Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van oplichting, meermalen gepleegd”, 2 “
feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd”, 3 “
feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en 4 “
medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar. Daarnaast heeft het hof de bijkomende straf tot openbaarmaking van de uitspraak gelast, de verdachte voor de duur van vijf jaar ontzet van het recht tot de uitoefening van het beroep van bestuurder of feitelijke bestuurder van een rechtspersoon, en een aantal in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurdverklaard. Tot slot heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen vertegenwoordigd door de Stichting [A] , gedeeltelijk toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis, een en ander zoals in het arrest (en de daaraan gehechte lijst) is vermeld.
eerste middelkeert zich met diverse deelklachten tegen de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde. [1]
Feit 1 primair
”. Met ingang van 12 december 2008 is de bedrijfsvoering onder de inmiddels gewijzigde handelsnaam omschreven als “het financieren van vastgoedprojecten
”. In de periode 12 december 2008 tot 13 februari 2014 is [medeverdachte 1] statutair bestuurder geweest van [B] . Vanaf 13 februari 2014 was [verdachte] statutair bestuurder. [medeverdachte 2] was bestuurder van de Stichting [E] . Op 31 juli 2014 is [B] door de rechtbank Gelderland failliet verklaard.
” op de markt gebracht. Met de gelden van de inleggers zijn gronden gekocht in Costa Rica onder de projectnaam “[H]
”. Dit project was geen succes en heeft in 2010/2011 geleid tot een tekort gelegen tussen de 2,5 en 3,4 miljoen euro.
- een bedrag van € 1.528.526,- is betaald aan eerdere inleggers (Obligaties II en III),
- een bedrag van € 2.368.998,- is betaald aan eerdere kaveleigenaren,
- een bedrag van € 1.957.009,- is betaald aan de inleggers van de overige producten.
- Daarnaast is € 1.444.488,- besteed aan het project [Q] en is er in totaal voor een bedrag groot € 6.866.236,- aan operationele kosten gemaakt.
- Aan de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] is aan salaris, onkosten en andere uitgaven in totaal een bedrag van € 2.543.089,- betaald.
”. De accountantsrapportages zouden aan de AFM zijn verstrekt.
” is niets gebleken. Evenmin is gebleken dat [B] inkomsten uit verhuur of verkoop van kavels, villa’s en of appartementen heeft gehad, zodat de conclusie voor de hand ligt dat alle rentebetalingen aan de beleggers eveneens uit de ingelegde gelden is gefinancierd.
” dat [B] eerder drie obligatieleningen heeft uitgegeven waarbij de eerste twee leningen vervroegd zijn afgelost en waarbij de klanten zelfs een hoger rendement dan beloofd hebben ontvangen. Tevens wordt vermeld dat [B] de obligatiehouders van obligatielening III ook volledig heeft terugbetaald, één jaar eerder dan beloofd. Dat het project [H] (waarop de obligatieleningen I en II betrekking hadden) verlieslatend was, wordt nergens vermeld. Evenmin wordt duidelijk gemaakt dat de genoemde aflossing bestond uit hetzij gelden die uit andere obligatieleningen waren verkregen, hetzij obligaties in andere projecten. Het hof constateert dat pas later, kennelijk onder druk van de AFM, informatie over het verlies van [H] is opgenomen in beleggersmemoranda. Weliswaar verwijst [B] in latere brochures naar haar website waarop de memoranda zouden zijn te vinden, maar dat heeft [B] er niet van weerhouden om de misleidende informatie over de eerste drie obligatieleningen in haar brochures op te nemen. (Doc-136 onder “Trackrecord
”).
”. (Dezelfde tekst is ook te vinden in het directieverslag [B] 2011 d.d. 19 december 2012, D-322). Zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, is dat alles onjuist.De verdediging wijst ook nog op het concept directieverslag 2012 (D-344). Daarin wordt melding gemaakt van vergunningsproblemen bij het project [H] . De relevantie van dit stuk, dat is gedateerd 27 januari 2014, ontgaat het hof.
