Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
12 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een leraar die tussen 2012 en 2013 meermalen seksueel getinte sms-berichten stuurde aan een 15-jarige leerling, haar cadeaus gaf en aandrong op seksuele afspraken, waaronder een ontmoeting in Limburg. Het hof verklaarde bewezen dat de verdachte heeft gepoogd de leerling te bewegen tot ontuchtige handelingen en dat hij zich schuldig maakte aan poging tot grooming.
De verdediging voerde aan dat er geen begin van uitvoering was en dat poging tot grooming niet strafbaar zou zijn. De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende bewijs had voor het begin van uitvoering van poging tot verleiding en dat de sms-berichten en gedragingen het opzet en oogmerk van de verdachte duidelijk maken.
Verder bevestigt de Hoge Raad dat poging tot grooming strafbaar is, mede op grond van het Verdrag van Lanzarote, waarbij Nederland geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid poging tot grooming niet strafbaar te stellen. De memorie van toelichting en jurisprudentie ondersteunen deze strafbaarheid. Het beroep van de verdachte wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de strafbaarheid van poging tot verleiding en poging tot grooming en verwerpt het cassatieberoep.