ECLI:NL:PHR:2016:546

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2016
Publicatiedatum
28 juni 2016
Zaaknummer
15/00083
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f.5 SrArt. 24c SrArt. 57 SrArt. 60a SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens medeplegen vervaardiging en bevestiging explosief met ernstig letsel tot gevolg

In de zaak gaat het om twee verdachten die op 23 oktober 2011 een zelfgemaakte vuurwerkbom aan een flitspaal in Voorschoten bevestigden. Tijdens de ontmanteling explodeerde het explosief, waarbij twee medewerkers van de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) en een medewerker van de Forensische Opsporing ernstig letsel opliepen.

De Hoge Raad bevestigt het causaal verband tussen het handelen van de verdachten en het letsel, ondanks onvolkomenheden in de ontmanteling. Het hof oordeelde dat het opzet van de verdachten zich richtte op het teweegbrengen van een ontploffing, waarbij het voorzienbare gevaar voor levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel niet vereist is dat de dader dit zelf heeft voorzien.

De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor wat betreft de straf en de duur van de vervangende hechtenis, omdat deze laatste ten onrechte langer dan het wettelijk maximum van één jaar was opgelegd. De zaak wordt deels vernietigd en de Hoge Raad vermindert de straf en vervangende hechtenis conform de wettelijke bepalingen.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de weigering om het volledige, ongezwarte interne onderzoeksrapport van de EOD toe te voegen aan het dossier niet onrechtmatig was, gezien staatsveiligheidsbelangen. De schadevordering van de benadeelde partij wordt deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard wegens onevenredige belasting van het strafgeding.

De Hoge Raad bevestigt dat het begin van uitvoering van het misdrijf aanwezig was door het bevestigen van het explosief aan de flitspaal en dat het gevaar voor derden voorzienbaar was. De klachten van de verdediging over het ontbreken van het volledige rapport en over de motivering van het hof worden verworpen.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest Hof Den Haag en vermindert vervangende hechtenis tot wettelijk maximum van één jaar.

Conclusie

Nr. 15/00083
Zitting: 5 april 2016
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 19 december 2014 door het gerechtshof Den Haag vrijgesproken van het hem onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair, 3 primair, 3 subsidiair, 3 meer subsidiair en 4 primair ten laste gelegde en is wegens 1 subsidiair, 2 meer subsidiair en 3 meest subsidiair “De eendaadse samenloop van: medeplegen van aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, meermalen gepleegd en medeplegen van aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zodanig letsel bekomt dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden ontstaat”, 4 subsidiair “De eendaadse samenloop van: medeplegen van poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en medeplegen van poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is” en 5. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Er bestaat samenhang met de zaak 15/00033. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte heeft Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, vier middelen van cassatie voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat te Ermelo, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
Ter inleiding het volgende. Het gaat in deze zaak om twee verdachten die in de nacht van 22 op 23 oktober 2011 een door hen gefabriceerd explosief aan een flitspaal te Voorschoten hebben opgehangen. De Explosieven Opruimingsdienst Defensie (hierna: EOD) heeft het projectiel verwijderd en ontmanteld. Bij het ontmantelen is een ontploffing opgetreden en zijn twee medewerkers van de EOD zwaargewond geraakt en tevens heeft een medewerker van de forensische opsporing letsel opgelopen.

