Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
(feit 1, feit 2 primair I)
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beslissing
11 juni 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld wegens het voorbereiden en bevorderen van terroristische misdrijven, waaronder brandstichting, moord en doodslag, gepleegd met terroristisch oogmerk. Het hof stelde vast dat verdachte en een medeverdachte plannen hadden om naar Syrië te reizen en zich aan te sluiten bij jihadistische organisaties zoals Jabhat al-Nusra en IS.
Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder chatberichten, verklaringen van deskundigen en het feit dat de verdachte zich had laten informeren over reisroutes en praktische voorbereidingen voor het vertrek naar het strijdgebied. De verdediging voerde aan dat de verdachte geen terroristisch oogmerk had en dat hij slechts een transportonderneming wilde opzetten, maar dit werd door het hof niet aannemelijk geacht.
De Hoge Raad bevestigde dat voor een bewezenverklaring van voorbereiding of bevordering van terroristische misdrijven het oogmerk op het voorbereiden of bevorderen van die misdrijven voldoende is, zonder dat een nadere concretisering naar tijd, plaats en wijze vereist is. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven met terroristisch oogmerk wordt bevestigd.