”. Hoe het ook zij, in het uiteindelijk bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde versie van het publicatierapport met directieverslag (D-345) wordt met geen woord over [H] gerept.
, die dan op te laten maken door een onafhankelijk beëdigd taxateur. Dat standpunt is niet te rijmen met de bewering dat er wel taxaties zijn opgemaakt door beëdigd taxateurs.
”
” en waartegen zij zich concreet dient te verweren. Het hof verwerpt het verweer.
”. Er waren geen andere leidinggevenden.
”. Ook de accountant Van Mullem verklaart dat ze weliswaar statutair niet evenveel zeggenschap hadden, maar binnenskamers wel. Het beleid werd gezamenlijk bepaald en bij afwezigheid van de één namen de andere twee het over. Voorts blijkt dat ze alle drie salarissen op directieniveau hadden, dat zij samen verantwoordelijk waren en zich bezighielden met het aannemen van personeel en dat zij samen de hoogte van de salarissen (inclusief hun eigen salaris) bepaalden.
een groot aantal personen” hebben opgelicht. Daarvoor heeft het hof vastgesteld dat uit de administratie van [B] blijkt “
welke inlegger met welk bedrag in welk product had ingelegd”. [2] Deze vaststelling kon kennelijk worden afgeleid uit de aan bewijsmiddel 49 ten grondslag liggende overzichten. Daarin is opgenomen dat ‘de beleggers’ in de periode 20 oktober 2011 tot en met mei 2014, in totaal een bedrag hebben ingelegd van € 26.093.555,- verspreid over dertien beleggingsproducten. Hoewel in de zakelijke weergave van het bewijsmiddel het aantal beleggers niet nader is gespecificeerd, staat daarmee wel vast dat het totaalbedrag de som is van bedragen die de verschillende beleggers hebben ingelegd. Dat het gaat om een ‘groot aantal’, zoals in de bewezenverklaring is uitgedrukt, lijkt mij gezien het aanzienlijke bedrag aannemelijk. Dat het om een groot aantal beleggers gaat – zelfs om meer dan zeshonderd – blijkt ook uit de aan het arrest gehechte lijst van benadeelde partijen van wie de vorderingen tot schadevergoeding zijn toegewezen, al past daarbij de kanttekening dat die lijst niet als bewijsmiddel is opgenomen. Deze lijst (Bijlage 1: Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel) bevat van alle benadeelde partijen (in totaal 669) afzonderlijk het ingelegde totaalbedrag. Dat in de aanvulling op het arrest niet is gespecificeerd dat de producten van [B] zijn verkocht aan meer dan zeshonderd particulieren, is daarmee niet van dusdanig belang dat het tot cassatie moet leiden.
een brochurezijn bewogen tot afgifte van de geldbedragen. In de toelichting op het middel volgt daarop aansluitend dat evenmin ten aanzien van de
nietin de tenlastelegging genoemde personen uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat zij door een brochure tot afgifte zijn bewogen.