6.Bewezenverklaring en bewijsvoering

6.1.
Omwille van de leesbaarheid van deze conclusie zal ik eerst de bewijsvoering weergeven.
6.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. Subsidiair
hij op 23 oktober 2011 te Voorschoten, tezamen en in vereniging met een ander grovelijk, onvoorzichtig een zwaar/zware explosief/bom heeft vervaardigd en vervolgens dit/deze explosief/bom heeft bevestigd aan een zich op de openbare weg bevindende flitspaal en/of dit/deze explosief/bom aldaar heeft achtergelaten, welk(e) explosief/bom vervolgens op enig moment in de directe nabijheid van een persoon, te weten [slachtoffer 1] (een medewerker van de Explosieven Opruimingsdienst), (deels) is geëxplodeerd, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel (te weten een deels weggeslagen (rechter)hand, met blootliggende botten en ernstig letsel aan de weke delen, waardoor een amputatie van de rechteronderarm op 7 centimeter van het gewricht noodzakelijk was, en letsel aan het hoornvlies van het rechteroog met aanzienlijk verlies van gezichtsvermogen heeft bekomen;
2. Meer subsidiair
hij op 23 oktober 2011 te Voorschoten tezamen en in vereniging met een ander grovelijk onvoorzichtig een zwaar/zware explosief/bom heeft vervaardigd en/of vervolgens dit/deze explosief/bom heeft bevestigd aan een zich op de openbare weg bevindende flitspaal en/of dit/deze explosief/bom (aldaar) heeft achtergelaten, welk(e) explosief/bom vervolgens op enig moment in de (directe) nabijheid van een persoon, te weten [slachtoffer 2] (medewerker van de Explosieven Opruimingsdienst), (deels) is geëxplodeerd, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) weggeslagen en beschadigd(e) trommelvlies/ trommelvliezen heeft bekomen;
3. Meest subsidiair
hij op 23 oktober 2011 te Voorschoten tezamen en in vereniging met een ander grovelijk onvoorzichtig een zwaar/zware explosief/bom heeft vervaardigd en vervolgens dit/deze explosief/bom heeft bevestigd aan een zich op de openbare weg bevindende flitspaal en/of dit/deze explosief/bom (aldaar) heeft achtergelaten, welk(e) explosief/bom vervolgens op enig moment in de (directe) nabijheid van een persoon, te weten [slachtoffer 3] (een medewerker van de Forensische Opsporingsdienst van de Politie Hollands Midden), (deels) is geëxplodeerd, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 3] gehoorschade, heeft bekomen, zijnde zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;
4.
Subsidiair
hij op 23 oktober 2011 te Voorschoten tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door hen voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing te weeg te brengen, met dat opzet:
- een metalen pijp heeft dichtgelast en vervolgens
- deze metalen pijp heeft gevuld met flitspoeder (op basis van kaliumperchloraat en aluminium) en vervolgens
- aan deze metalen pijp een lont heeft bevestigd, en
- (aldus) een zwaar explosief of zelfgemaakte bom heeft vervaardigd en vervolgens
- dit/deze explosief of zelfgemaakte bom aan een flitspaal gelegen op de openbare weg, in de middenberm van de Voorschoterweg, nabij de kruising met de Leidseweg, heeft bevestigd,
- en dit/deze explosief/bom aldaar heeft achtergelaten teneinde op een later tijdstip terug te keren om het lont van het/de explosief/zelfgemaakte bom aan te steken,
terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en een of meer ander(en) en gemeen gevaar voor goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
5.
hij op 23 oktober 2011 te Voorschoten, tezamen en in vereniging met een ander een (zelfgemaakt) explosief of zelfgemaakte bom te weten een metalen pijp, gevuld met flitspoeder (op basis van kaliumperchloraat en aluminium), in elk geval een wapen in de zin van de Wet Wapens en Munitie van Categorie II, genoemd onder 7, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van zaken door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad.”
6.3.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 27 november 2014 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven -:
Op 22 oktober 2011 gingen [medeverdachte] en ik naar Hellendoorn. Daar hebben [medeverdachte] en ik gesproken over het plan om de flitspaal op de openbare weg, in de middenberm van de Voorschoterweg, nabij de kruising met de Leidseweg te Voorschoten naar beneden te halen.
Laat in de avond kwamen wij weer terug in de woning van [medeverdachte] . [medeverdachte] is daar aan de slag gegaan om een vuurwerkbom te vervaardigen en ik heb hem daarbij geassisteerd. Wij zijn samen in mijn auto naar de flitspaal gereden. [medeverdachte] heeft daar ’s nachts (het was toen 23 oktober 2011) de bom op de flitspaal geplakt. Wij zijn beiden met de auto teruggegaan, met het idee dat [medeverdachte] later zou terugkeren met de fiets.
Het lont dat aan de bom was bevestigd, had ik daarvoor aan [medeverdachte] gegeven.
Ik heb de bout in de schuur van [medeverdachte] afgezaagd.
Ik heb het trapje vastgehouden waarop [medeverdachte] stond toen hij het explosief aan de flitspaal plakte en reikte hem stukken tape aan.
Ik heb gezien dat [medeverdachte] mijn lont gebruikte. Het is volstrekt oncontroleerbaar wanneer zo’n explosief afgaat met zo’n lont.
Ik wist van tevoren wel dat het explosief krachtig was.
2. De ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 8 november 2012 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven -:
Bij [medeverdachte] thuis heeft hij Cobra’s leeggeschud. Het zou kunnen dat het er acht waren. Het kruit heeft [medeverdachte] in de pijp gegoten. De lont had ik al twee weken daarvoor aan [medeverdachte] gegeven. De lont heeft hij aan de bom bevestigd.
3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de Regiopolitie Hollands-Midden, d.d. 28 oktober 2011, onderzoek 161 Orion, 1ste verhoor verdachte [verdachte] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:
als de op 28 oktober 2011 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van de verdachte (pag. 193-203 TGO 161 Orion Zaaksdossier):
In de auto tijdens de rit van de paal naar huis vroeg ik wat het plan was. Hij [het hof leest: de verdachte [medeverdachte] ] zei dat hij later terug wilde gaan om dat ding af te steken. Ik zei toen tegen hem dat dat hartstikke gevaarlijk was, omdat dat ding onbeheerd achter zou blijven. Ik vond dat niets. Dadelijk zou er wat gebeuren, iemand zou dat ding vast kunnen pakken. Niemand weet wat het is.
4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de Regiopolitie Hollands-Midden, d.d. 30 oktober 2011, onderzoek 161 Orion, 3de verhoor verdachte [verdachte] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:
als de op 30 oktober 2011 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van de verdachte (pag. 217-222 TGO 161 Orion Zaaksdossier):
Toen ik met [medeverdachte] [het hof leest: de verdachte [medeverdachte] ] naar die flitspaal liep, kwamen er wel meerdere auto’s langs. We zijn in de middenberm gaan wachten.
Als de bom aan die flitspaal was aangestoken en was geëxplodeerd, denk ik wel dat er scherven her en der wegspringen. Staalsplinters. Ik denk wel dat de scherven dwars door een auto heen gaan of in de auto blijven steken.
5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de Politieregio Hollands-Midden, d.d. 3 november 2011, met proces-verbaalnummer PL1640/2011160765. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:
als de op 2 november 2011 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [medeverdachte] (pag. 101-129 TGO 161 Orion Zaaksdossier):
Die 22 oktober 2011 op 23 oktober 2011 hebben [verdachte] en ik dat ding gemaakt en opgehangen. Toen ik terugfietste om hem aan te steken, stond er een auto bij. Ik ben toen weggefietst.
Wij zijn op 22 oktober 2011 naar Hellendoorn geweest. Ik denk dat wij omstreeks 24.00 uur weer terug waren in Voorschoten. Toen ik thuis was, zijn [verdachte] en ik dat ding gedurende de avond gaan maken.
Het idee om de flitspaal op te blazen speelde al wat langer. Wij besloten ’s avonds naar de flitspaal toe te gaan. We zijn erheen gereden met [verdachte] ’s auto.
[verdachte] vond het een mooi plan.
[verdachte] en ik namen dat ding, ducttape en een keukentrapje mee naar de flitspaal. Die trap en tape kwamen bij mij vandaan.
Ik had dat ding vast en [verdachte] dat trapje. Ik ben erop gaan staan en [verdachte] hield die trap vast. Ik heb dat explosief toen aan de paal bevestigd met dat plakband.
Ik wilde het explosief met een aansteker aansteken. Er zat een lont aan. Wij gebruikten een lang lont, omdat het dan eventjes duurt totdat het afgaat. Ik moest de tijd hebben om weg te gaan.
Het explosief was zelfgemaakt. Een metalen ding. Een ronde buis die dichtgemaakt was. Kruit in een dicht ding met een lontje. Je maakt eerst dat ding en als het uitgegloeid is, kan het kruit erin en dan een flinke klodder vet erop en de bout erin. Als het metaal op metaal wrijving geeft, dan kan dat fout gaan.
[verdachte] en ik samen hebben het explosief die avond gemaakt. Wij hebben zo’n acht Cobra’s in die buis gedaan.
Dat lont kwam van [verdachte] . Het explosief is bij mij binnen gemaakt. Het lassen in de schuur en het vullen in mijn huis.
Toen het explosief was geplaatst, gingen wij weg. Ik zou dan later teruggaan op de fiets. Met een fiets ben je zo weer weg.
Toen ik terug kwam bij de flitspaal, zag ik daar een auto met van die oranje lampen. Ik dacht toen: dat zal wel een politieauto zijn. Ik ben toen weer omgefietst en weggegaan. Op de vraag waarom ik toen niet naar de politieagenten ben toe gegaan om hen ervan in kennis te stellen dat dit mogelijk een zwaar explosief was en dat dit mogelijk kon ontploffen, antwoord ik: Ja, wat denk je zelf. Jongens neem mij maar mee voor de komende tien jaar?
Ik heb de pijpbom dichtgedraaid. Ik heb de bout op het explosief geplaatst nadat wij het kruit erin hadden gedaan, door deze erin te draaien met vet, met de hand. Om de bout erop te krijgen heb ik geen kracht nodig gehad. Als je kracht gaat zetten, heb je kans op wrijving en dat die klapt.
6. Het proces-verbaal van verhoor getuige van de politie Hollands-Midden, district Leiden en omstreken, team Leiden-Zuid, d.d. 23 oktober 2011, met proces-verbaalnummer PL1643 2011160765-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:
als de op 23 oktober 2011 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 1] (pag. 354-358 TGO 161 Orion Zaaksdossier):
Vannacht, 23 oktober 2011, reed ik rond 03.10 uur langs de flitspaal. Ik kwam uit Leiden en reed richting Voorschoten. Ik zag twee mannen staan op de kruising van de Voorschoterweg met de Leidseweg in Voorschoten. Ik zag dat die mannen op de middenberm stonden.
Ik zie dat ik de politie gebeld heb om 03.23 uur. Ik reed terug en kwam weer langs het kruispunt van de Voorschoterweg en de Leidseweg. Beide mannen stonden nu bij de flitspaal. Ik zag een soort keukentrapje. De man met de grijze sweater stond op de trap bovenop de boog. De andere man hield de trap vast.
Er reden meerdere auto’s op de terugweg, een stuk of vier à vijf.
7. Het proces-verbaal van verhoor getuige van de politie Hollands-Midden, divisie regionale opsporing, tactische opsporing, d.d. 23 oktober 2011, met proces-verbaalnummer PL1609 2011160765-22. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:
als de op 23 oktober 2011 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 2] (pag. 406-408 TGO 161 Orion Zaaksdossier):
Afgelopen nacht, 23 oktober 2011, heeft [getuige 1] mij naar huis gebracht. Dat was na 3.00 uur. We draaiden de Voorschoterweg op. Op een gegeven moment heet deze weg de Leidseweg.
Toen we langs de flitspaal reden, zag ik dat er twee mannen in de middenberm stonden.
Ik zag toen dat er een taxi uit de tegengestelde richting kwam. Toen we verder reden op de Leidseweg, sloegen we linksaf. We moesten voorrang verlenen aan een tegemoet komende auto.
8. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands-Midden, district Leiden en omstreken, team Leiden-Zuid, d.d. 23 oktober 2011, met proces-verbaalnummer PL1643 2011160765-13. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:
als relaas van een opsporingsambtenaar (pag. 474-475 TGO 161 Orion Zaaksdossier):
