faillissement van de vennootschap onder omstandigheden eveneens onrechtmatig kan zijn
jegens individuele aandeelhoudersvan de vennootschap. Dit kan het geval zijn als de bestuurder aangifte van faillissement (of aanvraag van surséance tot betaling) doet zonder goedkeuring door de AV van het bestuursbesluit strekkende tot aangifte van faillissement (of aanvraag van surséance tot betaling), welke goedkeuring op grond van de statuten van de vennootschap is vereist. [39]
te veelrisico heeft genomen. De bestuurder kan in de context van art. 2:248 BW Pro aansprakelijk worden gehouden als hij dermate onbehoorlijk (onverantwoordelijk, onbezonnen of roekeloos) heeft gehandeld, waarbij het gewone ondernemersrisico werd overschreden en de bestuurder wist (of kon weten) dat schuldeisers daarvan uiteindelijk de dupe zouden worden. In nr. 3.1 hiervoor wees ik al op het unieke karakter van de onderhavige casus. In deze zaak gaat het om een bestuurder die wordt verweten
te defensiefte hebben gehandeld, door reeds het faillissement van de vennootschap aan te vragen terwijl dat wellicht uiteindelijk vermijdelijk was. In de commentaren op deze uitspraak wordt ook op dit atypische aspect van de casus gewezen. Van Andel merkt in zijn
JOR-noot onder meer op:
dit faillissement op die precieze dagmaar om
een faillissementvan de vennootschap. Anders gezegd: de bestuurder die onbevoegdelijk een faillissement aanvraagt, is niet reeds op die grond aansprakelijk op de voet van art. 2:248 BW Pro indien aannemelijk is dat een faillissement van de vennootschap uiteindelijk toch onvermijdelijk was geweest. De vraag is evenwel wie in dat kader wat dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken. Omdat art. 2:248 lid 2 BW Pro hier toepassing mist, was de curator als eerste aan zet. Ik zou menen dat voor het aannemen van causaal verband voldoende is dat de curator stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat het onbehoorlijk bestuur dit faillissement heeft veroorzaakt – wat in een casus als de onderhavige voor zich spreekt – en dat het vervolgens aan de bestuurder is om het bevrijdend verweer te voeren dat het faillissement ook zonder de onbevoegdelijke aanvraag onvermijdelijk zou zijn geweest. Dat had bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als aannemelijk is dat het uiteindelijk toch niet tot een definitieve order uit Brazilië was gekomen (omdat de potentiële Braziliaanse opdrachtgever kort nadien zelf in financiële problemen kwam te verkeren of om andere redenen). Uit het (niet-gepubliceerde) vonnis in eerste aanleg noch uit het arrest van het hof blijkt echter dat dit verweer gevoerd is [curs. in origineel, A-G].” [41]
Tijdschrift voor Curatorenin vergelijkbare zin over causaal verband op:
ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen. [44] In casu is dat op het moment dat [eiser] de eigen aangifte tot faillietverklaring van Geocopter deed op 27 december 2011. Daarbij kan ook zijn kennis ten tijde van de mondelinge behandeling van de eigen aangifte op 11 januari 2012 (nr. 1.18-1.19 van de feiten) meewegen. Het dient er om te gaan of [eiser] toen over zodanige gegevens beschikte of diende te beschikken dat hij moest begrijpen dat het faillissement voor de schuldeisers van Geopter nadelig was.
collectievematiging (voor het bestuur), terwijl de tweede zin van art. 2:248 lid 4 BW Pro ziet op
individuelematiging (voor een afzonderlijke bestuurder). [45] De matigingsgronden zijn limitatief. [46] De gronden voor collectieve matiging zijn: (i) de aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur; (ii) de andere oorzaken van het faillissement; en (iii) de wijze waarop het faillissement is afgewikkeld. Bij individuele matiging is gedacht aan de situatie dat de tijd gedurende welke de bestuurder in functie is geweest en de periode waarin het onbehoorlijk bestuur plaatsvond elkaar niet of slechts gedeeltelijk overlappen. Die situatie doet zich in de onderhavige casus niet voor, uitsluitend de eerste zin van art. 2:248 lid 4 BW Pro is in casu van toepassing. [eiser] vormt, na het vertrek van [betrokkene 1] (vgl. nr. 1.8), als enig overgebleven bestuurder het bestuur (zie ook rov. 3.4.7 van het bestreden arrest). Van de drie genoemde matigingsgronden in de eerste zin van art. 2:248 lid 4 BW Pro doet de laatste, de wijze waarop het faillissement is afgewikkeld, in casu niet ter zake.
speciesvan de algemene matigingsbevoegdheid van de rechter in de zin van art. 6:109 BW Pro bij wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding. [49] Het
lex specialis-karakter brengt mijns inziens mee dat de rechter het afwijzen van een beroep op matiging op grond van art. 2:248 lid 4 BW Pro iets zwaarder zal moeten motiveren dan in het algemeen is vereist.
JOR-noot onder het bestreden arrest nog op dat de rechtbank het faillissement niet had mogen uitspreken omdat de aanvraag niet voldeed aan het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken (hierna: het Procesreglement). [53] Van Andel baseert die opvatting kennelijk op art. 1.2.2.6, aanhef en sub f, vierde gedachtestreepje van het Procesreglement, dat luidt als volgt:
1.2.2.6 Bijvoeging stukken
die niet ouder mogen zijn dan één maandgevoegd:
- de originele notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders waaruit blijkt van de opdracht van deze vergadering aan het bestuur tot het aanvragen van het faillissement van de vennootschap, als bedoeld in artikel 2:136 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) voor de NV en artikel 2:246 BW Pro voor de BV;
Skipper Club) betoogt, ben ik voorts van mening dat de Panmo-maatstaf niet strenger is dan de ernstigverwijtmaatstaf.
aannemelijkis dat het onbehoorlijk bestuur
eenbelangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. Die speelruimte is echter niet geheel onbegrensd. Indien zoals in het onderhavige geval sprake is van een enkele omstandigheid die (volgens het hof) kwalificeert als onbehoorlijk bestuur en beschouwd kan worden als een voorwaarde voor het faillissement, is dat nog niet voldoende voor het aannemen van een belangrijke oorzaak van het faillissement. Er is voor het vervullen van de tweede voorwaarde van art. 2:248 lid 1 BW Pro meer nodig dan een conditio sine qua non-verband tussen het onbehoorlijk bestuur en het faillissement. [60] De Hoge Raad heeft bevestigd dat voor de vraag of het kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is, onvoldoende is dat een handeling die kennelijk onbehoorlijk bestuur oplevert als een voorwaarde voor het faillissement is te beschouwen. [61] In de onderhavige casus vallen het kennelijk onbehoorlijk bestuur en de faillissementsaanvraag samen. Anders gezegd vormt de faillissementsaanvraag het kennelijk onbehoorlijk bestuur. Daarmee is weliswaar een condicio sine qua non-verband gegeven, maar dat is dus nog niet voldoende voor het kunnen aannemen dat de faillissementsaanvraag een belangrijke oorzaak van het faillissement is. [62] Het hof had mijns inziens niet kunnen volstaan met de overweging dat de “de rechtstreekse oorzaak van het faillissement is gelegen in de aanvraag daarvan door [eiser] ”. Dat betekent dat onderdeel 2.4 slaagt. De overige subonderdelen behoeven geen bespreking meer.