de brochureen de daarin opgenomen en vermelde zekerheden zijn overgegaan tot het inleggen van gelden. Aan de steller van het middel moet worden toegegeven dat uit de bewijsmiddelen die in de aanvulling op het arrest zijn opgenomen inderdaad niet expliciet volgt dat [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 9] en [betrokkene 5] op basis van een
brochurezijn bewogen tot afgifte. [3] De term ‘brochure’ komt in de bewezenverklaring evenwel niet voor. De bewezenverklaring houdt in dat de (potentiële) beleggers – kort gezegd, bedrieglijk – werden benaderd en/of geïnteresseerd “
via aanbiedingsmateriaal, en/of websites, en/of telefonisch, en/of anderszins”. [4] De steller van het middel heeft dus wel een punt, maar problematisch (in die zin dat het tot cassatie moet leiden) hoeft dat niet te zijn als uit de verklaringen wel volgt dat deze beleggers zijn benaderd op één van de wijzen als in de bewezenverklaring genoemd. Dat laatste geldt voor de verklaringen van [betrokkene 3] (bewijsmiddel 21) en [betrokkene 4] (bewijsmiddel 22). Uit die verklaringen heeft het hof kunnen afleiden dat deze getuigen op een (met een brochure) vergelijkbare wijze en langs een met de bewezenverklaring compatibele weg met de beleggingsproducten in aanraking zijn gekomen (namelijk via de website, informatiepakket of per mail). [5]
Dat vanuit [B] formeel enige (juridische) zeggenschap bestond over De Stichting [E] of deze (buitenlandse) vennootschappen is uit het dossierniet gebleken.Evenmin is geblekendat [B] , voor zover er met de ingelegde gelden al in vastgoed gerelateerde projecten werd geïnvesteerd, enige formele zeggenschap had over de opbrengsten daarvan dan wel daarmee enig eigendomsrecht verwierf.” (p. 7);
Niet kon worden vastgestelddat de betalingen aan dit bedrijf vervolgens op enigerlei wijze in Costa Rica ten behoeve van de aankoop of ontwikkeling van vastgoed van [B] is besteed.” (p. 8);
Van ‘eerdere succesvolle investeringen’is niets gebleken.Evenmin is geblekendat [B] inkomsten uit verhuur of verkoop van kavels, villa’s en of appartementen heeft gehad, zodat de conclusie voor de hand ligt dat alle rentebetalingen aan de beleggers eveneens uit de ingelegde gelden is gefinancierd.” (p. 8); en
Gesteld noch geblekenis dat de niet in de tenlastelegging met name genoemde beleggers op andere gronden tot deelname hebben besloten.” (p.12).
In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar bijlagen, als opgenomen in het door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] beiden opsporingsambtenaar, rechercheur, werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD, op 19 augustus 2015 op respectievelijk ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van de FIOD/Belastingdienst met Gefisnummer [0001] , alsmede de daarbij behorende bijlagen in de vorm van processen-verbaal en overige bescheiden.
".
Een proces-verbaal van verhoor van 19 januari 2016 inhoudende de verklaring van [betrokkene 17] afgelegd tegenover de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, zakelijk weergegeven:
testimonium de audituworden neergelegd in het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar (artikel 344 lid 1 onder Pro 2⁰ Sv). Ook dan blijft gelden dat de verklaring – wil zij voor het bewijs in aanmerking kunnen worden genomen – niet méér behelst dan de weergave van eigen (zintuigelijke) waarnemingen of ondervindingen van de getuige. Een mening, gissing, speculatie, vermoeden, conclusie of vergelijkbare gevolgtrekking geldt niet als het product van louter de eigen waarneming of ondervinding en is in zoverre voor het bewijs niet toelaatbaar, aldus volgt uit de regel van artikel 342 lid 1 Sv Pro. [10]
Waarnemenbehelst niet uitsluitend de sensorische verwerking van externe prikkels, maar vormt een cognitief proces waarin betekenis wordt gegeven aan hetgeen het individu via zijn zintuigen gewaarwordt. Dit proces leunt voor een niet onbelangrijk deel op referentiekaders, die per individu in zekere mate kunnen verschillen. Hierbij zijn de achtergrond, kennis en ervaring van het individu cruciaal. [12] Daarmee is niet gezegd dat het onderscheid tussen waarnemen en concluderen verloren is gegaan, wel dat dit onderscheid in enige mate moet worden gerelativeerd. De overgang is vloeiend.
