Conclusie
eerste middelklaagt over de bewezenverklaring van een ‘poging tot verleiding van een minderjarige tot ontucht’ als bedoeld in art. 248a Sr en de motivering daarvan. Het
tweede middelklaagt over ‘s hofs oordeel dat ‘poging tot grooming’ strafbaar is. De middelen lenen zich voor een (deels) gezamenlijke behandeling.
De verweren van de verdediging
‘seksuele dingen ging zeggen’ (bewijsmiddel 1);
Ik zit in bad, kom je erbij zitten.’en
‘Ik wil je een kusje geven’(bewijsmiddel 1);
‘Ik(het slachtoffer, D.P.)
had nagellak, een ketting en oorbellen van hem gekregen.’(bewijsmiddel 1);
‘Ik die cadeautjes altijd [kreeg] in de pauze als wij die gesprekken hadden’ (bewijsmiddel 1);
‘En ja met jou wil ik vroeg of laat naar bed daar kijk ik nu al naar uit!!! En je hoeft nergens bang voor te zijn ook niet voor het tongen, ik weet zeker dat ervan geniet!!!’en
‘ik het nu al warm. Ik had toch liever dat jij me warm had gemaakt!!! Heb je een foto in bikini van jezelf?? Zou ik die mogen zien??(bewijsmiddel 2);
‘zo nu en dan wat laat zien wat je in de zomer aantrekt als ik er niet bij ben. Dat kun je wel regelen toch?’(bewijsmiddel 3);
‘Hij(de verdachte, D.P.)
zei dat ik mijn ouders voor moest gaan liegen en dan met de trein naar hem toe komen. Hij zou me op het station komen halen en dan zouden we samen naar Limburg ofzo rijden. (…) Hij zei dat hij, als ik niet binnen drie maanden met hem af zou spreken, hij niet kon begrijpen wat het voor zin had om samen contact te hebben. Hij zei dat hij, als we afspraken, met mij wilde knuffelen, zoenen en vrijen. (…)”(bewijsmiddel 1);
‘En die afspraak, ik wil hoe dan ook in de zomer afspreken, met alles erop en eraan (…)’en
‘En als er zo’n afspraak staat is het voor mij ook makkelijker om je te helpen. Anders heb ik het idee dat je me aan het lijntje houdt.’Het slachtoffer heeft onder andere ge-sms’t dat
‘(…) Maar ik weet gewoon niet wanneer ik er klaar voor ben en ik weet ook wel dat je dat gezeik vindt van mij… (…)’(bewijsmiddel 2);
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte een poging tot grooming heeft bewezenverklaard. Er bestaat immers geen uitdrukkelijk wettelijke regeling voor de pogingsvariant van dit delict, aldus het middel. De steller van het middel betoogt hiertoe dat de wetgever grooming als bedoeld in art. 248e Sr heeft aangemerkt als voorbereidingshandeling en dat een poging tot voorbereiding en/of voorbereiding tot voorbereiding van een misdrijf geen strafbaarheid oplevert. De wetgever heeft daarbij duidelijk aangegeven vanaf welk moment grooming strafbaar is, te weten vanaf het moment dat een voorstel voor een ontmoeting wordt gedaan, gevolgd door een handeling die leidt tot de verwezenlijking van die ontmoeting. Verdere verschuiving van de strafbaarheid naar de voorfase is onder ogen gezien en door de wetgever verworpen, aldus het middel.
Medeplichtigheid of uitlokking en poging
Artikel 24 (Medeplichtigheid of uitlokking en poging)
in feite als een voorbereidingshandeling”wordt aangemerkt, kan derhalve zo worden begrepen dat de wetgever hierbij doelt op de strekking van het gronddelict. [24]
.Het hof overweegt hiertoe dat:
concretehandelingen zijn ondernomen en dat het hof het feitencomplex daarom als poging tot grooming aanmerkt. Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt immers onder meer dat de verdachte het slachtoffer meerdere keren heeft uitgenodigd voor een ontmoeting om ontuchtige handelingen te plegen, dat hij het slachtoffer aanspoort om op korte termijn naar Limburg af te reizen, en beschrijft hij ook overigens hoe hij die seksafspraak zou willen gaan organiseren, zie de (mede onder randnummer 10 van deze conclusie geciteerde) vaststellingen van het hof. Tot de bepaling van een concrete dag en tijd was de verdachte echter nog niet gekomen. Mede in aanmerking genomen de uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgende (ruime) interpretatie van “het ondernemen van enige handeling gericht op het verwezenlijken van een ontmoeting” als bedoeld in art. 248e Sr en hetgeen ik hieromtrent heb vooropgesteld, meen ik dan ook dat het hof in dit specifieke geval heeft kunnen oordelen dat sprake is van een poging tot grooming. [26]
concretehandeling heeft verricht, hij wel
enigehandeling heeft verricht tot het verwezenlijken van die ontmoeting, te weten het meerdere keren uitnodigen van het kind voor een ontmoeting om ontuchtige handelingen te plegen etc. Die overweging acht ik niet strijdig met zijn overweging inzake de verleiding, te weten dat de verdachte aandringt
‘op een seksafspraak op korte termijn’.