In deze zaak stond centraal of de politie als benadeelde partij schadevergoeding kan vorderen voor kosten die zij maakte als gevolg van een valse aangifte, gedaan door de verdachte. De politie had zich gevoegd in het strafproces en vorderde vergoeding van de kosten die voortvloeiden uit de opsporingshandelingen die zij verrichtte naar aanleiding van de aangifte.
Het hof verklaarde de politie niet-ontvankelijk in haar vordering wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat kostenverhaal op grond van het privaatrecht in beginsel een onaanvaardbare doorkruising vormt van de publiekrechtelijke strafrechtspleging. Alleen indien vaststaat dat de aangifte uitsluitend was bedoeld om de politie te schaden en dat de aangever wist of moest begrijpen dat de aangifte de politie zou nopen tot nodeloze opsporingshandelingen, kan schadevergoeding worden gevorderd.
De politie moet in dat geval feiten en omstandigheden stellen en bewijzen die deze uitzonderingsgrond ondersteunen. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding opleverde niet onbegrijpelijk en verwierp het middel van de politie.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde taakstraf aan de verdachte. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de omvang van de taakstraf en vervangende hechtenis en stelde deze lager vast.