Tekst & Commentaar Strafvordering(onderstreping mijnerzijds): “
Ook bij de getuigenverklaring zien wij het eminente belang van de zintuiglijke waarneming als aanknopingspunt aangegeven (…). De tweeslag ‘waarneming of ondervinding (waargenomen of ondervonden)’ maakt het mogelijkdat de getuige waarnemingsindrukken met elkaar in verband brengt en daarbij eerdere ervaringen en andere waarnemingen verwerkt.” [13]
Ik denk dat[W.]
de eigenaar is” volgens de Hoge Raad “
kennelijk opgevat — en haar ook zo kunnen opvatten — als tot uitdrukking brengende dat[W.]
zich tegenover haar had gedragen als iemand die eigenaar is van een bedrijf als dat waar zij werkte.” De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat
“aldus opgevat die verklaring niets inhoudt dat niet kan worden aangemerkt als een mededeling van feiten of omstandigheden welke de getuige zelf heeft waargenomen of ondervonden.” [16]
kennelijk in die zin verstaan — hetgeen niet onbegrijpelijk is — dat deze getuige daarmee te kennen heeft gegeven dat voor haar, zowel door hetgeen[S.]
haar had verteld als door[S.]’s
gedrag, duidelijk was geworden dat[S.]
omtrent het seksueel misbruik de waarheid had gesproken.” De Hoge Raad oordeelde dat “
aldus verstaan bedoelde verklaring niets bevat wat niet kan worden aangemerkt als een mededeling van hetgeen[B]
zelf heeft waargenomen of ondervonden.” [17]
Uit de onderhandelingen bleek duidelijk dat de chemicaliën als grondstof zouden worden gebruikt voor chemische wapens.” En: “
Omdat ik dacht dat de chemicaliën gebruikt zouden worden voor de productie van chemische wapens, vroeg ik aan[Van A.]
wat het eindgebruik was. Hij legde mij uit dat de chemicaliën zouden worden gebruikt voor consumptiegoederen zoals textiel en leer. Ik dacht dat zijn uitleg een leugen was. Als het wordt gebruikt voor consumptiegoederen als textiel zoals[Van A.]
zei hoeft niet geheim gehouden te worden dat Irak de eindbestemming is.” En “
Ik had het gevoel dat deze FCA Contractors een bedrijf was dat[Van A.]
had opgericht voor handel in chemicaliën. Ik dacht dat dit bedrijf een nep-bedrijf was.” [18]
dat het binnenhalen van nieuwe beleggers is doorgegaan zelfs op een moment dat niemand serieus nog gedacht kan hebben dat aan de verplichtingen jegens de beleggers nog voldaan zou kunnen worden”. Hetzelfde geldt voor de conclusie dat de rente van de beleggers kennelijk werd betaald uit de gelden die door de investeerders zelf aan [B] waren uitgeleend (een conclusie die het hof ook in eigen bewoordingen heeft herhaald).
tweede middelbevat in samenhang met de toelichting daarop eveneens een bewijsklacht ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde. [21] De klacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de uitlatingen in het aanbiedingsmateriaal bedrieglijk zijn gedaan, zodat niet kan worden gezegd dat de beleggers door een
samenweefsel van verdichtselszijn bewogen tot afgifte van een geldbedrag.
derde middelis gericht tegen de bewezenverklaring van feit 2 (bedrieglijke bankbreuk) en bevat de klacht dat het hof met de bewezenverklaring strijdige bewijsmiddelen heeft gebezigd, nu uit die bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en zijn medeverdachten juist geen opzet op het feit hadden. [22] Het
vierde middelklaagt dat het hof ten onrechte de bewezenverklaring van dat feit heeft gebaseerd op handelingen die zijn verricht vóór het faillissement. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Feit 2 primair[B] BV in de periode van 20 oktober 2011 tot en met 31 juli 2014 in Nederland, terwijl [B] BV bij vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen van 31 juli 2014 in staat van faillissement is verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers, enig goed aan de boedel onttrokken heeft, hierin bestaande,
a. die in staat van faillissement is verklaard, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers:
2°. enig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd;
voorafgaand aanalsmede
nahet moment waarop de verdachte of de rechtspersoon waarvan de verdachte bestuurder was in faillissement is gesteld. Dat werd in de
tot1 juli 2016 geldende bepaling tot uitdrukking gebracht in de gedragingen die zijn omschreven in (taalkundig) zowel de voltooid als de onvoltooid tegenwoordige tijd. [23] In dat eerste geval geldt de faillietverklaring als (nadien ingetreden) bijkomende voorwaarde voor strafbaarheid. Het intreden van die voorwaarde verleent het strafwaardige karakter aan de gedraging. [24]
voor of tijdens het faillissement” schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden benadelen. Tot een inhoudelijke verandering heeft dat ten opzichte van de oude regeling dus niet geleid.