Ik was op 23 oktober 2011 op de Voorschoterweg te Voorschoten. Er kwam een man naar mij toe, die verklaarde te zijn: [getuige 3] . Hij verklaarde mij het volgende:
“Ik was in de nacht van zaterdag 22 oktober 2011 op zondag 23 oktober 2011 vanuit Voorschoten onderweg naar huis in mijn auto. Ik reed om 03.15 uur op de Leidseweg komende uit de richting van Voorschoten. Ik zag op dat moment twee personen bij de flitspaal op de kruising van de Voorschoterweg en de Leidseweg.
Ik zag een ladder tegen de flitspaal staan. Een persoon stond op de ladder. Ik zag een tweede persoon staan. Deze persoon hield de ladder vast waar de eerste persoon op stond”.
9. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands-Midden, district Leiden en omstreken, team Leiden-Zuid, d.d. 23 oktober 2011, met proces-verbaalnummer PL1643 2011160765-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:
als relaas van opsporingsambtenaren (pag. 469-470 TGO 161 Orion Zaaksdossier):
Op 23 oktober 2011 omstreeks 03.30 uur hoorden we dat er op de Voorschoterweg te Voorschoten een voorwerp was aangetroffen dat vermoedelijk een explosief zou zijn. Beiden gingen we ter plaatse. Daar zagen we een zogenaamde flitspaal staan waaraan een voorwerp was vastgeplakt. We overlegden of we dit voorwerp zelf zouden verwijderen. De commandant van het E.O.C. [het hof leest: de EOD], [slachtoffer 2], adviseerde het voorwerp te behandelen als een gevaarlijk explosief. We kregen het advies om de plek ruimschoots af te zetten. We zetten met afzetlint een straal van honderd meter af.
Inmiddels was het E.O.C. ter plaatse gebracht.
10. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden, district Leiden en omstreken, team Leiden-Noord, d.d. 23 oktober 2011, met proces-verbaalnummer PL1641 2011160765-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –
als relaas van opsporingsambtenaren (pag. 471-473 TGO 161 Orion Zaaksdossier):
Op 23 oktober 2011, omstreeks 07.10 uur, kwamen wij, verbalisanten, aan op de kruising van de Voorschoterweg met de Leidseweg. Aldaar was de nachtdienst belast met een aantal afzettingen in verband met een aangetroffen explosief op een flitspaal op de voornoemde kruising. Drie medewerkers van het Explosief Opruimings Commando en een medewerker van de Forensische Opsporing waren op dat moment bezig het explosief te ontmantelen en klaar te maken voor transport.
Net op het moment dat wij terug wilden lopen naar ons surveillancevoertuig, zagen wij een enorme lichtflits. Deze flits werd gevolgd door een enorme knal. Vervolgens zagen wij een enorme witkleurige rookpluim vanaf de plaats waar de medewerkers van het Explosief Opruimings Commando hadden gestaan, vandaan komen. Kort hierop hoorden wij iemand enorm krijsen. Hierop zijn wij meteen naar de plaats gerend waar de explosie vandaan was gekomen. Aldaar aangekomen zagen wij drie personen op de grond liggen. Twee van hen lagen op het asfalt van de weg en de derde persoon lag in de middenberm. Wij zagen dat dit één van de medewerkers van het Explosief Opruimings Commando was. Wij zagen dat de rechterhand van deze persoon bijna geheel van zijn arm was geslagen. De rechterhand dan wel een gedeelte dat nog over was van zijn rechterhand, hing aan een stuk vel aan zijn onderarm. De rechterhand zelf miste een aantal vingers en was behoorlijk beschadigd. Tevens zagen wij dat beide ogen van deze persoon opgezwollen waren en vol bloed en metaalsplinters zaten. Genoemd persoon antwoordde dat hij [slachtoffer 1] heette. [slachtoffer 1] klaagde over hevige pijn in zijn rechterhand en aan zijn rechterknie. Tevens zei [slachtoffer 1] dat hij niets meer zag en dat hij last van zijn oren had.
Wij hoorden [slachtoffer 1] zeggen dat de ontsteking inmiddels al uit het explosief was verwijderd en dat hij bezig was het kruitachtige poeder uit de staaf aan het leegschudden was. [slachtoffer 1] vertelde dat bijna al het poeder uit de staaf door hem verwijderd was toen het plotseling in zijn hand explodeerde.
Gewond: [slachtoffer 1]
Gewond: [slachtoffer 2]
Gewond: [slachtoffer 3] .
11. Het proces-verbaal van verhoor getuige van de regiopolitie Hollands-Midden, d.d. 3 november 2011, onderzoek 161Orion. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:
als de op 3 november 2011 tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] (pag. 437-444 TGO 161 Orion Zaaksdossier):
Mijn verwondingen zijn dat het trommelvlies aan mijn linkeroor helemaal weg is en daaraan moet ik geopereerd worden. Mijn rechteroor heeft nog een kwart trommelvlies en daarvan verwachten ze dat dit natuurlijk zal herstellen. Afgelopen donderdag heb ik een ogentest gehad en dat was nu weer helemaal goed. Ik had last van mijn ogen. Het was alsof er grind in mijn ogen werd gegooid en er vervolgens op mijn ogen werd getapdanst. In het ziekenhuis zijn er kruitresten uit mijn oog verwijderd en later ook uit de rest van mijn gezicht.
Binnen de Explosieven Opruimingsdienst (verder EOD) ben ik werkzaam als ploegcommandant.
Op 23 oktober 2011 vertelde [slachtoffer 1] [het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ] mij dat er een IED (improvised explosive device) op een flitspaal in Voorschoten was gebonden. De IED was vastgetapet op een flitspaal.
Ik heb de IED losgesneden en op de tevoren afgesproken plek neergelegd. Mijn volgende stap was het lont te scheiden van de hoofdlading. Ik trok het lont zachtjes uit de behuizing. Het lont had een lengte van 1 meter en 9 cm. Op dat moment is het ontstekingsmiddel van de lading gescheiden.
Ik heb de behuizing op de grond gelegd. Alles had ik op een vuilniszak gelegd die ik van tevoren al op de weg had klaargelegd. Omdat alle componenten gescheiden waren, ben ik eerst met [slachtoffer 1] naar voren gelopen. Wij stonden daar zonder beschermende kleding.
Toen [slachtoffer 1] mij het NFI-kistje en het monsterpotje had gebracht, kwam ook de man van de FO mee die daar diverse foto’s heeft gemaakt. Vervolgens heb ik een monster vanuit de hoofdlading in het monsterpotje gedaan. Omdat ik het NFI-kistje niet open kreeg, vroeg ik aan [slachtoffer 1] of hij de hoofdlading vervoersveilig wilde verpakken.
12. Het proces-verbaal van verhoor getuige van de Koninklijke Marechaussee, District West, Brigade Recherche & Informatie, Onderzoek Orion, d.d. 10 november 2011. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:
als de op 10 november 2011 tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [getuige 4] (pag. 445-448 TGO 161 Orion Zaaksdossier):
Op 23 oktober 2011 arriveerden wij in Voorschoten.
Ik zag dat [slachtoffer 2] [het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ] het object van de flitspaal verwijderde en op het wegdek neerlegde.
[slachtoffer 2] heeft het object in losse componenten uiteen gehaald en de losse componenten op de vuilniszak gelegd.
Op een gegeven moment hoorde ik een zware explosie.
Ik zag dat er drie gewonden waren, namelijk de TR rechercheur, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] [het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ].
Ik rende naar [slachtoffer 1] en zag direct dat het met zijn rechteronderarm/-hand zeer slecht gesteld was. Ik zag dat [slachtoffer 2] aangezichtsletsel had.
13. Het proces-verbaal van aangifte van de politie Hollands-Midden, district Duin- en Bollenstreek, team opsporing, d.d. 7 november 2011, met proces-verbaalnummer PL1610 2011168925-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:
als de op 7 november 2011 tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [slachtoffer 3] (pag. 36-38 TGO 161 Orion Zaaksdossier):
Ik ben werkzaam bij de forensische opsporing van de politie Hollands Midden.
Op 23 oktober 2011 omstreeks 05.30 uur werd ik in kennis gesteld van het aantreffen van een explosief op een flitspaal te Voorschoten.
Ter plaatse bleek dat op de Voorschoterweg, nabij de kruising met de Leidseweg, op een flitspaal een explosief was aangebracht. Personeel van de EOD was op dat moment nog bezig met het onschadelijk maken van het explosief.
Ik kreeg van een personeelslid van de EOD toestemming om de plaats waar het explosief lag te benaderen om sporen veilig te stellen.
Omdat de EOD een monster van de kruitlading wilde veiligstellen, werd in een glazen potje een hoeveelheid kruit opgevangen. Vervolgens werd door hun besloten om de kruitlading uit de metalen pijp te verwijderen. Ik heb een plastic zak uit mijn auto gehaald waarin het kruit werd opgevangen. Ik zag dat de medewerker de pijp met de vulopening naar beneden in de plastic zak hield, zodat het kruit in de zak werd opgevangen.
Ik ben naar het midden van het wegdek gelopen, vermoedelijk om nog een overzichtsfoto te maken. Op het moment dat ik mij omdraaide in de richting van de medewerker van de EOD die het kruit aan het verwijderen was, volgde er een enorme explosie. Ik zag een grote vuurbal en hoorde een enorme knal. Ik voelde een drukgolf op mijn lichaam.
In de loop van de dag zijn mijn ogen onderzocht. Bij dit onderzoek bleek dat ik lichte schaafwondjes had op het netvlies van mijn ogen. Omdat ik last had van oorsuizen zijn mijn oren onderzocht. Op 23 oktober 2011 werd ik ontslagen uit het ziekenhuis. Tot en met 30 oktober 2011 ben ik thuis geweest. Op 31 oktober ben ik weer aan het werk gegaan.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
14. Het proces-verbaal van verhoor getuige van de politieregio Hollands-Midden, onderzoek 161Orion, d.d. 26 januari 2012. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:
als de op 11 januari 2012 tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] (pag. 553-569 TGO 161 Orion Procesdossier Aanvullend zaaksdossier):
Het zichtbare van de lichamelijke schade die ik als gevolg van de explosie heb opgelopen is mijn hand, die is eraf. Daarnaast mijn ogen. Mijn rechteroog is geopereerd. Het hoornvlies was als een bananenschil uit elkaar gereten. Die hebben ze op achttien plekken gehecht. Maar er loopt een hechting door mijn pupil heen, vandaar dat ik maar maximaal 25% zicht kan krijgen. In mijn linkeroog was het zicht naar 80% gezakt, maar die klimt langzaam weer naar voren. Ik kan in mijn ogen geen licht verdragen. Ik heb ook letsel opgelopen als gevolg van de kracht die vrij is gekomen bij de explosie.
Ik ben ploegcommandant bij de EODD en ingedeeld bij het IED-peloton.
Omstreeks 04.15 uur ging de telefoon en kwam de melding van de politie Hollands Midden dat er een verdacht pakket op een flitspaal was gezien en dat er twee jongens met een trapje bij de flitspaal stonden.
Ik was tweede man. [slachtoffer 2] [het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ] heeft de eerste benadering gemaakt in zijn bompak. Hij heeft foto’s gemaakt van het IED op de paal, is teruggekomen en heeft met mij overlegd wat te doen. Er kwam een lont uit van 109 cm lengte. [slachtoffer 2] heeft het pakketje losgesneden van de flitspaal en in bompak eraf gehaald en op de weg neergelegd. Vervolgens heeft hij röntgenfoto’s gemaakt om te kijken wat er in de pijpbom zat. Maar toen zagen we nog niks en toen zei ik tegen [slachtoffer 2] : “Ik denk dat het helemaal volgestopt zit met kruit en dat er verder niets in zit”. Op een gegeven moment waren we door de pijp heen en zagen we geen componenten zitten. [slachtoffer 2] zei toen dat hij een handopening zou gaan doen.
Uiteindelijk lag het IED bloot. In dit geval zat er alleen kruit in. De handopening was snijden, losmaken, ontleden en openen.
[slachtoffer 2] is naar voren gegaan en die heeft het kruit in een forensisch tasje leeggeschud.
Het kruit is allemaal uit de pijp gehaald. De ontsteker en het lont zijn ook verwijderd. [slachtoffer 2] zei: “Ga even naar voren, kijk of die goed leeg is”. Dan ben je zelf een beetje aan het bewegen met die pijp en dan komt er toch wel wat uit. Toen kwam er toch nog wel kruit uit. Er zat geen ontsteker meer in, dus je gaat een beetje op en neer met die pijp en boven die zak komt er nog wat uit.
Ik ging de pijp overdragen aan de politie. Uiteindelijk wil de politie het hebben voor sporen.
[slachtoffer 2] was bezig de samples te verpakken voor de politie.
De kistjes worden verzegeld door de politieagent ter plaatse. Wij mogen het als enige vervoeren en naar onze bunker brengen en van daaruit gaat het naar het NFI.
