Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
Bij het gebruik van het in deze zaak bewezenverklaarde oplichtingsmiddel “samenweefsel van verdichtsels” gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. (Vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892.)
In de onder meer op deze omstandigheden gebaseerde beslissing van het Hof ligt besloten dat de verdachte en zijn medeverdachte ten tijde van de met de beleggers gesloten overeenkomsten al wisten dat de nakoming van deze overeenkomsten ten aanzien van het overeengekomen rendement en de maandelijkse uitbetaling - in ieder geval op termijn - zo niet uitgesloten dan toch zeer onzeker was. Het daarop gebaseerde oordeel van het Hof dat de door de verdachte en zijn medeverdachte gegeven informatie over het gegarandeerde rendement van de belegging, evenals de informatie over het direct storten van de gelden op een geblokkeerde rekening, niet strookte met de werkelijkheid, is niet onbegrijpelijk. In het verlengde hiervan geeft het oordeel van het Hof dat deze omstandigheid kan bijdragen aan het door het Hof bewezenverklaarde “samenweefsel van verdichtsels” niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onbegrijpelijk is dat oordeel evenmin.
Het middel faalt in zoverre.
Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van deze - op algemene aannames gebaseerde maar niet reeds daarom onbegrijpelijke - redenering neemt de Hoge Raad in de eerste plaats in aanmerking dat noch in hetgeen namens de verdachte in hoger beroep is aangevoerd, noch in de schriftuur, noch anderszins met betrekking tot een of meer in ‘Ambtshandeling 42’ genoemde beleggers naar voren is gekomen dat hun beslissing tot afgifte van geldbedragen aan [A] ter belegging, gebaseerd was op andere informatie over die belegging dan de informatie die afkomstig was van de verdachte en zijn medeverdachte, zoals vermeld in onder meer het prospectus.
Voorts neemt de Hoge Raad in dit verband in aanmerking dat het Hof met betrekking tot 57 in zijn arrest genoemde personen, onder wie 49 andere personen dan de personen die in de bewezenverklaring zijn genoemd, heeft geoordeeld dat “uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat voornoemde benadeelde partijen als gevolg van het (...) bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade hebben geleden en dat deze schade aan verdachte kan worden toegerekend”, op grond waarvan het Hof hun vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partijen geleden schade heeft toegewezen. Tot de gedingstukken behoren ten aanzien van al deze benadeelde partijen hun opgaven van de inhoud van hun vordering en van de gronden waarop deze berusten, vervat in de formulieren als bedoeld in art. 51g, eerste lid, Sv, alsmede in daaraan gehechte bijlagen, waaronder in een aantal gevallen het door de desbetreffende benadeelde partij ontvangen, door het Hof als bewijsmiddel 12 aan zijn beslissing ten grondslag gelegde prospectus. In dat verband geldt voorts dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat een formulier voor voeging als bedoeld in art. 51g, eerste lid, Sv - indien het voldoet aan de bewijsvoorschriften - voor het bewijs wordt gebruikt (vgl. HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:91).
Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het Hof dat niet uitsluitend de in de bewezenverklaring met name genoemde personen maar ook andere personen mede door de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachte werden bewogen tot de afgifte van geldbedragen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre faalt het middel.
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Beslissing
3 december 2019.