Het hof is van oordeel dat het verdienmodel van [B] zoals dat uit het dossier en ter terechtzitting is gebleken niet reëel dan wel levensvatbaar mocht heten en slechts in stand kon worden gehouden door het toevloeien van steeds nieuwe inleggelden. Het hof verwijst naar hetgeen het over het eerste feit heeft overwogen, in het bijzonder het aantrekken van gelden waarmee omvangrijke verliezen moesten worden gedekt, het maken van bovenmatige kosten en het niet behoorlijk administreren. Gelet hierop moet het al vanaf oktober 2011 voor verdachten duidelijk zijn geweest dat gelet op de uitgaven en afwezige dan wel zeer geringe rendement van de investeringen in Costa Rica een faillissement onafwendbaar was.(…)
heel veel brood” hebben gezien in het project [Q] , [26] (2) dat [H] een enorme verhaalsmogelijkheid heeft gehad op [betrokkene 23] , [27] (3) dat het faillissement is gekomen doordat de kosten te hoog werden en nieuwe wettelijke regels werden opgesteld, [28] en (4) dat de verdachte en zijn medeverdachten altijd hebben geloofd in hun plannen. [29]
ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers” (artikel 341 (oud) Sr) ligt een opzeteis voor de in deze bepaling omschreven gedragingen besloten. Het gaat hierbij om “
de wil om de rechten der schuldeischers te verkorten, welke wil mede aanwezig is, indien de verdachte weet of begrijpt dat door zijn handelingen die rechten worden verkort”. [30] Voorwaardelijk opzet op het verkorten van de rechten van schuldeisers is voldoende. [31] Het hof heeft in de voorliggende zaak samengevat vol (dat wil zeggen:
onvoorwaardelijk) opzet aangenomen van de drie bestuurders (de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) op het verkorten van de rechten van de schuldeisers door gelden aan de bedoel te onttrekken en die te besteden aan (a) de oprichting van [M] , (b) het project [Q] en (c) privé-uitgaven voor zichzelf. Voorwaardelijk opzet hadden de bestuurders op benadeling van de schuldeisers volgens het hof voor zover zij niet steeds van iedere concrete overboeking op de hoogte waren, nu “
elk van de directieleden wel een aandeel heeft gehad voor een zodanige sfeer binnen [B] dat daarin dergelijke onzakelijke geldstromen mogelijk werden”. [32]
heel veel brood” zag, geldt dat dat project niet was gekoppeld aan een van de beleggingsproducten van [B] . [33] Ook los daarvan hoeft het geloof in de plannen (ad 4) niet aan het bewijs van opzet op verkorting van de rechten van de schuldeisers in de weg te staan. Het hof heeft vastgesteld dat het gezien de omstandigheden “
vanaf oktober 2011 voor verdachten duidelijk [moet] zijn geweest dat gelet op de uitgaven en afwezige dan wel zeer geringe rendement van de investeringen in Costa Rica een faillissement onafwendbaar was.” Tegen beter weten in was het (naar later bleek onrealistische) geloof aldus kennelijk nergens op gegrond; daarbij neem ik ook in aanmerking de vaststelling van het hof dat een verdienmodel ontbrak. De reden van het faillissement (ad 3) doet hier in het geheel niet ter zake: waar het om gaat is dat de verdachte het goed (de geldbedragen) met zijn gedragingen opzettelijk buiten het bereik van de curator heeft gebracht in het licht van een naderend faillissement. Dat [H] een verhaalsmogelijkheid zou hebben op [betrokkene 23] (ad 2) staat aan het opzet evenmin in de weg, nu in dat geval hooguit een deel van het verlies van [H] kon worden beperkt en het verhaal kennelijk slechts ten bate kon komen van degenen die hadden ingelegd in de Obligatieleningen I, II en III (behorend bij dat project).
vijfde middelkeert zich met een drietal deelklachten tegen de door het hof opgelegde bijkomende straf tot ontzetting uit het recht tot het uitoefenen van het beroep van bestuurder of feitelijk bestuurder van enige rechtspersoon.