Ik weet nog, toen ik het in mijn hand had… Toen schudde ik en kwam er inderdaad nog meer kruit uit lopen. Ik kreeg toen van de FO’er een ander zakje en toen was ik aan het schudden en voor mijn gevoel kwam er best nog wat kruit uit. Toen zei die: “Ik maak ook nog een foto” en dat was mijn laatste moment. Ik had het IED vast bij het gelaste gedeelte. Ik voelde die pijp.
15. Een geschrift, zijnde een medische verklaring van het Leids Universitair Medisch Centrum, opgemaakt door drs. M.B. de Jong, chirurg, inhoudende medische informatie/ letselbeschrijving betreffende [slachtoffer 1] , d.d. 8 december 2011. Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - (pag. 34-35 TGO 161 Orion Zaaksdossier):
Op 23 oktober 2011 presenteerde bovengenoemde patiënt zich op onze spoedeisende hulp nadat hij bij het ontmantelen van een bom gewond was geraakt aan zijn rechterarm en oog.
Uitwendig waargenomen letsel:
Deels weggeslagen rechterhand met blootliggende botten tot aan distale eenderde van de onderarm, 2 vingers worden separaat aangeleverd.
Overige van belang zijnde informatie:
Gezien het ernstige weke delen letsel en de afwezigheid van grote stukken waren er geen reconstructiemogelijkheden meer. Daarom werd besloten de onderarm op 7 cm. van het gewricht te amputeren.
16. Een geschrift, zijnde een medische verklaring van het Militair Revalidatie Centrum Aardenburg, opgemaakt door de kolonel-arts A. van der Meer, revalidatiearts, inhoudende medische informatie/ letselbeschrijving betreffende [slachtoffer 1] . Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:
Op 28 november 2011 zag ik bovengenoemde patiënt.
Reden van verwijzing: traumatische amputatie van rechterhand.
Anamnese: op 23 oktober 2011 explodeerde een bom die betrokkene en zijn collega aan het ontmantelen waren. In het LUMC heeft men nog geprobeerd de rechterhand te reconstrueren, maar een amputatie was onvermijdelijk. Naast zijn rechterhand was er ook oogletsel.
Conclusie: traumatische onderarm amputatie rechts en oogletsel na explosietrauma d.d. 23 oktober 2011.
17. Een geschrift, zijnde een medische verklaring van het Leids Universitair Medisch Centrum, opgemaakt door drs. P.A. van Luijt, chirurg, inhoudende medische informatie/ letselbeschrijving betreffende [slachtoffer 2] , d.d. 9 december 2011. Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - (pag. 570-571 TGO 161 Orion Procesdossier Aanvullend zaaksdossier):
Uitwendig waargenomen letsel: verschroeide wenkbrauwen, wimpers, hoofdhaar. Schaafwonden ter hoogte van borst en gelaat. Beiderzijds trommelvliesperforatie, met links gehoorverlies. Eerstegraads brandwonden aan de oogleden en bdz cornea erosies.
Datum waarop voorgenoemde persoon werd onderzocht: 23 oktober 2011.
18. Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, met zaaknummer 2011.10.24.156, aanvraagnummers 001 en 002 en politieregistratienummers PL1609 2011160765-24 TGO 161 Orion, d.d. 22 november 2011, opgemaakt en ondertekend door ing. H. Woortmeijer, als deskundige explosies en explosievenonderzoek verbonden aan het NFI. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – (pag. 194-216 TGO 161 Orion Forensisch dossier):
als relaas van deze deskundige:
Ten aanzien van de onderzoeksmaterialen [AACX4735NL en AACX4737NL] werden de volgende vragen gesteld:
Is het aangeboden materiaal een explosieve stof en zo ja, welke stof is het?
Valt de stof onder de Wet wapens en munitie?
Ten aanzien van het onderzoeksmateriaal [AACX4735NL] werden tevens de volgende vragen gesteld:
Zijn er in de buis residuen van explosieve stoffen aanwezig en zo ja, welke stoffen zijn dit geweest?
Kan iets gezegd worden over de uitwerking en gevaarzetting van een intact zijnde IED?
Onderzoeksmateriaal [AACX4735NL] omschreven als ‘Buis (IED)’ betrof een vermoedelijk verzinkte ijzeren koker. Aan één zijde was de koker voorzien van een moer die erop was gelast. Aan de andere zijde was de koker open en was er een metalen constructie met een U-vormige rand opgelast. Tijdens het visuele onderzoek viel er korrelig materiaal uit de metalen koker. Dit materiaal is verzameld voor chemische analyse. Daarnaast is de binnenzijde van de koker bemonsterd.
Onderzoeksmateriaal [AACX4737NL] omschreven als ‘Plakband vanaf de flitskast/buis betrof een grijs ducttape met daaraan verkleefd stukjes lichtgeel papieren tape. Het lichtgele papieren tape betrof drie stukjes over elkaar geplakt tape. Op alle drie de stukjes bevond zich wat grijs materiaal. Het stukje met visueel het meeste grijze materiaal is veiliggesteld voor explosievenonderzoek naar de samenstelling van het grijze materiaal.
In het grijze materiaal op de tape [AACX4737NL] zijn met XRD kaliumperchloraat, aluminium en zinkoxide gemeten. Van kaliumperchloraat zijn mij geen toepassingen bekend in metalen of metaallegeringen, zoals het materiaal van de koker [AACX4735NL]. Wel is het een bekende component van explosieve ladingen, vooral in zogenaamde pyrotechnische stoffen. Wanneer kaliumperchloraat wordt gebruikt in pyrotechnische stoffen fungeert dit als zogenaamde oxidator. Er is dan tevens een zogenaamde reductor (brandstof) nodig. Het eveneens met XRD gemeten aluminium ligt hiervoor het meest voor de hand.
Aangezien het stuk tape zich oorspronkelijk over de pijpopening bevond en er een visueel waarneembare hoeveelheid grijs materiaal op de tape is aangetroffen, ligt het voor de hand dat het grijze materiaal afkomstig is van de oorspronkelijke lading en/of de pijp.
Een pyrotechnische stof is een stof of (meestal) een mengsel van twee of meer stoffen die samen een (explosief) brandbaar materiaal vormen. De mengsels bestaan in ieder geval uit een stof die dient als brandstof (reductor) en een stof die dient als zuurstofleverancier (oxidator). Een voorbeeld van een pyrotechnische stof is aluminium met kaliumperchloraat: flitskruit.
Het voorgaande overziend is er in elk geval een lading aanwezig geweest op basis van kaliumperchloraat en aluminium.
Reconstructie
Op basis van de verkregen informatie en de verkregen digitale foto’s en röntgenfoto’s van de EOD, is te zien dat de oorspronkelijke constructie zowel aan de voorzijde als de achterzijde dicht was.
Op basis van met name de analyseresultaten betrof de lading hoofdzakelijk een flitspoeder op basis van kaliumperchloraat en aluminium.
Uitwerking en gevaarzetting
Indien bij een intacte constructie de explosieve lading tot ontbranding wordt gebracht, zal de metalen constructie door de explosieve verbranding van de lading en de zeer snelle drukopbouw vrijwel zeker verscherven en een zeer luide knal veroorzaken. Hierbij ontstaat gevaar voor ernstig tot dodelijk letsel voor personen in de nabije omgeving (tot circa 10 meter) en ontstaat gevaar voor lichamelijk letsel, zoals oog- en gehoorschade voor personen in de omgeving (tot circa tientallen meters).
In de onderzochte extracten van de onderzoeksmaterialen [AACX4735NL] en [AACX4737NL] zijn ionen aangetoond die vermoedelijk afkomstig zijn van pyrotechnische mengsels op basis van kaliumperchloraat. Het onderzochte grijze materiaal van onderzoeksmateriaal [AACX4737NL] betreft vrijwel zeker een pyrotechnisch mengsel op basis van kaliumperchloraat en aluminium.
Door de toepassing van pyrotechnische stoffen in een metalen koker, zoals gereconstrueerd, waarbij de metalen constructie zal verscherven bij een eventuele explosieve verbranding van de lading in de constructie, is de constructie voorzien van de explosieve lading te plaatsen onder de WWM. Dit wordt mede versterkt door de wijze van aantreffen van de oorspronkelijke constructie, namelijk vastgetaped op een flitskast. Hierdoor is de oorspronkelijke metalen constructie voorzien van de explosieve lading aan te merken als een “voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing” zoals bedoeld in de Wet wapens en munitie in artikel 2, lid 1, categorie II. 7e.
19. Een geschrift, zijnde (de vertaling van) een deskundigenrapport van het Forensic Explosives Laboratory te Kent (Groot-Britannië), met referentie FEL/066/12, betreffende strafrechtelijk onderzoek in de zaak met nummer PL 1620 2011160765 en incidentdatum 23 oktober 2011, ongedateerd, opgemaakt en ondertekend door de deskundige A.M. Mansfield. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven –:
Door het arrondissementsparket te Den Haag werd een verzoek ingediend bij het Forensic Explosives Laboratory om een aanvullend forensisch onderzoek uit te voeren met betrekking tot een incident dat plaats heeft gevonden in Voorschoten op 23 oktober 2011. Een geschreven rapport, gedateerd 22 november 2011, dat door het Nederlands Forensisch Instituut was opgemaakt, werd bij dit laboratorium ontvangen van de Nederlandse politie.
Ik heb het rapport gelezen en ben het eens met de vermelde analyse, bevindingen en conclusies. De resultaten van de chemische analyse tonen aan dat de buis hoogstwaarschijnlijk een potassiumperchloraat bevatte en een op aluminium gebaseerd materiaal dat bekend is als flitspoeder. Flitspoeder is een zeer krachtig laagexplosief materiaal dat snel ontbrandt. Indien flitspoeder bijvoorbeeld in een zware metalen buis wordt gestopt en het wordt aangestoken, zou er een zeer snelle explosieve verbranding plaats kunnen vinden.
Het is mijn ervaring dat wanneer een pyrotechnische samenstelling zoals flitspoeder opgesloten zit in een zwaar metalen buis en wordt ontstoken, het zeer krachtig zal exploderen. Het zou waarschijnlijk zijn dat de metalen buis zou scheuren waarbij fragmenten in het rond zouden vliegen, hetgeen zou resulteren in zware verwondingen of de dood van personen die zich dicht in de buurt zouden bevinden.
20. Een geschrift, zijnde (de vertaling van) een aanvullend deskundigenrapport van het Forensic Explosives Laboratory te Kent (Groot-Britannië), met referentie FEL/066/12 en zaaknummer PL 1620 2011160765 en incidentdatum 23 oktober 2011, d.d. 15 augustus 2012, opgemaakt en ondertekend door de deskundige A.M. Mansfield. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
Het Forensic Explosives Laboratory bereikte een aanvullend verzoek om forensisch onderzoek te verrichten aan de hand van fysieke zaken die ter plekke waren verzameld. Er werden bij dit laboratorium bewijsstukken ontvangen van de Politie Hollands Midden.
AACX4735NL bestaat uit een zilverkleurige metalen buis.
Aan de binnenzijde van de buis bevindt zich een grijskleurig poederachtig residu. Chemische analyse van deze grijskleurige afzetting en van een spoeling met water van de binnenzijde van de buis wijst op de aanwezigheid van chemische stoffen die overeenkomen met een toegepast mengsel van buskruit en flitspoeder. Dit laag-explosieve mengsel is gevoelig voor afgaan als gevolg van een vonk, hitte, een vlam, wrijving en een schok.
Op grond van mijn onderzoek van de ingediende zaken en de informatie verstrekt in de processen-verbaal en de foto’s ben ik van mening dat AACX4735NL bestanddelen bevat van een geïmproviseerde bom, beter bekend als een pijpbom.
Geïmproviseerde bommen zijn van nature gevaarlijk en kunnen zich onvoorspelbaar gedragen. Echter, een pijpbom gevuld met een mengsel van voor handelsdoeleinden vervaardigd buskruit en flitspoeder komt naar mijn mening niet spontaan tot ontsteking. Om af te gaan is er voor een pijpbom van dit type een of andere vorm van fysieke stimulus vereist.
21. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank ’s-Gravenhage, ongedateerd, met parketnummer 09/754219-11. Dit proces-verbaal houdt onder meer in –zakelijk weergegeven-:
als de op 12 april 2012 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van de deskundige M.A.A. Kool:
Ik ben lid geweest van de commissie die het intern onderzoek [het hof begrijpt: bij de EOD] heeft gedaan.
U vraagt mij of ik iets kan zeggen over wat er met zo’n ijzeren pijp gebeurt als zo’n bom tot ontploffing komt. Het is een stalen pijp en in die pijp vindt een verbranding plaats. Er kunnen dan stukken staal door de omgeving vliegen en die kunnen zeer ernstige verwondingen toebrengen aan personen die binnen een straal van 150 meter lopen.”
6.4.
Het hof heeft onder de kop ‘nadere bewijsmotivering’ voorts nog het volgende overwogen:
“Met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 1 subsidiair, 2 meer subsidiair en 3 meest subsidiair ten laste gelegde feiten heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnotities bepleit dat de verdachte van deze ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat weliswaar kan worden gezegd dat de verdachte onvoorzichtig is geweest door de pijpbom achter te laten, maar dat niet gezegd kan worden dat hij de gevolgen van zijn handelen had kunnen en moeten voorzien gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval en de context van het geheel van handelingen en gebeurtenissen die plaatsvonden vooraf en tijdens het ongeval.
Het hof stelt op basis van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Vervaardiging, ontmanteling en explosie van de flitspaalbom
In de nacht van 22 op 23 oktober 2011 hebben de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] een explosief gefabriceerd en aan een flitspaal te Voorschoten opgehangen.
Het vernielen van de flitspaal was de dag tevoren, op 22 oktober 2011, in Hellendoorn ter sprake gekomen. [verdachte] vond het een mooi plan.
[medeverdachte] en [verdachte] hebben het explosief vervolgens samen gemaakt omstreeks middernacht in de woning van [medeverdachte] .
Het explosief werd van een metalen omhulsel voorzien. De pijp werd gevuld met het kruit van ongeveer acht Cobra’s 6. Toen het kruit in de buis zat, draaide [medeverdachte] de bout - die hij eerst met vet ingesmeerd had tegen de wrijving - handmatig in de pijpbom. Daarna bevestigde [medeverdachte] de lont met een lengte van 1 meter en 9 centimeter, die hij veel eerder al van [verdachte] had gekregen, eraan.
Vervolgens reden [medeverdachte] en [verdachte] naar de flitspaal in de auto van [verdachte] . Zij hadden het explosief, ducttape en een keukentrapje uit de woning van [medeverdachte] meegenomen. [medeverdachte] hield het explosief vast en [verdachte] het trapje. [medeverdachte] ging op het trapje staan. [medeverdachte] nam waar dat er zo nu en dan auto’s langsreden. Ook [verdachte] nam waar dat er meerdere auto’s langskwamen. Zij zijn toen in de middenberm gaan wachten. [medeverdachte] heeft het explosief vervolgens aan de flitspaal geplakt met het tape. [verdachte] hield voor hem de trap vast en reikte hem ducttape aan.
De lont werd nog niet aangestoken, omdat [medeverdachte] in zijn eentje op de fiets zou terugkomen om dat te doen. Per fiets kon hij sneller wegkomen. Toen [medeverdachte] [verdachte] vertelde dat hij later terug wilde gaan om het explosief af te steken, zei [verdachte] tegen hem dat het hartstikke gevaarlijk was, omdat het explosief onbeheerd achter zou blijven.
Toen [medeverdachte] terugkwam en een auto met oranje lampen bij de flitspaal zag staan, dacht hij dat het een politieauto was en is hij weggegaan. Omdat hij niet wilde worden meegenomen “voor de komende tien jaar”, heeft [medeverdachte] de politieagenten niet in kennis gesteld van het explosief.
[medeverdachte] en [verdachte] werden opgemerkt door meerdere getuigen, die omstreeks 03.10 uur twee mannen zagen staan bij de flitspaal op de weg van Leiden naar Voorschoten op de kruising van de Voorschoterweg met de Leidseweg in Voorschoten. Waargenomen werd dat één van de mannen een keukentrap vasthield en de andere man bovenop de trapboog stond. Er reden ongeveer vier of vijf auto’s rond het tijdstip op de weg. Eén van de getuigen belde om 03.23 uur de politie.
Omstreeks 03.30 uur kwam de politie ter plaatse. De politieambtenaren besluiten na overleg met de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (hierna: EOD) om het projectiel niet zelf te verwijderen. Op advies van de EOD werd de plek met een straal van honderd meter afgezet. Nadat de EOD ter plaatse was gekomen, werd besloten besloten om het projectiel te ontmantelen.
De ploegcommandant van de EOD, [slachtoffer 2] , heeft daartoe het projectiel van de flitspaal verwijderd en de ontsteking gescheiden van de lading. Hij heeft vervolgens het explosief geopend. Op het moment dat de onderdelen gereed waren om te worden verpakt voor vervoer, was het explosief volgens de ploegcommandant veilig genoeg om door de medewerker van de Forensische Opsporing (hierna: FO), [slachtoffer 3] , te laten bekijken. [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en de tweede man van de EOD, [slachtoffer 1] , liepen daarop naar het explosief om het te bemonsteren. Geen van hen droeg op dat moment nog beschermende kleding.
Er werden monsters van de kruitlading veiliggesteld en de onderdelen van het explosief werden gereed gemaakt voor vervoer. Toen [slachtoffer 1] daarmee bezig was, merkte hij dat er toch nog kruit uit de pijp kwam. [slachtoffer 1] schudde deze kruitresten uit de pijp, welke kruitresten werden opgevangen in een plastic zak. Tijdens dan wel rondom deze laatste handeling vond omstreeks 07.10 uur een explosie plaats. De exacte oorzaak van de explosie is nooit vastgesteld.
Gevolgen van de explosie
Bij de explosie raakten de twee medewerkers van de EOD, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , zwaargewond. De rechterhand van [slachtoffer 1] werd door de explosie deels weggeslagen en hij liep ernstig letsel op aan zijn ogen. [slachtoffer 2] raakte aanvankelijk gewond aan zijn ogen en ernstig gewond aan zijn trommelvliezen. Ook de medewerker van de FO, [slachtoffer 3] , raakte gewond aan zijn ogen en zijn gehoor.
Inhoud en gevaarlijkheid van de bom
Omtrent de inhoud en het gevaar van het explosief is het volgende gebleken.
Het explosief was gevuld met hoofdzakelijk een flitspoeder op basis van kaliumperchloraat en aluminium. Volgens de deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) zou, indien bij een intacte constructie de explosieve lading tot ontbranding wordt gebracht, de metalen constructie door de explosieve verbranding van de lading en de zeer snelle drukopbouw vrijwel zeker verscherven en een zeer luide knal veroorzaken. Hierbij ontstaat gevaar voor ernstig tot dodelijk letsel voor personen in de nabije omgeving tot circa 10 meter en ontstaat gevaar voor lichamelijk letsel zoals oogletsel en gehoorschade in de omgeving tot tientallen meters, aldus het NFI.
Ook de deskundige Kool, lid van de commissie die intern onderzoek bij de EOD heeft gedaan, heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat indien een ijzeren pijp als de onderhavige tot ontploffing zou komen, stukken staal door de omgeving kunnen vliegen, die zeer ernstige verwondingen kunnen toebrengen aan personen die binnen een straal van 150 meter lopen.
In het verlengde van het onderzoek door het NFI is gerapporteerd door het Forensic Explosives Laboratory (hierna: FEL) te Kent (Groot-Britannië). In dit rapport komt naar voren dat de buis hoogstwaarschijnlijk gevuld was met flitspoeder, een zeer krachtig laagexplosief materiaal dat snel ontbrandt. Naar de ervaring van de deskundige Mansfield zal flitspoeder, wanneer dit opgesloten zit in een zwaar metalen buis en wordt ontstoken, zeer krachtig exploderen. Het zou waarschijnlijk zijn dat de metalen buis zou scheuren waarbij fragmenten in het rond zouden vliegen, hetgeen zou resulteren in zware verwondingen of de dood van personen die zich dicht in de buurt zouden bevinden.
In het aanvullend rapport van het FEL komt de deskundige tot de conclusie dat geïmproviseerde bommen van nature gevaarlijk zijn en zich onvoorspelbaar kunnen gedragen. Naar de mening van de deskundige is er voor een pijpbom van dit type echter een vorm van fysieke stimulus vereist om af te gaan. Daarbij valt behalve aan een vonk, vlam of hitte te denken aan een schok of wrijving.
Gevraagd naar de verwachte effecten van hun eigenhandig vervaardigde explosief heeft de verdachte als volgt verklaard.
[verdachte] achtte het onbeheerd achterlaten van het explosief gevaarlijk. “Ik vond dat niets. Dadelijk zou er wat gebeuren, iemand zou dat ding vast kunnen pakken. Niemand weet wat het is”.
Naar zijn inschatting zouden, indien de bom was geëxplodeerd, scherven of staalsplinters wegspringen en zouden de scherven dwars door een auto heen gaan of in de auto blijven steken.
[verdachte] wist dat het explosief krachtig was. Volgens [verdachte] was het volstrekt oncontroleerbaar wanneer de bom met een dergelijk lont zou afgaan.
Causaliteit
Het hof dient te beoordelen of sprake is van causaal verband tussen het handelen van de verdachten en de explosie van hun bom, met de gevolgen die zich daarbij hebben voorgedaan.
In dit kader is van belang of de verdachten door hun handelen dusdanig gevaarzettend hebben gehandeld, dat de gevolgen van de explosie hen redelijkerwijs zijn toe te rekenen.
Daartoe dient in het onderhavige geval te worden beoordeeld of de verdachten hebben kunnen voorzien dat het bevestigen van het explosief van een dergelijk kaliber aan de flitspaal, tot de in casu ingetreden (ernstige) gevolgen zouden kunnen leiden. Is dit het geval, dan is het causale verband tussen het handelen van de verdachten en het (zwaar lichamelijk) letsel als gevolg van de explosie naar het oordeel van het hof gegeven, tenzij de causale keten doorbroken is door onafhankelijk van het handelen van de verdachten bestaande factoren, die een dusdanige invloed hebben gehad op het ontstaan van de explosie met de zich daarbij voorgedane gevolgen, dat deze gevolgen redelijkerwijs niet meer aan de verdachten zijn toe te rekenen.
Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden overweegt het hof het volgende.
Naar het oordeel van het hof hebben de verdachten om te beginnen een cruciaal aandeel gehad in de keten der gebeurtenissen. Indien de verdachten geen bom hadden vervaardigd en aan de flitspaal hadden bevestigd, dan zou de explosie met de daarbij ingetreden gevolgen niet hebben plaatsgevonden.
Deze explosie is, met de zich daarbij voorgedane gevolgen, door de handelingen van de verdachten redelijkerwijs aan de verdachten toe te rekenen. Door immers een zoals hiervoor omschreven gevaarlijk voorwerp op een flitspaal aan de openbare weg, waar nog verkeer reed, te bevestigen terwijl dit voorwerp zichtbaar was voor anderen en vervolgens weg te gaan, was te voorzien dat anderen zich onder de in de bewijsmiddelen beschreven omstandigheden met het explosief zouden gaan bezighouden. De mogelijkheid dat daarbij een fysieke stimulus zou worden uitgeoefend op de bom – waardoor deze tot explosie zou kunnen komen – hadden de verdachten kunnen en moeten voorzien. Zoals hiervoor overwogen heeft [verdachte] dat gevaar ook onderkend en [medeverdachte] daarop gewezen.
Dit leidt tot de conclusie dat een causaal verband kan worden vastgesteld tussen de bevestiging van de bom aan de flitspaal en de ontploffing en de gevolgen daarvan.
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het handelen van EOD bij de ontmanteling van de bom de causaliteitsketen niet doorbreekt.
In dit verband overweegt het hof het volgende.
Door verschillende deskundigen, met name door de Forensic Explosives Laboratory (hierna: FEL) te Kent (Groot-Brittannië) op 16 mei 2012 en op 15 augustus 2012, zijn mogelijke (neven)oorzaken van de ontploffing onderzocht. Zo is onderzoek gedaan naar de mogelijke invloed van een bouwlamp of schijnwerper, een naderbij rijdende auto, het fotograferen, de wijze waarop de explosieve substantie op de plastic zakken is gegoten en de kleding die de betrokkenen ten tijde van de ontmanteling droegen.
Uit geen van de deskundigenonderzoeken is naar voren gekomen dat één van deze factoren, dan wel in combinatie met elkaar, van dusdanige invloed is of zijn geweest dat hieruit de explosie (mede) kan worden verklaard.
Tevens is intern onderzoek verricht bij de EOD naar de gang van zaken tijdens de ontmanteling. Uit dat onderzoek blijken wel onvolkomenheden bij de ontmantelingsprocedure, maar het hof acht niet aannemelijk geworden dat die onvolkomenheden in de ontmantelingsprocedure in zodanig verband met de in casu ingetreden gevolgen staan dat deze de causale keten hebben doorbroken. In dit verband acht het hof mede relevant dat de EOD een professionele organisatie is waarvan de medewerkers er bij uitstek op zullen zijn gericht om bij hun handelen schade en gevaren (ook voor zichzelf) zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken.”

