Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelis gericht tegen rov. 5.2 (in samenhang met rov. 5.1 en 4.1 t/m 4.3). In rov. 5.2 overweegt het hof:
tweede onderdeel(randnrs. 2.2-2.2.8) richten zich afwisselend tegen rov. 5.6 over de draagkracht van de man en/of rov. 5.11, waarin het hof oordeelt over de vordering, aangeduid met A, [15] die de vrouw op de man stelt te hebben in verband met de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding. Randnr. 2.2.8 bevat een voortbouwende klacht die gericht is tegen de beslissing van het hof over de vordering aangeduid met C. Het onderdeel bevat rechts- en motiveringsklachten over de wijze waarop het hof al dan niet toepassing heeft gegeven aan art. 843a Rv, 149 Rv, 21 en 22 Rv en het Haviltex-criterium. Ik behandel de klachten overeenkomstig de indeling in het cassatieverzoekschrift naar onderwerp, in de volgorde van deze opsomming. Waar nodig spits ik mijn bespreking toe op het oordeel van het hof over de draagkracht dan wel de vorderingen aangeduid met A of C. Een enkele motiveringsklacht behandel ik bij mijn bespreking van het derde onderdeel, omdat dat onderdeel verwante motiveringsklachten bevat.
[…] / […] [22] blijkt dat een vordering ex art. 843a Rv impliciet
kanworden gedaan. […] had in een akte ter rolle in hoger beroep gesteld van mening te zijn dat […] het vaartijdenboek in het geding diende te brengen. Het hof oordeelde in rov. 3.1:
moetbeschouwen.
NJ1992/724, m.nt. H.J. Snijders (
Boogaard/NVPI), rov. 3.3), zodat dat evenzeer voor een vordering tot inzage moet worden aangenomen. [24]
[…] / […]concludeert dat er kennelijk een vordering op de voet van art. 843a Rv is gedaan, doet vermoeden dat een dergelijke vordering in tamelijk vage woorden kan worden gedaan, en de rechter een dergelijke vordering snel mag, misschien zelfs wel moet, inlezen. Er hoeft kennelijk niet met zoveel woorden een incident te worden ingesteld, aldus Sijmonsma. Hij acht dit prijzenswaardig in het kader van het vinden van de materiële waarheid, maar merkt wel op dat de rechter die in een bepaalde stelling een vordering op de voet van art. 843a Rv leest, wel het beginsel van hoor en wederhoor in acht dient te nemen en de wederpartij die geen reactie heeft gegeven, daartoe expliciet in de gelegenheid moet worden gesteld. [25]
JOL2008/788 ten overvloede op dat de eiser in de betreffende zaak in zijn memorie van grieven niet art. 843a Rv als grondslag voor zijn verzoek tot overlegging van geluidsbanden op het oog heeft gehad. ‘Dat valt mede af te leiden uit de omstandigheid dat hij niet heeft aangeboden om de kosten als bedoeld in art. 843a lid 1 Rv te dragen’, aldus Spier. Uw Raad deed de zaak af met toepassing van art. 81 RO Pro.
PJ2019/56, rov. 3.1 en 4.7; Hof Amsterdam 20 november 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4275,
JIN2019/4, m.nt. L.S. Zomers, rov. 4.3; Hof ’s-Hertogenbosch 11 april 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1364,
RFR2019/99, rov. 4.3 en 5.9. Het hof Leeuwarden (13 januari 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BH2762) refereert in rov. 17 aan een ‘verholen verzoek’ gestoeld op art. 843a Rv, dat het kennelijk desalniettemin als zodanig aanmerkt, maar afwijst. De rechtbank Amsterdam 18 januari 2005,
JBPR2006/56, rov. 3.4-4.5 wees een incidentele vordering bij gebrek aan wettelijke grondslag af, omdat de incidentele conclusie uitdrukkelijk de artikelen 21 en 22 Rv noemde en de bewoordingen van die conclusie en van het petitum op geen enkele manier aansloten op het bepaalde in artikel 843a Rv.
volledigover te leggen, alvorens op deze verzoeken van de vrouw te beslissen.
Deze klacht slaagt dus voor zover die betrekking heeft op het oordeel van het hof over de op het bankafschrift met ‘lening’ aangeduide bedragen van HFL 12.000.- (thans € 5.445,36), € 37.000,- en € 30.000,- (rov. 5.9 vorderingen ‘ad A’, eerste en tweede liggende streepje).