Overigens zie ik bij de huidige stand van de wetgeving nog wel een potentieel beletsel voor de toepassing van het bestuursverbod op feitelijke leidinggevers. In de tekst van de diverse bepalingen waarin de ontzetting van rechten mogelijk wordt gemaakt, wordt gesteld dat de rechter de schuldige kan ontzetten van de uitoefening van het beroep waarinhij
het misdrijf begaan heeft. In de constructie van het feitelijk leiding geven is het echter niet de feitelijke leidinggever die het misdrijf heeft begaan, maar is het de rechtspersoon die het misdrijf heeft begaan. De feitelijke leidinggever wordt 'slechts' strafrechtelijk aansprakelijk gesteld ter zake van (het niet voorkomen of zelfs bevorderen van) de verboden gedraging van de rechtspersoon. De stelling dat ook hij daarmee het misdrijf heeft begaan, lijkt moeilijk houdbaar. En indien dat niet wordt aangenomen, zal tegen feitelijke leidinggevers geen bestuursverbod kunnen worden uitgesproken.” [34]
De aan het wetsontwerp ten grondslag liggende gedachte, dat het strafrecht in zijn algemeenheid van toepassing behoort te zijn op zowel natuurlijke personen als corporaties, is aldus tot uitdrukking gebracht, dat in het nieuwe artikel 51, eerste lid (artikel I onder D) is bepaald, dat strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Deze bepaling bevestigt een situatie die voor vele delicten in bijzondere wetten reeds bestaat. In het tweede lid van artikel 51 Sr Pro zoals dit artikel in het wetsontwerp is herschreven, is de inhoud van artikel 15, eerste lid, van de Wet op de Economische delicten overgenomen. Volgens de ontworpen bepaling zal derhalve, indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, de strafvervolging kunnen worden ingesteld en de in de wet voorziene straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, kunnen worden uitgesproken, hetzij tegen de corporatie, hetzij tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven en/of degenen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, hetzij tegen de corporatie en die natuurlijke personen tezamen. De in deze bepaling opgesloten liggende keuze zal in ieder concreet geval moeten worden gedaan door de Officier van Justitie. In dit verband moge eraan worden herinnerd, dat het openbaar ministerie de handelende persoon ook kan vervolgen, indien deze uit eigen hoofde strafbaar is, dat wil zeggen indien te zijnen aanzien alle elementen van het strafbare feit of van enige vorm van strafbare deelneming daaraan zijn vervuld (memorie van toelichting op artikel 15 WED Pro).” [35]
Voor een gezond economisch klimaat is het van belang dat ondernemers, consumenten en de overheid kunnen vertrouwen op hun zakelijke relaties in de samenleving. Strafbare feiten als faillissementsfraude, oplichting en flessentrekkerij schaden dit vertrouwen in ernstige mate. Andere strafbare feiten als BTW-fraude, fraude met Europese subsidies en milieumisdrijven tasten de integriteit van de samenleving in breder verband aan. De genoemde strafbare feiten worden bijna zonder uitzondering gepleegd door calculerende daders, die zich, indien zij daartoe de kans krijgen, bij voorkeur verschuilen achter een rechtspersoon. De rechtspersonen die zij gebruiken houden vervolgens na enige tijd op te bestaan, kennen ineens andere bestuurders of blijken te zijn ontdaan van alle activa. Vaak wordt gedacht dat het bij genoemde misdrijven handelt om relatief «slachtofferloze criminaliteit». In werkelijkheid is het tegendeel echter het geval. Wat na het plegen van de genoemde misdrijven overblijft zijn groot financieel nadeel voor schuldeisers, belastingschulden aan de Staat en in voorkomende gevallen grote kosten verbonden aan