Conclusie
Nummer19/01773
Het cassatieberoep
De zaak
Ambtshalve beoordeling: poging tot deelneming aan een terroristische organisatie strafbaar?
grooming [17] en op de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet Computercriminaliteit III. Daarin wordt ervan uitgegaan dat met de zelfstandige strafbaarstelling van
groomingals bedoeld in art. 248e Sr, dat het karakter van een voorbereidingshandeling heeft, [18] poging tot dat misdrijf eveneens strafbaar is. [19] De Hoge Raad heeft in deze lijn geoordeeld dat poging tot het misdrijf van art. 248e Sr strafbaar is. [20] Daartoe overwoog hij dat uit de memorie van toelichting bij de Rijkswet tot goedkeuring van het Verdrag van Lanzarote blijkt dat Nederland geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zich overeenkomstig art. 24, derde lid, Verdrag van Lanzarote het recht voor te behouden om de poging tot het plegen van de in art. 23 van Pro dat Verdrag omschreven gedragingen niet strafbaar te stellen. In art. 248e Sr is ook niet bepaald dat poging tot dit misdrijf niet strafbaar is, terwijl de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling evenmin blijk geeft van de opvatting dat poging tot
groomingniet strafbaar zou zijn. [21]
De middelen
eerste middelhoudt in dat de bewezen verklaarde poging tot deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid en niet begrijpelijk is gemotiveerd.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden heeft bevolen, terwijl het hof niet begrijpelijk heeft gemotiveerd dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
derde middelbehelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.