7.Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel

7.1.
Als ik het middel goed begrijp, klaagt het in de kern dat het hof onvoldoende is ingegaan op het verweer dat de verdediging, gelet op het niet volledig ter beschikking stellen van het rapport van de commissie van intern onderzoek d.d. 2 mei 2012 van defensie (verder: het EODD-rapport) onvoldoende gelegenheid heeft gehad om, in het kader van de bewijsvraag, de ketens die hebben geleid tot het ingetreden gevolg te toetsen en aldus te bezien of deze gevolgen redelijkerwijze aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
7.2.
Ten aanzien van het verzoek van de verdediging om het EODD-rapport aan het dossier toe te voegen is de procesgang als volgt geweest. Op de terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2013 heeft de raadsman van de verdachte primair verzocht om verstrekking van het gehele EODD-rapport, subsidiair om inzage in het gehele rapport en meer subsidiair het verstrekken van een gezwarte versie van het rapport. Op de terechtzitting in hoger beroep van 26 juli 2013 heeft het hof het verzoek tot voeging van het EODD-rapport aan de processtukken toegewezen en heeft het de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld het EODD-rapport alsnog aan de processtukken toe te voegen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 mei 2014 volgt dat een gezwarte rapportage commissie van intern onderzoek d.d. 2 mei 2012 is ingekomen en aan het dossier is toegevoegd. Voorts volgt uit voornoemd proces-verbaal dat de verdediging heeft verzocht om de volledige en ongezwarte versie van het EODD-rapport aangezien uit de gezwarte versie omstandigheden blijken die de causaliteitsketen hebben kunnen doorbreken. Te dien aanzien is in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 mei 2014 het navolgende opgenomen:
“Mr. Weski voert hierna het woord. Hij verzoekt om de volledige ongezwarte versie van het rapport van de EODD. (…)
Volgens mr. Weski blijken uit de gezwarte versie van het rapport van de EODD omstandigheden die de causaliteitsketen hebben kunnen doorbreken. De verklaring van [slachtoffer 1] laat bijvoorbeeld in het midden welke handelingen exact tot de explosie hebben geleid, terwijl de verdediging nu juist de mogelijkheid dient te hebben om dergelijke momenten te onderzoeken. Voorts is onduidelijk waardoor de fysieke stimulus is veroorzaakt. In de visie van mr. Weski dienen zijn verzoeken te worden beoordeeld in het licht van het equality of arms-beginsel ex artikel 6 van Pro het EVRM.
(…)
In reactie op de onderzoekswensen van de verdediging deelt de advocaat-generaal het volgende mede:
Ook het openbaar ministerie had graag gezien dat de volledige, ongezwarte versie van het rapport van de EODD aan de processtukken was toegevoegd. Waar echter niets is, verliest de keizer zijn recht. Ik heb zoveel mogelijk getracht te voldoen aan de opdracht van het hof, hetgeen geresulteerd heeft in de stukken die thans ter beschikking zijn gesteld. Mijn bevoegdheden reiken niet zover dat ik het Ministerie kan bevelen het rapport in ongezwarte vorm ter beschikking te stellen. Bovendien heb ik de indruk dat het Ministerie zich co-operatief opstelt en binnen de grenzen van hetgeen verantwoord is zoveel mogelijk heeft prijsgegeven. Of het hof mij nu iets verzoekt of beveelt maakt niet uit; in beide gevallen heb ik alles gedaan wat mogelijk was. De thans beschikbare informatie is in mijn visie voldoende voor de beantwoording van de vragen van 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Mocht het hof een nadere toets wensen van de gezwarte gedeelten uit het EODD-rapport, dan bestaat er wellicht de mogelijkheid om het volledige rapport ter beschikking te stellen aan de landelijke terreurofficier van justitie of de raadsheer-commissaris, opdat deze zich daarover een zelfstandig oordeel kan vormen en daarover in een proces-verbaal verantwoording kan afleggen.
(…)
Op de vraag van de voorzitter wat exact de relatie is tussen het zwarten van bepaalde gedeelten van het EODD-rapport en de staatsveiligheid antwoordt de advocaat-generaal:
Dit punt kan ik niet explicieter toelichten; het ministerie kan daarover simpelweg niet alles prijsgeven. Indien op straat ligt op welke wijze een explosief wordt benaderd, kan men daarmee rekening houden. Het openbaar maken van de werkwijze kan leiden tot schade aan de staat; het kan bijvoorbeeld voor militaire missies worden gebruikt.”
7.3.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 mei 2014 houdt als beslissing van het hof op het door de verdediging gedane verzoek het volgende in:
“Het verzoek om toevoeging aan het procesdossier van het volledige ongezwarte onderzoeksrapport van de EOD
De verdediging heeft gepersisteerd bij het verzoek tot toevoeging aan het dossier van de volledige, ongezwarte Rapportage van de Commissie van Intern Onderzoek d.d. 2 mei 2012 van Defensie (verder: het EODD-rapport).
Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
Bij beslissing van het hof d.d. 26 juli 2013 is de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld het onderzoeksrapport van de EODD alsnog aan het procesdossier toe te voegen. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen:
"Bij de beoordeling van hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd kan van belang zijn of de gevolgen van zijn handelen redelijkerwijs aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Bij de beantwoording van die vraag speelt in de jurisprudentie van de Hoge Raad niet alleen een rol of het handelen van de verdachte in een zogenoemd conditio sine qua non verband met de gevolgen van de explosie van de bom staat, maar ook of een eventueel verband in doorslaggevende mate wordt doorbroken door andere gedragingen.
Op grond van de zich in het dossier bevindende 'appreciatie' (kennelijk) behorend bij het onderhavige EODD-rapport en het verhoor van de getuige Kool bij de rechter-commissaris stelt het hof vast dat er kennelijk onvolkomenheden zijn geweest in de procedure tot ontmanteling van de aangetroffen bom. Dergelijke onvolkomenheden zouden, afhankelijk van hun aard en ernst, van invloed kunnen zijn op het aan de strafrechter voorbehouden oordeel of de verdachte de gevolgen van het exploderen van de bom redelijkerwijs kunnen worden toegerekend. In die zin is kennisname van de inhoud van het EODD-rapport, waarin in ieder geval blijkens de appreciatie een tekortschietende communicatie op een of meer belangrijke punten en het onterecht of voortijdig geven van het sein veilig zijn vastgesteld, relevant voor het beantwoorden van de in de onderhavige strafzaak te stellen bewijsvragen. Een dergelijke beoordeling wordt bemoeilijkt doordat het EODD-rapport, zoals het openbaar ministerie heeft verklaard, is gekwalificeerd als staatsgeheim en vanwege dit karakter buiten het dossier is gelaten. Gelet hierop stelt het hof de advocaat-generaal alsnog in de gelegenheid het rapport in het dossier te voegen".
De advocaat-generaal heeft zich vervolgens tot het ministerie van Defensie gewend, hetgeen heeft geresulteerd in verstrekking van een deels onleesbaar gemaakte (gezwarte) versie van het onderzoeksrapport, inclusief een daarbij behorende toelichtingsbrief d.d. 1 oktober 2013.
Het hof stelt vast dat het betreffende onderzoeksrapport aan het procesdossier is toegevoegd, zij het dat delen daarvan gezwart zijn en dat enkele bijlagen ontbreken. Vlak voor de terechtzitting van 6 mei 2014 heeft het openbaar ministerie de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die als bijlage A bij het rapport horen, ook aan het dossier toegevoegd. Het hof stelt vast dat ook die verklaringen gedeeltelijk gezwart zijn.
Door het ministerie is in de genoemde brief van 1 oktober 2013 toegelicht waarom het rapport deels is gezwart. De brief houdt in dat opzicht de volgende motivering in:
"In het rapport zijn alle passages die betrekking hebben op de werkwijze van de EOD, aanrij tijden, gebruik hulpmiddelen etc onleesbaar gemaakt [...] . De reden voor dit onleesbaar maken is gelegen in het feit dat de werkwijze van de EOD in verband met de Staatsveiligheid en in verband met de veiligheid van de medewerkers van de EOD geheim dient te blijven. Indien de werkwijze van de EOD bekend wordt bestaat de mogelijkheid dat van deze wetenschap misbruik wordt gemaakt".
Ten aanzien van het zwarten van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft het openbaar ministerie in een e-mailbericht aan de verdediging van 2 mei 2013 nog het volgende aangegeven:
"Met betrekking tot het overleggen van de verklaringen van Sergeant majoor [slachtoffer 1] en sergeant majoor [slachtoffer 2] verzet het feit dat deze verklaringen inzicht verschaffen in de werkwijze van de EOD, integrale overlegging hiervan".
Het hof stelt voorop dat artikel 6 van Pro het EVRM meebrengt dat de verdediging zoveel mogelijk in staat dient te worden gesteld om alle mogelijke relevante, ook ontlastende omstandigheden in een strafzaak aan het licht te (doen) brengen en er belang bij heeft dat zulks ook toetsbaar gebeurt; in die zin is het wenselijk dat aan het dossier het complete, ongezwarte rapport wordt toegevoegd. Dit recht is evenwel niet absoluut en dient te worden afgewogen tegen andere belangen, zoals in casu het belang dat informatie die schade kan toebrengen aan de veiligheid van de staat geheim blijft. Bij de beoordeling van de afweging die moet worden gemaakt, gaat het uiteindelijk om de vraag of de procedure in zijn geheel nog als 'fair' kan worden aangemerkt.
In dit verband kan het hof de motivering van het ministerie van Defensie aangaande het zwartmaken van gedeelten van het onderzoeksrapport goed volgen, in die zin dat het voor een effectief functioneren van de EODD (in de eerste plaats het effectief onschadelijk maken van explosieven) en de veiligheid van zijn medewerkers begrijpelijkerwijs van eminent belang is dat de concrete werkwijze van de EODD geheim wordt gehouden, om te voorkomen dat kwaadwillenden op die werkwijze kunnen anticiperen. Duidelijk is dat de algehele openbaarmaking in het kader van deze strafzaak en de verspreiding van dergelijke gevoelige informatie ertoe kan leiden dat zwaarwegende belangen van de staat worden ondermijnd. Daaraan doet naar het oordeel van het hof niet af dat, naar de verdediging heeft gesteld, de EODD het protocol rondom het ruimen van een explosief niet precies heeft vastgesteld. Immers, kennisneming van de werkwijze van de EODD in een concreet geval, zoals kennelijk in het rapport wordt beschreven, kan evenzeer schadelijk zijn voor het opereren van de EODD en de veiligheid van zijn werknemers en in het verlengde daarvan voor de staatsveiligheid.
Het belang van de verdediging bij kennisname van het volledige, ongezwarte onderzoeksrapport van de EODD acht het hof voorts niet zodanig dat de verdachte door het uitblijven daarvan wezenlijk in zijn verdedigingsbelang wordt geschaad, laat staan dat niet langer sprake zou zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. Gelet op de toelichting zijn immers alleen de passages die zien op de werkwijze van de EODD, aanrijtijden, het gebruik van hulpmiddelen e.d. onleesbaar gemaakt. Mogelijke onvolkomenheden in de ontmantelingsprocedure die van invloed kunnen zijn op de vraag of de verdachte de gevolgen van het exploderen van de bom redelijkerwijs kunnen worden toegerekend, zijn - zo begrijpt het hof uit de toelichtingsbrief - mitsdien van dit onleesbaar maken gespaard gebleven. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit de constatering op pagina 15 van het rapport dat het verwijderen met de hand van de bout (waarmee het explosief was afgesloten) als zeer risicovol kan worden aangemerkt. Zulks wordt ook bevestigd door het gegeven dat de beschrijving op pagina 10 van de feitelijke gang van zaken onmiddellijk voorafgaand aan de explosie ongezwart is en kan worden vergeleken met en getoetst aan de eerder in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen van betrokkenen. Ook de conclusies die in hoofdstuk 5 van het rapport betreffende de indirecte/ achterliggende oorzaak van het ongeval worden getrokken, zijn geheel ongezwart. De inhoud van dit hoofdstuk strookt bovendien met de al eerder door het ministerie vrijgegeven en ongezwarte versie van de waardering van het handelen van de EODD (de zogenoemde 'appreciatie' door de commandant van de EODD). Voorts is de verdediging in de procedure bij de rechtbank in de gelegenheid geweest de getuige Kool die deel uitmaakte van commissie die het rapport voorbereidde te horen en heeft de verdediging ook gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ter terechtzitting in eerste aanleg vragen te stellen over de aanloop naar de explosie. Ook overigens vormen de reeds voorhanden zijnde stukken geen aanleiding tot een nadere opdracht tot het overleggen van het ongezwarte rapport, nu gesteld noch gebleken is dat deze stukken geen correct en adequaat beeld zouden geven van de gewraakte gebeurtenissen op 23 oktober 2011.
Het verzoek wordt dan ook afgewezen.”
7.4.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof op 27 november 2014 heeft de raadsman van de verdachte overeenkomstig zijn pleitnota en voor zover hier van belang aangevoerd:

Bevindingen naar aanleiding van de verkregen rapportages
In eerste aanleg heeft de verdediging verzocht om de onderliggende stukken van het interne rapport in haar bezit te krijgen om zo juist de ketens die hebben geleld tot de ontploffing na te gaan en te toetsen, uiteindelijk kreeg de verdediging wel het een en ander, echter wat wij in ons bezit kregen was meer zwart dan wit.
Uit de verstrekte rapporten kon dan ook geen eenduidig beeld worden opgemaakt wat zich zou precies heeft afgespeeld en welke handelingen met welke overwegingen waren verricht Zo ook in hoger beroep waar wij uiteindelijk verklaringen van de directe betrokken [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verkregen.
Uit die verklaringen bleek wederom dat het meeste zwart was waardoor ook aan de hand van hun verklaringen niet kon worden nagegaan welke handelingen ze hebben uitgevoerd en op basis van welke overwegingen.
Het rapport van de commissie voor intern onderzoek is enigszins duidelijker leesbaar, alhoewel nog steeds grote delen over de werkwijze ter plaatse zwart was gemaakt. Uit dit rapport kan men onder hoofdstuk 8 toch het een en ander opmaken.
De conclusie van het interne onderzoek luidde dat op enkele belangrijke punten de communicatie tekort is geschoten en het sein veilig voortijdig is gegeven waardoor twee opruimers in een gevaarlijke situatie zijn gekomen.
Tevens geeft hij aan dat het gebruik van bepaalde verpakkingsmaterialen een bepaalde relatie kan hebben met de directe oorzaak van het ongeval. Dit bevestigt [slachtoffer 2] in zijn stelling in het rapport, namelijk dat een kritisch naar die verpakkingsmaterialen gekeken dient te worden.
Wat het voor de verdediging dan weer frustreert is dat deze conclusies zijn genomen op basis van een rapport wat grotendeels zwart is gemaakt. Kortom krijgt de verdediging en u gerechtshof onvoldoende gelegenheid alle ketens die hebben geleid tot het ingetreden gevolg te toetsen om zo te bezien of het redelijkerwijs aan dient wel of juist niet kan worden toegekend.
Op basis van die gevolgtrekking kunt u dan ook wegens dit vertroebeld en onvolledig beeld deze reconstructie van gehele keten van gebeurtenissen niet maken en dient client te worden vrijgesproken.”
7.5.
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat in een strafprocedure het recht op toegang tot het dossier voor de verdediging voortvloeit uit het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Uit het beginsel van ‘equality of arms’ tussen de partijen, dat deel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces, vloeit voort dat het een vereiste van een eerlijk proces is dat de vervolgende autoriteiten de verdediging toegang geven tot al het bewijs, hetzij in voor de verdachte belastende, hetzij in voor hem ontlastende zin, en dat het niet voldoen aan dat vereiste een gebrek in de procedure oplevert. Uit art. 6 EVRM Pro vloeit evenwel geen absoluut recht op kennisneming van (proces)stukken voort. Zo oordeelde het EHRM in Chambaz v. Zwitserland dat beperkingen op de toegang tot het bewijsmateriaal door de vervolgende instantie gerechtvaardigd kunnen worden door de bescherming van vitale nationale belangen of de bescherming van fundamentele rechten van anderen. Daarbij vertrouwt het Europees Hof in grote mate op de belangenafweging die door de nationale rechter wordt uitgeoefend. Verder is van belang dat in de jurisprudentie van het EHRM niet zozeer wordt gesproken over een recht op (overlegging van) afschriften van bepaalde stukken, maar om het recht op ‘toegang’ tot die stukken. [1]
7.6.
Uit de hierboven weergegeven procesgang volgt dat de verdediging heeft verzocht om een afschrift van dan wel inzage in het gehele niet zwart gemaakte EODD-rapport. Als grondslag heeft de verdediging in eerste instantie – op de terechtzittingen in hoger beroep van 12 juli 2013 en 6 mei 2014 – aangevoerd dat het verzoek moet worden beoordeeld in het licht van “equality of arms” ex art. 6 EVRM Pro. Bij pleidooi – op de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2014 heeft de verdediging in het kader van het verzoek daaraan nog toegevoegd dat de verdediging door het zwart gemaakte rapport onvoldoende gelegenheid heeft om alle ketens die hebben geleid tot het ingetreden gevolg te toetsen om zo te bezien of het redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend.
7.7.
Zoals hiervoor onder 7.3 weergegeven overwegingen heeft het hof aan het ter terechtzitting van 6 mei 2014 gedane verzoek om het gehele ongezwarte rapport aan de verdediging ter beschikking te stellen geen gevolg gegeven. Bij de afwijzing is het hof niet ingegaan op elk detail dat inhoudelijk ter motivering van het verzoek is aangevoerd, maar heeft het de beperking op toegang tot het bewijsmateriaal – om in de woorden van het EHRM te spreken – door de bescherming van het nationale belang [2] gerechtvaardigd geacht. Het hof heeft onder ogen gezien dat kennisname van de inhoud van het EODD-rapport relevant is voor de beantwoording van de te stellen bewijsvragen nu in het rapport een tekortschietende communicatie op een of meer belangrijke punten en het onterecht of voortijdig geven van het sein veilig zijn vastgesteld. Het hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval bij afweging van de belangen van de opsporingsautoriteiten enerzijds en de belangen van de verdediging bij kennisneming van het gehele rapport anderzijds, eerstbedoelde belangen in zoverre zwaarder wegen dat aan de verdachte de kennisneming van het gehele niet zwartgemaakte rapport niet kan worden toegestaan. Daarbij heeft het hof mede betrokken dat de verdediging wél inzage heeft gehad in een aanzienlijk ongecensureerd deel van het EODD-rapport, waaronder ook de gedeelten die zien op de mogelijke onvolkomenheden in de ontmantelingsprocedure en de conclusies betreffende de indirecte/achterliggende oorzaak van het ongeval. Voorts heeft het hof meegewogen dat de verdediging de getuige Kool die deel uitmaakte van de commissie die het rapport voorbereidde alsmede de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft kunnen horen. Dat het hof onder deze omstandigheden heeft geoordeeld dat het niet afgeven van het volledige ongezwarte EODD-rapport geen schending van het beginsel van ‘equality of arms’ oplevert en die toevoeging kan worden geweigerd, is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden, ook niet in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd erop neerkomende dat de verdediging onvoldoende gelegenheid heeft gekregen de ketens die hebben geleid tot een ingetreden gevolg te toetsen om zo te bezien of deze gevolgen redelijkerwijs aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Immers, dit aspect heeft het hof in zijn overwegingen mede onder ogen gezien.
7.8.
Het middel faalt.

8.Het tweede namens de verdachte voorgestelde middel

8.1.
Het middel klaagt over de motivering van het onder 4 bewezenverklaarde, kort gezegd de poging een ontploffing teweeg te brengen, als bedoeld in art. 157 Sr Pro.
8.2.
Voor de bewijsvoering van het onder 4 bewezenverklaarde verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor onder 6 heb opgenomen.
8.3.
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte samen met zijn medeverdachte [medeverdachte] een bom heeft gemaakt en deze midden in de nacht aan een flitspaal hebben opgehangen. Diverse getuigen die in hun auto langsreden hebben de twee mannen gezien. De verdachten zelf hebben ook meerdere auto’s zien langsrijden toen zij bij de flitspaal stonden. Nadat de bom was opgehangen, zijn beide mannen weggegaan. Afgesproken werd dat medeverdachte [medeverdachte] later op zijn fiets terug zou gaan om hem aan te steken. Toen [medeverdachte] een auto met oranje lampen bij de flitspaal zag staan, is hij weggefietst zonder de politie te waarschuwen want dan zou hij worden meegenomen “voor de komende tien jaar”. Bij de ontmanteling van de bom zijn twee personen van de EODD gewond geraakt en een medewerker van de forensische opsporing.
8.4.
In de eerste plaats klaagt het middel dat bij poging tot het teweegbrengen van een ontploffing het opzet van degene die de poging verricht moet zijn gericht op brandstichting, teweegbrengen van een ontploffing of veroorzaken van een overstroming én dat zijn opzet gericht moet zijn op het in art. 157 Sr Pro omschreven gevaar.
Deze klacht faalt reeds omdat zij berust op een onjuiste rechtsopvatting. Volgens vaste rechtspraak hoeft het opzet in geval van vervolging ter zake van art. 157 Sr Pro niet te zijn gericht op het door de brandstichting, ontploffing of overstroming veroorzaakte gevaar. Voldoende is dat het opzet zich uitstrekt tot de gedraging en het daarmee onlosmakelijk verbonden gevolg, zoals in een zaak als deze het teweeg brengen van een ontploffing. [3] De door de steller van het middel geformuleerde eis van dubbel opzet geldt enkel bij voorbereidingshandelingen en niet bij poging, waarvan in casu sprake is. [4] Dat het hof in het onderhavige geval het opzet op het teweegbrengen van een ontploffing heeft aangenomen is geenszins onbegrijpelijk, gelet op – onder meer – de verklaring van de verdachte, zoals in de bewijsmiddelen onder 1. is opgenomen, voor zover inhoudende dat het de bedoeling was de flitspaal met een vuurwerkbom neer te halen. De klacht kan niet tot cassatie leiden.
8.5.
In de tweede plaats klaagt het middel over het aannemen door het hof van het voor poging vereiste begin van uitvoering. Daarbij valt de steller van het middel terug op het criterium uit het befaamde arrest inzake de Eindhovense brandstichting. [5] Vast moet komen te staan, aldus de klacht, dat de dader een daad heeft verricht die zonder enig ingrijpen van de dader zelf tot brandstichting of ontploffing leidt. Zulks zou niet blijken uit de bewijsmiddelen. Inderdaad valt een zekere mate van feitelijke overeenkomst van de onderhavige zaak met de casus van de Eindhovense brandstichting wel te bespeuren. In die andere cause celèbre had de dader op kunstige wijze alles in gereedheid gebracht om een huis in de brand te steken. Daartoe diende hij nog slechts van achter een muurtje aan een touwtje, dat bevestigd was aan een gaspistool te trekken. Voor het zover was hadden omstanders, gealarmeerd door een sterke benzinelucht, de politie al gewaarschuwd zodat het niet meer kwam tot het cruciale trekken aan het touwtje. De Hoge Raad vernietigde het oordeel van het hof dat niettemin een poging aangenomen kon worden en formuleerde daarbij het volgende crtiterium:
“O. immers, dat, volgens art. 45 Sr Pro. voor de strafbaarheid van poging tot misdrijf is vereischt, dat het voornemen des daders zich door een begin van uitvoering van het misdrijf, heeft geopenbaard, hetgeen dus bij het misdrijf bestaande in opzettelijke brandstichting wil zeggen, dat met de brandstichting een begin is gemaakt, dat een daad is verricht, welke niet alleen, zooals het Hof overweegt, noodzakelijk is voor de uitvoering van de voorgenomen brandstichting, op niets anders gericht kon zijn en in rechtstreeksch verband staat tot het beoogde misdrijf — welke hoedanigheden immers ook aan menige voorbereidingshandeling eigen kunnen zijn — maar welke, naar de regelen der ervaring inderdaad — tenzij zich eenige onvoorziene gebeurtenis voordoet — zonder eenig nader ingrijpen van den dader zelf tot brandstichting leidt; dat, voorzoover het Hof, met het 'rechtstreeksch verband' mocht bedoelen een onmiddellijk, dadelijk tot het gevolg leidend verband, dit oordeel feitelijk onjuist zoude zijn, daar de naar haren aard beslissende daad hier juist ontbrak en daarmede ook nog geen aanvang was gemaakt;”
8.6.
Hoewel het arrest van de Eindhovense brandstichting nog in alle handboeken over het strafrecht wordt beschreven – het behoort zodoende tot de canon van de Nederlandse strafrechtsdogmatiek – wordt met dit criterium bepaald niet meer het geldende recht aangegeven. Het criterium voor het aannemen van een begin van uitvoering luidt immers, sinds het Cito-arrest [6] , of een gedraging is verricht welke naar uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op voltooiing van het misdrijf. [7] Dit criterium – hoewel enigszins onbepaald – zou tot meer bevredigende resultaten behoren te leiden dan dat uit het Eindhovense brandstichtingsarrest. Het zwakke punt daarvan was dat de facto nauwelijks ruimte was om een strafbare poging aan te nemen. Als voor het begin van uitvoering vereist is dat ‘aan het touwtje’ wordt getrokken zou – behoudens onvoorziene tegenslag – het delict immers dadelijk zijn voltooid. Intussen zou niet kunnen worden ingegrepen, met navenante grotere schade aan het te beschermen rechtsgoed. De Hullu merkt dan ook op dat hij zich niet kan voorstellen dat, gezet in de sleutel van het Cito-criterium, de casus van het Eindhovense brandstichtingsarrest niet tot een veroordeling zou hebben geleid. Daarbij tekent hij echter aan dat sinds de afzonderlijke strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen die vraag minder dringend is geworden. [8] Waar het thans om gaat, zo vat ik zijn betoog samen, is om te komen tot een zinvolle onderscheiding van de poging met de – inmiddels strafbare – voorbereiding van art. 46 Sr Pro. Daarbij is naar het mij voorkomt het een gelukkige omstandigheid dat het begrip voorbereiding – dat natuurlijk al langer als ‘tegenpool’ van het begin van uitvoering heeft gefigureerd (zie o.m. het hierboven weergegeven citaat uit het Eindhovense brandstichtings-arrest) – in de wet een omschrijving heeft gekregen. Strafbare voorbereiding doet zich volgens art. 46 Sr Pro voor “wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.” Die omschrijving levert een nuttig handvat op om te kunnen onderscheiden van het begin van uitvoering, dus de extra omstandigheid waardoor de kwalificatiegrens van de poging wordt overschreden. Voor een begin van uitvoering lijkt mij dus – in beginsel - vereist dat meer uit de bewijsmiddelen blijkt dan de in art. 46 Sr Pro omschreven gedragingen. Zo laat zich verklaren dat in het geval, waarin de handelingen van de verdachte niet meer inhielden dan het – met het voornemen brand te stichten – aanschaffen van benzine en het opslaan daarvan in een hok achter het in brand te stichten pand geen begin van uitvoering opleverde. [9] Het met een bestelauto rijden naar de plaats waar het af te halen verboden vuurwerk reeds klaar stond kon wel als begin van uitvoering worden aangemerkt, aldus de Hoge Raad. [10] Evenzo – en qua uitkomst ook goed te onderscheiden van de Eindhovense brandstichting – het openzetten van de gaskranen van het fornuis en het daarna verlaten van de woning. [11]
8.7.
In de huidige casus zou onder (strafbare) voorbereiding kunnen vallen het vervaardigen van de vuurwerkbom of het voorhanden hebben van de ingrediënten daarvan, voor zover bestemd voor het misdrijf. Hier blijkt echter uit de bewijsmiddelen dat er ‘meer’ handelingen zijn verricht, die naar uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op voltooiing van het misdrijf. De medeverdachten hebben zich immers met het door hen vervaardigde explosief begeven naar de flitspaal, en hebben de bom aan die flitspaal bevestigd met het doel de bom aldaar te laten ontploffen. Deze handelingen onderscheiden zich, gelet op hun rechtstreekse gerichtheid op voltooiing van het delict wezenlijk van handelingen die slechts neerkomen op voorbereiding van het desbetreffende misdrijf. Dat het hof hieraan de vaststelling heeft verbonden dat sprake is van een begin van uitvoering lijkt mij niet blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk. Dat de ‘ultieme’ handeling van het aansteken van de lont nog niet was verricht lijkt mij geen beletsel voor die aanname. Bovendien – en dat maakt de zaak nog verder rond – blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat ook zonder dat de lont werd aangestoken het alleszins mogelijk was dat de vuurwerkbom op een andere wijze tot ontploffing zou geraken. Het hof overwoog hieromtrent: “In het aanvullend rapport van het FEL komt de deskundige tot de conclusie dat geïmproviseerde bommen van nature gevaarlijk zijn en zich onvoorspelbaar kunnen gedragen. Naar de mening van de deskundige is er voor een pijpbom van dit type echter een vorm van fysieke stimulus vereist om af te gaan. Daarbij valt behalve aan een vonk, vlam of hitte te denken aan een schok of wrijving.” Met andere woorden, het gevaar voor ontploffing was reeds immanent aanwezig na bevestiging van de contraptie aan de flitspaal. Het begin van uitvoering was daarmee ruimschoots aanwezig, zou ik denken.
De klacht faalt.
8.8.
In de derde plaats klaagt het middel dat niet blijkt niet van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor anderen dan de in de bewezenverklaarde met name genoemde personen.
8.9.
In art. 157 Sr Pro is straf bedreigd tegen onder anderen degene die opzettelijk een ontploffing teweegbrengt indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is. Om in rechte zodanig gevaar als vaststaand te kunnen aannemen is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of dit gevaar voor zwaar lichamelijk letsel inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Van die vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn indien zich ten tijde van de ontploffing geen personen in de nabijheid bevonden (vgl. HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7170 [12] ).
8.10.
Het hof heeft geen bijzondere bewijsoverwegingen gewijd aan het bewezenverklaarde gevaarsaspect. Waar het, de rechtspraak van de Hoge Raad omtrent art. 157 Sr Pro volgend, om gaat is of het gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. Het gevaar moet er objectief ex ante zijn. Dat vergt een beoordeling van feiten en omstandigheden die is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Welnu, onbegrijpelijk is het oordeel van het hof op dit punt mijns inziens niet. Het lijkt mij dat door het handelen van verdachte een onaanvaardbaar grote kans op een ontploffing in het leven is geroepen. Verdachte heeft samen met zijn mededader een ‘echte’ bom gefabriceerd die bij ontploffing levensgevaarlijk zou kunnen zijn voor personen in de naaste omgeving en heeft deze bom aan een flitspaal gehangen langs een weg waar auto’s langsreden. Dat zich ter plaatse voorbijgangers bevonden blijkt ook rechtstreeks uit de bewijsmiddelen, zie de nrs. 6 en 7. Naar de gewone loop der dingen heeft het hof hier kennelijk en niet onbegrijpelijk rekening gehouden met de ernstige mogelijkheid dat ook anderen gewond zouden raken. Ook al is voor het aannemen van gevaar niet van belang wat de dader zelf heeft voorzien, uit de verklaringen van verdachte (bewijsmiddelen 1, 3 en 4) volgt dat hij van tevoren wist dat het explosief krachtig was, dat het onbeheerd achter laten van de bom “hartstikke gevaarlijk was” en dat als de bom aan de flitspaal was aangestoken en was geëxplodeerd er naar zijn mening wel staalsplinters waren weggesprongen die dwars door een auto zouden heen gaan.
8.11.
Gelet hierop geeft het oordeel van het hof dat door het handelen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor andere personen te duchten was, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