andersoortige schade, bijvoorbeeld milieuverontreiniging, die uiteindelijk ten laste komen van de gemeenschap. Ook andere vormen van financiële criminaliteit worden gepleegd binnen het verband van een naamloze of besloten vennootschap, of andere rechtspersonen. Gedacht kan worden aan recente «boekhoudschandalen», waarin bestuurders van grote ondernemingen zich willens en wetens onttrokken aan het toezicht dat de overheid op de financiële sector houdt, het publiek misleidden ter zake van de financiële huishouding van de onderneming, en daartoe openbare stukken valselijk op lieten maken. In al deze gevallen is het belangrijk voor ogen te houden dat de strafbare feiten waar het om gaat niet zozeer worden gepleegd door de rechtspersoon, als wel door de natuurlijke personen die de rechtspersoon besturen. Zij maken daarbij vaak op zuiver instrumentele wijze gebruik van het juridische karakter van de rechtspersoon. Het biedt hun ook gelegenheid om te pogen het eigen handelen te verdoezelen en de aansprakelijkheid voor ontstane schade te ontlopen. Daarmee wordt echter nog niet voorkomen dat daders, na executie van hun straf, wederom dezelfde strafbare praktijken ontplooien, met als gevolg wederom benadeling van schuldeisers en schade voor de maatschappij. De vraag dringt zich op, of in geval van veroordeling, niet meer zou moeten worden gedaan om te voorkomen dat personen zich wederom in de positie bevinden om dergelijke misdrijven te plegen. Ik ben dan ook van mening dat vaker gebruik zou dienen te worden gemaakt van de mogelijkheden om personen in geval van veroordeling voor bepaalde duur het recht te ontzeggen een bepaald beroep uit te oefenen, daaronder begrepen het optreden als bestuurder van een rechtspersoon. Voorts dient het aantal gevallen waarin een dergelijke ontzetting kan worden opgelegd, te worden uitgebreid.(…)Verruiming mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep met betrekking tot bestuurders
3.2 Strafvervolging ingesteld tegen een persoon die feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, behoeft — indien de rechtspersoon eveneens wordt vervolgd — niet tegelijk plaats te vinden met die vervolging van de rechtspersoon. Zij stuit ook niet af op de enkele omstandigheid dat een strafvervolging van die rechtspersoon niet (meer) mogelijk is of niet plaatsvindt.3.3. Bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, dient eerst te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan (dat wil zeggen: een strafbaar feit heeft gepleegd of daaraan heeft deelgenomen). Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.”
in de bij de wet bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, onder meer zijn: (5°) de uitoefening van bepaalde beroepen. Voor de delicten waarvoor de verdachte (al dan niet in de hoedanigheid van feitelijke leidinggever) is veroordeeld, is telkens uitdrukkelijk bepaald dat “
de schuldige kan worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf heeft begaan”. [38] In artikel 51 lid 2 Sr Pro is bepaald dat strafvervolging onder meer kan worden ingesteld tegen de feitelijke leidinggever van de rechtspersoon die de verboden gedraging heeft gepleegd en dat tegen hem “
de in de wet voorziene straffen en maatregelen kunnen worden uitgesproken” (indien zij daarvoor in aanmerking komen). [39] Uit dit samenstel van bepalingen kan naar mijn inzicht worden afgeleid dat het bedoelde sanctiearsenaal, met inbegrip van de ontzetting van bepaalde beroepen, zich niet beperkt tot de rechtspersoon die de verboden gedraging heeft gepleegd, maar zich ook uitstrekt tot de natuurlijke persoon die feitelijke leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging.
indien zij daarvoor in aanmerking komen” belet dat niet. Deze passage moet mijns inziens zo worden begrepen dat bij die sanctieoplegging wel rekening moet wordt gehouden met het onderscheid tussen rechtspersonen en natuurlijke personen, in die zin dat een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel jegens een rechtspersoon niet kan worden geëffectueerd. [40] Andersom zal de mogelijkheid die de Wet vermogenssancties biedt om een geldboete tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie op te leggen aan een rechtspersoon indien de voor dat feit bepaalde boetecategorie niet passend is, niet kunnen worden opgelegd aan natuurlijke personen.
tweedelid van artikel 339 Sr Pro, [44] van artikel 349 Sr Pro en van artikel 235 Sr Pro is steeds bepaald dat (behalve de in het eerste lid genoemde bijkomende straf(fen)) ook andere bijkomende straffen kunnen worden opgelegd ten aanzien van een aantal delicten uit de titel waarop die onderscheidene bepalingen betrekking hebben. De steller van het middel betoogt dat daarbij slechts wordt gewezen op het ontzetten van de rechten genoemd in artikel 28 lid 1 onderdeel Pro 1°, 2° en 4° Sr, zodat de ontzetting van het recht tot de uitoefening van bepaalde beroepen (onderdeel 5°) niet mogelijk is. Dit betoog berust echter vrij evident op een onjuiste lezing van de betreffende bepalingen. Hetgeen in lid 2 is verankerd, sluit de toepassing van het bepaalde in het lid 1 allerminst uit. Zoals hiervoor opgemerkt is de bijkomende straf (mede) gegrond op lid 1 van de artikelen 339, 349 en 235 Sr. De reden dat in het eerste lid van die drie bepalingen niet uitdrukkelijk is verwezen naar onderdeelnummer 5° van artikel 28 lid 1 Sr Pro, is dat toepassing van de bijkomende straf van ontzetting van de uitoefening van een beroep in het eerste lid enigszins is beperkt doordat daaraan is toegevoegd dat de mogelijkheid van ontzetting zich slechts uitstrekt tot het beroep
waarin het misdrijf is begaan.
te boven gaande. Deze ontzetting gaat in op de dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden tenuitvoergelegd (artikel 31 lid 2 Sr Pro).
de factogedeeltelijk [45] overlapt met de bijkomende voorwaarde, staat aan oplegging niet in de weg zolang aan de wettelijke eisen die in beide kaders gelden wordt voldaan. Dat laatste is hier het geval en dus kan ook deze deelklacht – alleen al om die reden – niet tot cassatie leiden.
zesde middelklaagt dat het hof ten onrechte de schade heeft geschat die de benadeelde partijen hebben geleden en in zijn oordeel niet heeft laten blijken dat is nagegaan dat de verdachte in voldoende mate in de gelegenheid is geweest zijn stellingen met betrekking tot de vordering genoegzaam naar voren te brengen, zodat het arrest onvoldoende met redenen is omkleed.
dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade hebben geleden”. Daarmee staat vast dat schade is geleden en daarmee stond het het hof dus vrij het schadebedrag vervolgens te schatten. In aanmerking genomen dat het hof kennelijk de inschrijfformulieren en inleggelden tot uitgangspunt heeft genomen bij de schatting van het schadebedrag, en dat de verdediging tegen de vorderingen voor het overige weinig tot niets heeft ingebracht, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Overigens volgt niet uit het overzichtsarrest, noch bij mijn weten elders, dat het hof uitdrukkelijk in zijn arrest had moeten stilstaan bij de vraag of de verdediging voldoende in de gelegenheid is geweest zijn stellingen te onderbouwen. Uit de pleitnota blijkt dat de verdediging de ruimte heeft genomen het eigen perspectief naar voren te brengen door een aantal argumenten aan te voeren tegen de toewijzing van de vordering. Die ruimte heeft de verdediging naar het oordeel van de steller van het middel – met het achterwege laten van een onderbouwing van die standpunten – kennelijk onvoldoende benut. Dat kan echter geen grond zijn voor cassatie.
- bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast,
- en tot verwerping van het beroep voor het overige.