9.Het derde namens de verdachte voorgestelde middel

9.1.
Het middel klaagt terecht dat het hof de vervangende hechtenis voor de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr heeft bepaald op in totaal 460 dagen. De vervangende hechtenis mag in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van samenloop als bedoeld in art. 57 Sr Pro, op grond van art. 60a in verbinding met art. 24c, derde lid, Sr ten hoogste een jaar bedragen. De Hoge Raad kan de duur van de vervangende hechtenis zelf verminderen. [13]

10.Het vierde namens de verdachte voorgestelde middel

10.1.
Het middel klaagt terecht over schending van de redelijke inzendtermijn in de cassatiefase.
10.2.
De verdachte heeft op 24 december 2014 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de aanbiedingsbrief van de processtukken geplaatst stempel zijn de stukken van het geding eerst op 27 oktober 2015 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Deze overschrijding kan bovendien niet door een bijzonder voortvarende behandeling in cassatie worden gecompenseerd. De overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot een verlaging van de opgelegde gevangenisstraf.

11.Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

11.1.
Het middel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in haar vordering.
11.2.
Het hof heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toegewezen tot een bedrag van € 68.250,-, bestaande uit € 250,- aan materiële schadevergoeding en € 68.000,- aan immateriële schadevergoeding. Het hof heeft de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en bepaald dat zij in zoverre haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:
11.3.
Het hof heeft dienaangaande overwogen:
“Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bij dagvaarding I onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 68.250,00 (achtenzestigduizend tweehonderdvijftig euro) bestaande uit € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) materiële schade en € 68.000,00 (achtenzestigduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 68.250,00 (achtenzestigduizend tweehonderdvijftig euro) bestaande uit € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) materiële schade en € 68.000,00 (achtenzestigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 345 (driehonderdvijfenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Bepaalt dat, indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.”
11.4.
Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij op de navolgende vier onderdelen: (1) de gederfde toekomstige inkomsten ad € 45.357,23, (2) de compensatie zelfwerkzaamheid tot 2013 ad € 10.282,-, (3) de compensatie zelfwerkzaamheid na 2013 ad € 34.640,- en (4) de kosten van rechtsbijstand. In de toelichting wordt betoogd dat het hof heeft verzuimd (voldoende gemotiveerd) uiteen te zetten waarom de benadeelde partij op elk afzonderlijk onderdeel niet-ontvankelijk is verklaard.
11.5.
Om met de laatste post – de kosten van rechtsbijstand – te beginnen, de steller van het middel kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat het hof dit ten onrechte onbesproken heeft gelaten. Immers, volgens vaste rechtspraak strekken de wettelijke voorschriften met betrekking tot de motivering van rechterlijke uitspraken zich niet uit tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag van de door de benadeelde partij gemaakte kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend. [14] Voor zover het middel daarover klaagt kan het niet tot cassatie leiden.
11.6.
Op grond van het bepaalde in art. 361 lid Pro 3, Sv, welke bepaling ingevolgde art. 415 lid 1 Sv Pro in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, kan de rechter indien de behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar zijn oordeel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, bepalen dat de vordering geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering of dat deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Of een behandeling van een vordering een onevenredige belasting in het strafgeding oplevert is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. [15] De Hoge Raad toetst daarbij terughoudend. [16] De Hoge Raad acht het enkele noemen van het criterium van art. 361, derde lid, Sv in het algemeen voldoende als motivering van de niet-ontvankelijkverklaring van een schadevergoedingsvordering. [17]
11.7.
Het hof heeft ten aanzien van de vorderingen die zien op de gederfde toekomstige inkomsten, de compensatie zelfwerkzaamheid tot en na 2013 en de kosten van rechtsbijstand overwogen dat zij een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren en dat de benadeelde partij in zoverre niet in zijn vordering kan worden ontvangen. Door aldus te oordelen heeft het hof het juiste criterium toegepast en was het op grond van art. 361 lid 3 jo Pro. art. 415 lid 1 Sv Pro niet gehouden tot een nadere motivering. Dit oordeel is zoals gezegd feitelijk van aard en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel van het hof acht ik niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen de aard van de vordering en de daarmee samenhangende vragen van vaststelling van de omvang van de schadevordering. Daarbij neem ik de inhoud van de ingediende vordering, de bewezenverklaarde feiten en hetgeen namens de benadeelde partij ter onderbouwing van die vordering naar voren is gebracht, in aanmerking. Anders dan de steller van het middel aanvoert, welk betoog overigens grotendeels neerkomt op een herhaling van een feitelijk betoog, was het hof niet gehouden zijn oordeel nader te motiveren.
11.8.
Het middel faalt.
12. De eerste twee namens de verdachte ingediende middelen falen. Het derde en het vierde middel zijn terecht voorgesteld en dienen te leiden tot gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het hof, waarna de Hoge Raad de zaak in zoverre zelf kan afdoen. Het namens de benadeelde partij ingediende middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf en de beslissing inzake de vervangende hechtenis, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad kan de duur van de opgelegde gevangenisstraf volgens de gebruikelijke maatstaf verminderen en de vervangende hechtenis inzake de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen kan de Hoge Raad verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie de conclusie van mijn ambtgenoot mr. Spronken, ECLI:NL:PHR:2015:1710 onder 51 e.v. met verwijzing naar nadere jurisprudentie en literatuur op dit punt. Zie ook Van de Lanotte/Haeck, Handboek EVRM, Deel 2, Volume I, 2004, p. 591-596.
2.Namelijk het belang dat de werkwijze van de EOD in verband met de staatveiligheid en de veiligheid van de medewerkers van de EOD geheim moet blijven aangezien bekendheid van de werkwijze van de EOD misbruik mogelijk maakt.
3.HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653, NJ 2009/120.
4.HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4230, NJ 2012/670 m.nt. Bleichrodt.
5.HR 19 maart 1934, NJ 1934, p. 450.
6.HR 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373, NJ 1979, 52.
7.Vgl. De Hullu, Materieel strafrecht, zesde druk, p. 390; Knigge/Wolswijk, Het materiële strafrecht, vijftiende druk, p 225.
8.De Hullu, a.w. p. 394.
9.HR 24 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9006, NJ 1992/815.
10.HR 31 augustus 2004, ECLINL:HR:2004:AP1187.
11.Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga, ECLI:NL:PHR:2007:AZ6709, voorafgaande aan HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6709. Hoge Raad: 81 RO ten aanzien van het desbetreffende middel.
12.Vgl. HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653, NJ 2009/120.
13.HR 21 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR6362, NJ 2005/55 r.o. 3.3.-3.4; HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9182 r.o. 4.3.-4.4. (niet opgenomen in NJ 2012/414).
14.HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1656, NJ 2015/301.
15.Naar analogie van HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1137. Zie voorts de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt, ECLI:NL:PHR:2015:2605, onder 55 en 56, met verwijzing naar nadere jurisprudentie en literatuur op dit punt.
16.Zie HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751 en HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349, NJ 2012/520, m.nt. B.F. Keulen. In beide zaken luidde de conclusie dat het oordeel van het hof dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren ontoereikend gemotiveerd was, terwijl de Hoge Raad in beide zaken het oordeel van het hof in stand liet.
17.Zie bijv. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349, NJ 2012, 520 m.nt. Keulen, r.ov. 4.3.